Bijsturen en uitzitten

Over drie dagen is het een jaar geleden dat de coalitietroepen hun opmars in Irak zegevierend in de hoofdstad beëindigden. Op 9 april 2003 werd op het Paradijsplein in Bagdad Saddam Husseins standbeeld neergehaald. De verwachtingen waren hoog gespannen. Een jaar later luidt de conclusie dat het nodige ten goede is veranderd, maar dat de veiligheidssituatie voor veel Irakezen niet beter is geworden. Bomterreur is aan de orde van de dag en ontregelt het leven. Bovendien zijn de coalitietroepen in toenemende mate onder vuur komen te liggen. Afgelopen zondag was een dieptepunt: bij de ergste onlusten sinds de val van Bagdad kwamen meer dan vijftig Irakezen om, sneuvelden acht Amerikaanse soldaten en een Salvadoraan en raakten vele honderden mensen gewond. Na de gramschap van het Saddam-getrouwe sunnitische deel van de bevolking, krijgen de Amerikanen nu in toenemende mate ook de woede van sji'itische moslims over zich uitgestort. De gemoederen beginnen verhit te raken. Het woord burgeroorlog is al gevallen.

Dat laatste is wat prematuur, maar een jaar na dato is de situatie in Irak in grote lijnen grimmig te noemen. Meer en meer wordt duidelijk in wat voor moeras de coalitietroepen zijn beland, de Nederlandse militairen incluis. Steeds duidelijker wordt ook dat een voor de hand liggende oplossing – snel vertrekken daar – onmogelijk is, gezien de chaos die dan ontstaat. De landen van de coalitie, de Verenigde Staten voorop, zijn een verplichting aangegaan met langdurige en verreikende consequenties. De belangrijkste daarvan is misschien het feit dat de oorlog een extra, op zichzelf staand motief voor terreur in de wereld is geworden. Het dilemma tekent zich af. Vertrekken is onverantwoord; blijven wordt steeds onaantrekkelijker. Bijsturen en uitzitten – dat is het adagium tot 30 juni, de dag van de soevereiniteitsoverdracht. Wat daarna gebeurt, met name met de aanwezigheid van de Amerikaanse en Britse troepen, is een vraag die ook voor de 1.300 Nederlandse soldaten in Zuid-Irak letterlijk van levensbelang is. Zonder afdoende Amerikaans-Britse rugdekking is Nederlandse aanwezigheid uitgesloten.

De roep om meer Amerikaanse troepen is alleszins begrijpelijk. Voor president George W. Bush evenwel, bezig met zijn (her)verkiezingscampagne, is het sturen van meer soldaten onaantrekkelijk. Ieder dode Amerikaan, ieder tv-shot van nog meer ellende in dit verre, chaotische land, is voor de Amerikaanse kiezer een reden temeer om zich van het presidentiële beleid af te keren. Een recente opiniepeiling laat zien dat nog maar 40 procent van de Amerikanen de Irak-politiek van Bush steunt, een gegeven dat de president in deze tijd moeilijk kan negeren. Extra militairen kunnen wel helpen de chaos te beteugelen. Het belangrijkste echter is het op gang houden van de politieke dialoog in Irak. Met iemand als de anti-Amerikaanse geestelijk leider hojatoleslam Muqtada Sadr, een shi'itische radicalist, is dat praktisch onmogelijk. Maar ook hìj staat voor een deel van de Iraakse realiteit waar de coalitie niet omheen kan.