Brol

Op de keien van de zondagse rommelmarkt in Brussel liggen vier verweesde enveloppen. Wie raapt ze op?

Doordat ik de laatste tijd regelmatig in Brussel verblijf, begin ik voorzichtig iets als een band met die stad te ontwikkelen. Het is nog maar een draadje eigenlijk, die dingen gaan langzaam bij mij, ik geef me niet zomaar gewonnen aan een vreemde stad. Maar sommige aspecten van Brussel zijn onweerstaanbaar en allengs wordt de draad steviger. Door de taal bijvoorbeeld. Niet het Frans, maar het Vlaams. Het Vlaams klinkt zo hartveroverend en vertrouwd in de oren. `Alle kleedjes 75 euro', staat er op een rek in een damesmodewinkel. De eigenaar van de `droogkuis' op de hoek heet Jerom de Mandemaeker.

Op zondagmiddag is het prettig slenteren door de Marollen, een levendige volksbuurt met veel eethuizen, galeries en antiekwinkeltjes. In een kunsthandel in de Hoogstraat raak ik betoverd door simpele, houten voorwerpen die een Aziatische sereniteit uitstralen. De dingen die ik aanwijs zijn toevallig van de Afrikaanse koffieboom, vertelt de sympathieke, van alle poeha gespeende Vlaamse eigenaar, maar de rest is sloophout of aangespoeld, vrijwel allemaal gevonden. Hij geeft me zijn kaartje. `Jacques Brol Brocante' staat erop. Dus hij is Jaqcues Brol?

,,Nee'', glimlacht hij, ,,dat vonden we gewoon een goeie naam. Dit hier heeft weinig met kunst te maken, hè? We willen er niet dik over doen. 't Is maar brol. Vandaar.''

Op het nabijgelegen Vossenplein is de zondagse rommelmarkt al aan het opbreken, want de loodgrijze regenwolk die al een tijdje over de stad hangt is nu vervaarlijk zwaar geworden. Handelaren graaien hun oude schemerlampen en morsige partijen behangselpapier bij elkaar en laden ze in bestelbusjes.

Daar spatten de eerste druppels al op de kasseien. Vlak voor mijn neus draagt een koopman zijn laatste doos boeken naar de auto, terwijl hij achteloos een paar dikke, bruine enveloppen op de keien laat liggen. Ze worden meteen onder de voet gelopen en vertrapt. Mijn metgezel staat al in de deuropening van een café, wenkend dat ik moet opschieten: zometeen komt iedereen hier schuilen. Maar ik aarzel. Zomaar die enveloppen laten liggen?

In het café bekijk ik mijn buit. Op elk van de vier enveloppen staat een jaartal: Août 1951, Août 1952, Août 1953 en Août 1955. Getypte en handgeschreven brieven, verzonden door of gericht aan monsieur J. Vercammen, Rue des Mélèzes te Bruxelles. Plus een heleboel samengebundelde rekeningen; hotel- en restaurantnota's, dat zie je direct. Tweemaal potage du jour kostte in 1952 zestien Belgische francs, leer ik eruit. Ook tientallen kladjes met optellingen in kriebelig handschrift. Controle van de obers? Uit één enveloppe valt een klisje bruin verdroogde bloemetjes, dat verpulvert als ik het probeer terug te stoppen. Ook treinkaartjes, plaatsbewijzen van een Kursaal in Oostende en onwaarschijnlijk keurig ingevulde puntenlijstjes van `Golf Miniature de Zoute'. Maar vooral bonnetjes: bij elkaar wel veertig, vijftig bonnetjes.

Terwijl we op de bestelde soep wachten, kijk ik de brieven door.

Dagboekfragmenten, sporen van misdadige praktijken, liefdesperikelen, ontboezemingen? Niets van dat alles. Uitsluitend hotelreserveringen of bevestigingen. In 1951 was monsieur Vercammen twee weken met zijn vrouw in Knokke. In 1952 tien dagen in Hôtel de la Poste in Bouillon-sur-Semois, in 1953 in Grand Hôtel Belle-Vue te Oostende, waar hij voor veertien dagen vol pension Bfrs. 6.149 betaalde. Uit deze envelop komt ook een krantenartikel tevoorschijn: Monseigneur Touzé zegent te Oostende een circus en poseert met een jonge leeuw in zijn armen voor de foto, omringd door lachend publiek. Staan meneer en mevrouw Vercammen daartussen?

Helaas ontbreekt een enveloppe uit 1954, maar in 1955 reisde het echtpaar naar het buitenland af: twaalf dagen in Hotel Oranje Nassau in Arnhem. Van dit hotel zijn foto's van de kamers, de eetzaal en de `Billardzaal' bijgevoegd. Kamers met lampetkannen, maar een inlegstrook in het fotoboekje vermeldt: `Vaste waschtafels met stroomend, warm en koud water in alle slaapkamers.' Werd er in 1955 nog zo gespeld? In elk geval lijkt meneer Vercammen tijdens deze vakantie zorgeloos aan de zwier geraakt te zijn. Het enige bonnetje dat erbij zit is joyeus doormidden gescheurd en vermeldt: `5 r. w., 3 mart., 3 j.gen., 2 adv., 2 vieux'.

Het cafe zit intussen stampvol, de regen gutst langs de ramen. In de bedompte oudpapierlucht die de rekeningen verspreiden eten wij tweemaal potage du jour, à zes euro vijftig.

,,Fijn dat je dat allemaal aan de vergetelheid ontrukt hebt'', vindt mijn gezelschap. ,,Bewaar het vooral goed!''

Een half uur later stappen we weer over het Vossenplein. Achtergelaten natte vodden, gebroken schoteltjes, bemodderde en verpapte papieren bedekken de glibberige kinderhoofdjes. Hier hadden de vijftig jaar lang gekoesterde nota's van meneer Vercammen dus zomaar tussen kunnen liggen! Als ze niet door mij gered waren!

,,Nous espérons que le séjour que nous passerons chez vous nous donnera satisfaction et nous incitera a envisager par la suite d'autres vacances en votre établissement'', schrijft mijn vakantieganger in zijn reserveringsbrief aan Hôtel de la Poste. Die belangwekkende mededeling zit nu gelukkig hoog en droog in mijn handtas, daar kan niets meer mee gebeuren.

Ik ben erg ingenomen met mijn eerste Brusselse brol.