De krekels zwijgen

Uitgerekend hardliner Zalm moet dezer dagen slikken dat Nederland vorig jaar met een begrotingstekort van 3,2 procent van het bruto binnenlands product kampte. De minister van Financiën verweert zich niet: hij zei dit weekeinde dat het logisch is dat Nederland een rode kaart krijgt van de Europese Commissie, en gaat door met de extra bezuinigingen die hij toch al had gepland, hoewel die nu wat hoger kunnen uitvallen.

Extra pech is dat volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek de economie in 2003 kromp met 0,7 procent, in plaats van een eerder verwachte 0,8 procent. Zo voldoet Nederland net niet meer aan de uitzonderingsclausule in het Stabiliteitspact voor een `zware recessie' die pas ingaat bij 0,75 procent.

Toch is de val van de Nederlandse economie dramatisch geweest. Niet zozeer door de diepte van de recessie, maar door de lengte. Dat is te zien aan het verloop van het zogeheten output gap – het cumulatieve verschil tussen de gangbare en de gerealiseerde economische groei. Was er in 2000 nog een positieve output gap van 3,7 procent, dit jaar is dat volgens calculaties van de OESO 2,8 procent negatief. Die omslag in vier jaar tijd is veruit de grootste van alle EU-lidstaten.

De output gap van 2004 is vergelijkbaar met de situatie tijdens de zware recessie van begin jaren tachtig. Hoe groot was het begrotingstekort destijds? 6,1 procent. Daarbij vergeleken lijkt het verwachte tekort van rond 3,3 procent – de Europese Commissie komt morgen met nieuwe ramingen – in 2004 een schijntje. Maar vergeet niet dat de vorig jaar afgesproken bezuinigingen dit jaar neerkomen op zo'n 1,8 procent van het bbp. Die bezuinigingen komen deels bovenop een eerder pakket onder het kabinet Balkenende-1 en worden gevolgd door het in de komende Voorjaarsnota verwachte pakket. Zonder ingrepen zou het tekort dit jaar waarschijnlijk al meer dan 5 procent worden.

Wat ontbreekt in het huidige bezuinigingsdebat is de schuldvraag. Dat is verklaarbaar. Terugkijkend ligt de oorzaak in het bijgestelde begrotingsbeleid onder Paars-2. Na de niet aflatende serie van financiële `meevallers' werd afgesproken dat die meevallers nog maar voor een deel voor aflossing van de staatsschuld zouden worden bestemd. In plaats van het gerealiseerde begrotingsoverschot van 2,2 procent in 2000, had dat overschot 4 procent kunnen bedragen.

De buffer tegen het onheil van nu had er kunnen zijn. Maar vrijwel iedereen, zowel de huidige regeringspartijen als het gros van de oppositie, was destijds voor het besteden van de meevallers aan extra uitgaven of lastenverlichting.

Iedereen krekel, en geen mier te bekennen. Daarom is het nu zo stil.