Welk evangelie? De eenzijdige theologische en historische visie van Mel Gibson

`The Passion of the Christ' over het lijden van Jezus zou een verfilming zijn van `hoe het echt was' dan wel van `het evangelie'. Maar een combinatie van de vier evangeliën levert geen historische werkelijkheid op.

Zelfs het lijdensevangelie is niet meer veilig voor Hollywood. Op Aswoensdag ging in de Verenigde Staten Mel Gibsons langverwachte film The Passion of the Christ in première. Al ruim voordat de film in omloop kwam leidde het project tot heftige discussies. Mel Gibson is een verklaard orthodox rooms-katholiek gelovige die veel geld aan dit project heeft besteed. Intussen heeft hij er een veelvoud van terugverdiend. Zijn orthodoxe standpunten zouden ertoe leiden dat de film antisemitisch van karakter is: in Gibsons weergave zouden het de joden zijn die schuld hebben aan de dood van Christus. Bovendien belicht de film slechts een deel van het evangelie, namelijk het lijdensverhaal. Het leven van Jezus tot aan zijn lijden wordt amper verbeeld en de film is wel heel beknopt in wat voor christenen het centrale moment rond de dood van Christus is: zijn opstanding.

Nu de film in Nederland draait, is de storm rond het project ook hier opgestoken. Veel aandacht gaat naar het brute geweld dat de film bevat. ,,Dit is de meest gewelddadige film die ik ooit gezien heb'', aldus Roger Ebert, filmrecensent van The Chicago Sun Times. Inderdaad is het gruwelijk: slechts een klein deel van de film is niet besteed aan het in beeld brengen van de geseling, een doornenkroon die hardhandig in de hoofdhuid van de te kruisigen Jezus gedrukt wordt, spijkers die door zijn handen en voeten geslagen worden, een lans die in zijn zijde wordt gestoken en meer gruwelijkheden als deze. De regisseur pretendeert een historisch betrouwbaar verslag te bieden van het lijden van Christus. Deze pretentie kan niet worden waargemaakt.

De film is gebaseerd op de evangeliën. Daarbij doet zich een probleem voor: welk evangelie? Het Nieuwe Testament bevat vier evangeliën – Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes – en het verslag van het lijden van Christus in de vier evangeliën verschilt enigszins. Iedere evangelist vertelt het verhaal op zijn eigen wijze. Opvallend is bijvoorbeeld dat in Johannes de dood van Jezus wordt aangeduid als zijn `verhoging'. Daarmee wordt verwezen naar de verheerlijking van Jezus Christus bij zijn dood. In Johannes volbrengt Jezus zijn taak door te sterven. Zijn laatste woorden luiden dan ook ,,Het is volbracht!'' (Joh. 19:30). Jezus' dood is hier een overwinning.

Hoe anders is het in het oudste evangelie, dat van Marcus. Daar sterft Jezus met als laatste woorden een citaat van Psalm 22: ,,Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?'' (Mar. 15:34). Deze woorden bevatten een wonderlijke paradox: de gelovige roept God aan met het verwijt dat deze hem verlaten heeft. Zijn dit de woorden van een overwinnaar? Van iemand die zijn taak volbracht heeft? Of zijn het de woorden van een lijdende rechtvaardige die tot zijn dood toe vasthoudt aan de God in wie hij gelooft? Het lijkt erop dat het laatste een realistischer duiding is. In de andere twee evangeliën zijn de posities vergelijkbaar.

De vraag is nu: wat heeft Gibson verfilmd? Heeft hij het historische lijden van Jezus Christus verfilmd of de vertelling over dat lijden in de evangeliën? Het gaat uitdrukkelijk om het laatste en dan om precies te zijn de hervertelling zoals die in de liturgie van de kruisweg plaats heeft. De film biedt, alle pretenties ten spijt, geen historische reconstructie van de geschiedenis achter de evangeliën. De vraag is dus relevant hoe Gibson met de vier verschillende evangeliën omgaat. Hier ontstaat een probleem. Wil de filmer een historisch verslag doen van het lijden van Jezus Christus, dan moet hij zich de methoden van de historisch-kritische wetenschap eigen maken die zich bezig houdt met het analyseren van de geschriften van het vroege christendom. Wil hij een geloofsgetuigenis uit de evangeliën overnemen, dan moet hij kiezen welk gegeven hij uit welk evangelie overneemt. Hij wordt dus tot een theorie gedwongen over de literaire verhouding van de vier evangeliën.

Gibsons methode is die van de harmonie. Deze manier van omgaan met de evangeliën is de traditionele voor-kritische reconstructie die tot de negentiende eeuw ook in kringen van exegeten gangbaar was: je telt de verschillende verhalen van de evangelisten bij elkaar op en dan heb je een historisch verslag. Ter illustratie: de film bevat zowel de scène van Jezus met de beide rovers die om hem heen gekruisigd worden als het moment waarop de Romeinen met een lans zijn zijde doorboren. Het eerste element komt niet in Johannes voor en wordt in een uitgebreide versie alleen beschreven in Lucas (23:39-43) en het tweede element komt juist alleen in Johannes voor (Joh. 19:34). Voorts spreekt Christus aan het kruis eerste de slotwoorden uit het evangelie van Marcus en daarna de laatste woorden uit de versie van Johannes. Aldus is helder dat de film een persoonlijke hervertelling van Gibson is van een verhaal dat in de vier evangeliën van het Nieuwe Testament op uiteenlopende wijze wordt beschreven. En met die persoonlijke keuze is Gibson dus ook volledig verantwoordelijk voor het portret dat hij schetst.

Een veel gehoord verwijt is dat van antisemitisme. In zijn weergave van het lijden van Christus zou Gibson de schuld voor dat lijden bij de joden in Jeruzalem neerleggen. Het moet gezegd: Gibson heeft op dit punt de schijn tegen. Zijn vader publiceert al jaren hyperorthodoxe kritiek op het Vaticaan (de Heilige Stoel is volgens Hutton Gibson sinds het Tweede Vaticaanse Concilie feitelijk vacant en bezet door de Antichrist!) en bagatelliseert de holocaust. Voorts is voor het script gebruik gemaakt van de door Clemens Brentano uitgegeven visioenen van Johanna Katherina Emmerick (1823/24). Niet alleen bieden die visioenen natuurlijk geen historische informatie, maar ze zijn ook nog doortrokken van jodenhaat. Beide zaken horen de toeschouwer alert te maken.

Hoe schetst de film nu de rol van de joden? Het cruciale moment in dit verband is de uitspraak uit Matt. 27:25 (het verzamelde volk roept daar over Jezus: ,,Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!''). Dit vers heeft in de geschiedenis tot vreselijke dingen geleid. De gewraakte woorden kwamen aan het einde van de eerste eeuw in het evangelie van Mattheüs terecht als een uitspraak die met terugwerkende kracht de val van de tempel in 70 na Christus voorspelde. Mattheüs ziet die gebeurtenis als straf voor de dood van Jezus. Het was ook met name tegen deze woorden dat er van joodse kant protesten klonken in de VS. De gekozen oplossing spaart kool en geit: de menigte voor Pilatus spreekt deze woorden wel uit, maar het Aramees blijft zonder ondertitels. Geen mens die het dan verstaat.

De evangeliën schetsen Jezus onder andere als een door Israël verworpen profeet, die het lot deelde van bijvoorbeeld Jesaja, Jeremia en anderen voor hem. De tegenstand tegen Jezus staat in de evangeliën duidelijk in die traditie. In het conflict tussen Jezus' aanhangers en die joden die de verkondiging over hem afwezen werden harde noten gekraakt. Het was een hoog oplopend conflict, dat gevaarlijke dimensies kreeg toen de joodse Christus-beweging in de tweede en latere eeuwen uitgroeide tot een niet-joodse Griekstalige christelijke godsdienst. De scheiding tussen wat we nu kennen als joden en christenen is een pijnlijk en langdurig proces geweest en de evangeliën weerspiegelen de interne joodse polemiek die de eerste fase van dat proces kenmerkte.

Daarnaast is het beeld van de Romein Pilatus in de evangeliën onwaarschijnlijk mild: de historicus Flavius Josefus schetst ons hem als een wrede tiran die nooit de moeite genomen zou hebben zo veel tijd te besteden aan één veroordeelde als de evangeliën suggereren. Hier blijkt een andere agenda van de evangelisten. Lucas bijvoorbeeld doet zijn uiterste best om de Romeinen zo veel mogelijk buiten schot te houden. Een historisch accuraat portret van Pilatus als tiran zou ongetwijfeld de acceptatie van de Christus-beweging door Romeinen in de weg gestaan hebben.

Toch is de film niet antisemitisch te noemen. Ook Jezus en zijn volgelingen worden als joden ten tonele gevoerd. Een Romein spreekt het uitdrukkelijk uit als hij een volgeling van Jezus weg duwt: ,,Weg, iudeus.'' De film gaat niet over tegenstand van ,,de joden'' tegen Jezus. Het gaat over iemand die bereid is om te sterven zonder zijn vijanden te vervloeken. In de film noemt Jezus ,,degene die Mij overgeleverd heeft'' de enige schuldige. Het verwijt van antisemitisme is dus niet terecht. Hoe is het dan met het geweld?

In 1968 werd ten noordoosten van Jeruzalem een vondst gedaan die de Romeinse praktijk van de kruisiging inzichtelijk maakt. In een necropolis werd een ossuarium gevonden waarin onder andere de beenderen lagen van ene Jochanan. (Een ossuarium is een stenen kistje waarin joden in de oudheid de beenderen van hun voorouders een jaar na hun begrafenis te ruste legden. De beenderen van een overledene werden later opgegraven en in een ossuarium gelegd.) Jochanan is in de eerste eeuw door de Romeinen gekruisigd. Zijn rechterenkel lag in het ossuarium en dwars door het bot van de enkel loopt een spijker van ongeveer twaalf centimeter lang. Op deze spijker was een houten plankje bevestigd om te voorkomen dat de gekruisigde zichzelf kon bevrijden. Ook na Jochanans dood hebben zijn nabestaanden de spijker niet uit zijn enkel kunnen verwijderen. Overigens is deze vondst een bijzondere ontdekking, omdat de meeste gekruisigden niet begraven werden. De Romeinen lieten hun lijken hangen tot ze door wilde beesten waren kaal gevreten. Zo brachten zij hun tegenstanders niet slechts om het leven door hen op gruwelijke wijze te laten sterven, maar onteerden hen vervolgens op vreselijke wijze.

Ook ander archeologisch materiaal maakt duidelijk hoe afschuwelijk Romeinse straffen waren. Een gesel – ook prominent aanwezig in de film – bestond uit een houten stok met leren riemen. Aan het uiteinde van die riemen waren punten bevestigd, van steen of van ijzer. Daarmee werd de rug van een misdadiger kapotgeslagen. De gegeselde had dus letterlijk geen rug meer over. De leren riemen zorgden voor een hoge mate van trefzekerheid en de scherpe punten aan de uiteinden sloegen niet alleen de huid, maar ook de daaronder gelegen spieren weg.

Deze twee voorbeelden maken duidelijk hoe Romeinen omsprongen met misdadigers en opstandelingen. Het is eigenlijk ondenkbaar dat iemand na een geseling nog voldoende kracht heeft om gekruisigd te kunnen worden. En toch vertellen de evangeliën dat dat met Jezus gebeurde.

Wat drijft een filmmaker ertoe om deze mensonterende vormen van geweld als publiek vermaak in beeld te brengen? Het moet wel een religieuze motivatie zijn die Mel Gibson hiertoe aanzet. Anders is het niet te verklaren. De vraag rijst daaruit op: moet je een film ,,goed'' noemen omdat hij gruwelijk geweld op een accurate manier verfilmt? Moet je dergelijk geweld eigenlijk wel in beeld brengen? Moet je niet in stil afgrijzen kennis nemen van de inzichten die archeologisch en historisch onderzoek ons opleveren en het daar maar bij laten? Het feit dat Gibson dat niet gedaan heeft, betekent dat hij een theologische keuze heeft gemaakt: de keuze dat het lijden van Christus zo belangrijk is, dat het ook in beeld moet komen met de middelen die ons vandaag ter beschikking staan.

,,Gij zult u geen gesneden beeld maken (...) Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen, want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God...'' (Exodus 20:4-5). In de Tien Geboden, die het hart van de wet van Mozes vormen, neemt het tweede gebod een belangrijke plaats in. Dit gebod heeft ertoe geleid dat in de joodse traditie geen afbeeldingen gemaakt worden van mensen of dieren. En ook in de islam is dit gebod buitengewoon invloedrijk tot op de dag van vandaag.

Christenen hebben de vraag of men afbeeldingen mag maken van God en van Jezus Christus op een geheel andere wijze beantwoord. In de achtste eeuw werd er een hoog oplopend conflict uitgevochten: het iconoclasme. Sommige theologen sloten zich aan bij het verbod uit Exodus en waren van mening dat de mens in ieder geval geen afbeeldingen van heiligen, van de heilige maagd Maria, van Jezus Christus of van God zou mogen maken. Hun tegenstanders beriepen zich op de incarnatie, de leer dat God in Jezus Christus volledig mens was geworden. Hierdoor, zo meenden zij, was God ook tastbaar geworden in aardse vorm en mocht Hij ook afgebeeld worden. Dit standpunt werd uiteindelijk in 787 bevestigd als de orthodoxe visie en daardoor bleven iconen en beelden toegestaan.

In de Reformatie speelt de kwestie opnieuw. De protestanten stelden zich op het standpunt dat verering van beelden in de kerk gelijk stond aan afgodendienst. Deze protestanten onderbouwden hun visie met het gebod uit Exodus en hernamen de felle polemiek uit het Oude Testament tegen de verering van beelden door de volkeren buiten Israël. Deze polemiek leidde uiteindelijk tot de beruchte beeldenstorm.

De vraag of Gibson deze film wel of niet mocht maken, raakt dus aan discussies die in het christendom al heel lang gevoerd worden: mag je God, mag je Jezus Christus afbeelden of niet? Vanuit de traditie is het antwoord positief, zij het dat protestanten daar veel gereserveerder in zijn dan andere christenen. Zo heeft Gibson de kerkelijke traditie, zeker de rooms-katholieke, aan zijn zijde wanneer hij zich zou beroepen op de incarnatie om zijn film te verdedigen.

Het probleem van deze film is niet dat hij het lijden van Christus in beeld brengt, maar dat hij dat zo eenzijdig doet. ,,Deze mens leefde om te sterven'', aldus een van de theologische oneliners waarmee Gibson communiceert. Blijft de vraag naar Gibsons theologie waarin Christus uitsluitend als De Lijdende wordt gezien. Uit reacties eerder in deze krant valt op te maken dat de film bij niet-christelijke toeschouwers associaties wekt met Mohammed Atta. Het is een smakeloze vergelijking: een gekruisigde mysticus, pacifist bovendien, is echt wat anders dan een zelfmoordterrorist. Toch is de associatie van belang. Wanneer sceptici als Elsbeth Etty en Arnon Grunberg een dergelijk verband leggen, is de film bij hen dus niet overgekomen. Hoe anders was dat bij drie islamitische jongens die ik na afloop sprak. ,,Bidden voor je vijanden, dat kan eigenlijk helemaal niet. En toch doet hij dat.'' Ze vonden het een fantastische film en vroegen me om dat op te schrijven. Deze film maakte voor hen duidelijk dat Jezus niet zo maar iemand was. Juist dan is het jammer dat de verkondiging en het leven van Jezus niet meer in beeld gebracht zijn.

Tenslotte: The Passion is interessant als weerspiegeling van onze culturele situatie. Jesus Christ Superstar schilderde een hippie-Jezus, Life of Brian schudde het christelijke juk af in een parodie en The Last Temptation of Christ gaf een vrije artistieke interpretatie van Jezus als een aards mens. The Passion of the Christ biedt een herwaardering van de gothische Christus die tenonder gaat aan de martelingen die het leven hem bereidt. Een spiegel van onze tijd, zonder twijfel. Vanuit dat oogpunt wel degelijk van belang.

Dr. Bert Jan Lietaert Peerbolte is universitair docent Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit Kampen

Op pagina 19: debat over `The passion of the Christ'