De Brusselse kaart

Voor Gerrit Zalm, minister van Financiën op herhaling, is de boodschap uit Brussel pijnlijk. Eind vorig jaar gaf hij zijn Duitse en Franse collega's er van langs omdat ze zich niet hielden aan de afspraken over de begrotingsdiscipline in de eurolanden zoals die zijn vastgelegd in het Stabiliteitspact. Zalm vond dat eurocommissaris Solbes beide landen te coulant behandelde en hij stond een hardere aanpak voor, waarvoor hij geen steun kreeg in de raad van ministers van Financiën. Nu heeft dezelfde eurocommissaris Solbes, die overigens binnenkort naar Madrid vertrekt om minister van Financiën in de nieuwe Spanse regering te worden, Zalm de wacht aangezegd. Nederland hangt een `excessieve-tekortprocedure' boven het hoofd omdat in 2004 voor het tweede achtereenvolgende jaar het begrotingstekort boven de drie procent van het bruto binnenlands product dreigt uit te komen. Eind vorig jaar was Zalm te optimistisch toen hij voorspelde dat het tekort over 2003 onder de drie procent zou blijven. Dat blijkt niet het geval en ook dit jaar komt het tekort zonder aanvullende maatregelen uit boven de toegestane grens. Alleen al om zijn eigen reputatie te redden zal Zalm er alles aan willen doen om dat te voorkomen.

De overheidsfinanciën hebben de vervelende eigenschap dat ze altijd achter de economische conjunctuur aanhobbelen. Al sinds 2001 staat de Nederlandse economie stil en vorig jaar was sprake van een dip. Hierdoor is in ruim drie jaar tijd tegen de veertig miljard euro minder economische welvaart gegenereerd dan waarvan werd uitgegaan in de meerjarenramingen. Dit welvaartsverlies ijlt na in de staatshuishouding. Doordat in de nadagen van het tweede paarse kabinet de uitgavensluizen, met name in de zorg, wagenwijd zijn opengezet en er in het rampjaar 2002 niet is geregeerd, heeft Nederland een achterstand van enkele jaren bij de aanpak van de begrotingsproblemen. Naar nu blijkt, heeft Balkenende-II bij het aantreden van het kabinet de omvang van de begrotingsproblemen, ondanks een recordpakket aan ombuigingen, ook nog eens onderschat.

De politieke klasse begint verschijnselen van bezuinigingsmoeheid te tonen. Maar het onverstandigste waarvoor de regeringspartijen nu kunnen kiezen is verslapping van de inspanning om de staatshuishouding weer op orde te brengen. Met name in de zorg zijn de uitgaven zodanig uit de hand aan het lopen dat ook zonder een waarschuwing uit Brussel ingrepen noodzakelijk zijn. Voor Zalm en zijn medebewindslieden is er één lonkend vergezicht. Als de economie dit en volgend jaar verder aantrekt, kunnen de overheidsfinanciën tegen de tijd van de verkiezingen in 2007 weer redelijk op orde zijn gebracht. Uitstel van ombuigingen schuift dat moment alleen maar verder naar de toekomst en heeft financieel en politiek geen enkele zin. De dreiging van een rode kaart uit Brussel noopt tot doorzetten.