`Hand vrouw achter oudste Nederlands'

De oudst bekende Nederlandse tekst is geschreven vanuit het perspectief van een vrouw. Dat concludeert hoogleraar Frits van Oostrom van de Universiteit Utrecht na de tekst te hebben vergeleken met contemporaine minnepoëzie uit andere talen. De tekst luidt: `Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu' (Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij; wat wachten wij nu?). Sinds het in 1932 in Oxford opdook, werd altijd aangenomen dat de ik-figuur een man was.

Mediëvist Van Oostrom heeft nu belangrijke overeenkomsten ontdekt tussen het Nederlandse fragment, dat voor 1100 werd opgeschreven door een West-Vlaamse benedictijn in de abdij van Rochester in Kent, en contemporaine vrouwenliederen uit het toen moorse Spanje. ,,Die vrouwenliederen werden geschreven in het Arabisch of Hebreeuws, maar de laatste strofe was vaak in de volkstaal, het Spaans. Die strofen bevatten net als de Nederlandse tekst natuurbeelden en handelen over persoonlijke liefdesrelaties.''

Van Oostrom vond strofen die wat inhoud betreft erg lijken op de Nederlandse tekst, zoals: `Mijn lief je bent mijn buur, je huis staat naast het mijne en toch vermijd je mij?' en `Mooie dageraad, zeg mij waar kom je vandaan? Waarom bemin je een ander en mij niet?'. Ook in Middellatijnse gedichten over de liefde van vrouwen voor mannen stuitte Van Oostrom op vergelijkbare strofen. ,,Er is steeds sprake van een monoloog, waarin klagerig of verlangend tot een geliefde wordt gesproken.''

Frank Willaert, hoogleraar oudere Nederlandse letterkunde aan de universiteit van Antwerpen, noemt de theorie van Van Oostrom ,,plausibel''. ,,Deze conclusie zal door vakgenoten zeer serieus worden genomen.''

Van Oostrom weet niet of `hebban olla vogala' ook is geschreven door een vrouw. ,,Het is al erg mooi dat het een vrouwenstem is.'' Van Oostrom zal zijn theorie publiceren in een geschiedenis van de Middeleeuwse Nederlandse literatuur, die in 2006 verschijnt.