Voor de Turken valt er weinig te vieren

Afgelopen zaterdag was de viering ter gelegenheid van veertig jaar Turkse migratie naar Nederland. Ik was er ook bij in de Rotterdamse Doelen. Wat was er mooi aan deze dag?

Voor een overgrote meerderheid van de aanwezigen was het waarschijnlijk de eerste keer dat er zo lang collectief werd stilgestaan bij die periode van veertig jaar. Twee oude mannen achter mij zeiden tijdens de vertoning van een korte film over de eerste gastarbeiders uit Turkije: ,,Nu word ik emotioneel, jeetje man, moet je kijken wat een weg we hebben afgelegd.''

Toen wist ik weer waarom ik me al zo lang opwind over de manier waarop het discours in Nederland wordt gevoerd. In het debat over de problemen van de multiculturele samenleving wordt veel te snel met de vinger gewezen in de richting van dit soort gewone mensen, die gewoon een gelukkig leven willen leiden.

Ik wist dus niet of en wat ik in de Doelen moest vieren. Was het wel een viering, of was het een politiek statement? Een viering in combinatie met de politiek wringt bij voorbaat al aan alle kanten. En helaas, wederom was het niet een dag van de migrant, maar een dag over de migrant.

Vele sprekers passeerden de revue. Opvallend was dat juist de politieke bestuurders, met een belerend toontje en de wijsvinger omhoog, de aanwezigen in de zaal duidelijk maakten hoe en waarom ze moesten integreren. Alsof deze mensen dat niet zouden willen. Juist op een dag als deze zou men stil moeten staan bij andere zaken dan de lege helft van de fles.

Waar lag de irritatie? Misschien wel voor een groot deel bij mijzelf. Bij het feit dat ik het niet kon begrijpen waarom Turkse ouders zo gezagstrouw opstaan en klappen bij iedere politicus die spreekt. Terwijl ze misschien ook zouden kunnen denken: mogen wij misschien eerst een welkome ontvangst en wat klantvriendelijkheid op consulaten en vliegvelden? En wat dacht u van kwalitatief goede taalcursussen, goede controle van speciale gelden in het onderwijs op zwarte scholen en een moreel juiste houding in het debat over integratie en cultuur?

De algemene teneur van deze dag was duidelijk. De Turkse vice-premier was aanwezig om de wens van zijn land uit te spreken lid te worden van de Europese Unie. Politiek Nederland was vertegenwoordigd in de vorm van de ministers Verdonk en de Geus voor een andere klassieker: een hoorcollege over integratie en eerwraak.

Het valt me op dat politici de wenselijke mate van integratie en de waarde die daaraan wordt gehecht, al naar gelang de politieke verhoudingen in Nederland, veranderen en aanpassen.

Gaat het om taal? Gaat het om objectieve beoordelingscriteria, waardering van burgerschap of om participatie? Om wie gaat het en welk mensbeeld hoort daarbij?

En het belangrijkste van alles: wie is de verantwoordelijke om op deze vragen een juist antwoord te formuleren en deze problemen op te lossen? In de eerste plaats het individu zelf. Maar wat als diezelfde maatschappij doordrenkt is van gevoelens van onvrede, schuldvragen, angst en ongenoegen? Dan klopt er toch iets niet? In een dergelijke situatie gaat het alleen nog maar om de hoogte van minaretten.

Daarom zou een spijtbetuiging mijns inziens zeker op zijn plaats zijn. Zowel Turkse als Nederlandse politici moeten hun spijt uiten. Spijt voor het jarenlang ondankbaar profiteren van de liquide transacties van Turkse gastarbeiders naar en in Turkije. Voor het feit dat de Turkse overheid haar eigen mensen destijds met weinig juridische zekerheid en masse liet vertrekken naar Nederland. Spijt voor het gebrek aan aandacht voor het (Turkse en Nederlandse) onderwijs. Spijt voor het moeten luisteren naar imams die niet alleen het Arabisch maar kennelijk alles achterstevoren lezen.

Men moet er ook spijt van hebben dat Turkse vaders en moeders eerst twintig jaar zijn opgezadeld met de meest zware baantjes, dat ze daarna afhankelijk zijn gemaakt van sociale voorzieningen, en dat ze vervolgens zijn gemarginaliseerd en ervan zijn beschuldigd dat ze geen Nederlands kunnen spreken. En dat middelen die ingezet moesten worden toen bleek dat deze mensen hier zouden blijven, zijn uitgebleven. En spijt voor het inmiddels heersende idee dat een individueel `succesverhaal' een fenomeen, een uitzondering op de regel is, een stadium wat – zogenaamd ondanks de groep – wordt bereikt.

Elite-racisme en populisme enerzijds en een slachtofferbeeld en individuele succesverhalen anderzijds, lijken na de viering `Veertig jaar Turken in Nederland' de stemming voor sommigen te bepalen. In de Volkskrant stond vorige week het verhaal van de heer Necati Genc (72), de eerste officiële Turkse migrant in Nederland. Blij, trots of tevreden is hij allerminst. Aan de viering wil en kan hij naar eigen zeggen niet deelnemen. Volgens hem valt er niet veel te vieren als men de 340 duizend Turken in Nederland bekijkt.

Is dit niet ontzettend jammer? De eerste Turkse migrant, die symbool staat voor de mensen waarover het hier gaat, vindt dat er niets te vieren valt.

Misschien dat het kabinet-Balkenende meer de balk in het eigen oog moet gaan zien, in plaats van met een beschuldigende vinger te wijzen richting migrant. Misschien valt er dan wel wat gezamenlijk te vieren.

Serdar Manavoglu is beleidsmedewerker bij de Universiteit van Amsterdam.