De prijs van de kabel

De strijd om de kabel is opnieuw opgelaaid. In januari gaf de rechtbank Amsterdam kabelexploitant UPC het groene licht om het abonneetarief in Wageningen fiks te verhogen. Maar nu zet de rechtbank Den Haag in het geval van Alphen aan den Rijn Casema de voet dwars. In beide gevallen ging het om oude afspraken over beperking van het tarief die de gemeente had gemaakt toen zij haar exclusieve kabelmachtiging verkocht aan een private onderneming. Zo'n afspraak is in strijd met het grondrecht van de vrije meningsuiting, zei de Amsterdamse rechter nogal verrassend. De rechtbank in Den Haag herinnert er aan dat tegenover de uitingsvrijheid van de kabelexploitant, de ontvangstvrijheid van de consument staat. Dat is ook een fundamentele waarde.

Achter dit principiële geschilpunt gaat een zeer praktische patstelling schuil. In een recente kabelbrief spreekt het kabinet van een ,,kip-ei situatie''. Dat sloeg op de introductie van digitale televisie, waarbij techniek en aanbod op elkaar wachten, maar het geldt voor de hele kabelexploitatie. Nederland is een van de dichtstbekabelde landen ter wereld. De dekkingsgraad is bijna 100 procent en een volwaardig alternatief is, ondanks de opkomst van satellietontvangst, niet in zicht. Dit valt niet los te zien van de ontstaansgeschiedenis. De kabel werd hier aangelegd als een soort nutsvoorziening in handen van de lokale overheid. Iedereen is er aan gewend.

De gemeenten hebben hun machtigingen verkocht en de kabelmarkt is inmiddels sterk geconcentreerd. Drie grote spelers – UPC, Casema en Essent – hebben 85 procent van de markt. De hoge dekking is mooi, maar voor 91 procent van de abonnees betekent kabel toch vooraleerst ontvangst van een standaardpakket omroepprogramma's – tegen een traditioneel gematigd tarief. Dat is door de jaren heen overigens helemaal niet zo'n onaantrekkelijke exploitatievorm gebleken. Er is echter veel meer mogelijk op de kabel. De vraag is alleen: hoe? De kabelexploitanten hoopten op nieuwe diensten als een alternatieve bron van inkomsten naast de omroepdoorgifte. Het is hun gelukt internetverkeer binnen te halen, zij het niet in de laatste plaats door iedere concurrentie op hun net te weren. Maar na het barsten van de dot.com-luchtbel zit de kabel toch weer vast aan het oude stramien.

Wie beweegt het eerst? Naar goed-Nederlands poldermodel werd de oplossing aanvankelijk gezocht in een convenant tussen exploitanten, programma-aanbieders en consumentenorganisaties. Maar dat sprong af – door de kabelaars, gaf minister Brinkhorst (Economische Zaken, D66) in september vorig jaar te kennen. In het verlengde ligt de nu voorlopig verijdelde poging van UPC om desnoods eenzijdig de onwillige consument door tariefsverhoging te laten meebetalen aan vernieuwing. Dat was overmoedig van een exploitant die in een kernmarkt als Amsterdam een reputatie heeft opgebouwd van onbereikbaarheid voor consumentenklachten.

Het kernprobleem is, in de woorden van Brinkhorst, ,,dat de machtsverhoudingen op het ogenblik evident niet in evenwicht zijn''. Hij onderzoekt nu een splitsing van het kabeltarief in een vastrecht plus opslagen voor de afgenomen diensten. Dat is een betere uitweg dan verdere rechtszaken, mits het niet neerkomt op ,,een ordinaire prijsverhoging'' zoals terecht in de Kamer is gewaarschuwd. In 2002 zijn de kabeltarieven toch al meer dan 5 procent extra gestegen ten opzichte van de consumentenprijsindex, bovenop stijgingen van anderhalf procent in voorgaande jaren. Welke doorsnee kabelabonnee heeft daar iets voor teruggezien?