Uit een goed nest

Scholeksters moeten jarenlang in sociale activiteiten investeren om een goeie nestelplek te bemachtigen. De ene groep beheerst dat netwerken, de andere niet. `Hokkers' zijn nu eenmaal daadkrachtiger en actiever dan `wippers'.

Je boft als je uit een goed nest komt. Dat geldt ook voor scholeksters, zo blijkt uit het onderzoek van Leo Bruinzeel, die op 26 maart promoveerde. Volgens de Groningse bioloog zijn scholeksters ongelooflijk conservatief. ``Als ze eenmaal een broedplek veroverd hebben houden ze daar met ongekende hardnekkigheid aan vast. Ze schuiven echt niet zomaar tweehonderd meter op.'' Volwassen scholeksters keren bij voorkeur terug naar de broedplek van hun ouders, net zoals mensen soms terugverlangen naar hun geboortedorp. Bruinzeel: ``Dat lijkt een goede strategie, maar als de voedselomstandigheden intussen verslechteren, zoals op de Oosterkwelder, wordt het een slechte strategie. Onze scholeksters leggen nog steeds 4 eieren, maar brengen gemiddeld nog maar een half kuiken per ouderpaar groot, dramatisch weinig.''

Op de Oosterkwelder, op Schiermonnikoog, loopt al 20 jaar onderzoek naar het kolonieleven van de scholekster. De luidruchtige zwart-witte vogels broeden er in grote groepen met veel onderling gekrakeel op de kwelder, een vlak terrein, doorsneden door tal van kreekjes. Vanuit een schuilhut op palen volgde Leo Bruinzeel op een proefgebied van 1,5 bij 0,4 kilometer zo'n 100 met kleurringen gemerkte broedpaartjes. Bruinzeel: ``Meestal zit je daar zes uur lang. Je leert elk graspolletje kennen. De vogels zijn voortdurend aan het bakkeleien en verdedigen hun territorium voortdurend tegen ongepaarde indringers. Intussen zie je ze druk copuleren, als signaal aan de buitenwacht `In onze relatie zit het wel goed', net zoals sommige mensen lopen te zoenen op straat. Daar komen buitenstaanders niet tussen.''

malse kokkels

Pal aan zee broeden de zogenoemde `hokkers' in een lange rij, soms maar tien meter van elkaar. Zij hebben de malse kokkels, mosselen en andere prooidiertjes voor het oprapen. Hun kuikens rennen rond onder voortdurend toezicht van de oudervogels, die elk versgevangen hapje meteen in de prille snaveltjes proppen. Bij hoogwater zoekt het gezin een droog plekje op de kwelderrand.

Verder landinwaarts broeden de `wippers'. Deze pechvogels wonen een eind van hun voedselgebied. Om hun kuikens te voeren vliegen ze over de nesten van de hokkers heen naar het wad. Zo'n luchtbrug kost veel tijd en energie en intussen zijn hun kuikens onbeschermd op het nest. Wippers brengen drie keer minder kuikens groot dan hokkers. Wippernesten liggen wel 200 meter bij elkaar vandaan.

De hamvraag luidt: hoe word je hokker? Tot nu toe veronderstelden biologen dat het een kwestie van geduld was. Scholeksters kunnen wel 30 jaar oud worden. Sommige Oosterkweldervogels zijn ouder dan de studenten die hen onderzoeken. Hokkers zouden jarenlang met broeden wachten totdat er een goed territorium vrijkomt, en die verloren jaren inhalen door meer kuikens te krijgen. ``Maar dat idee klopt niet'', zegt Leo Bruinzeel. ``Weliswaar beginnen scholeksters op heel wisselende leeftijden met broeden. De een is pas drie, de ander al elf.Maar hokkers zijn gemiddeld 7,7 en wippers 6,8 jaar oud als ze zich vestigen en dat verschil is niet significant.''

Volgens Bruinzeel zijn de hokkers daadkrachtiger en actiever. Vanaf hun vroegste jeugd zijn ze voortdurend in sociale interacties verwikkeld. Zij groeien op in een conflictrijke omgeving, vaak met broertjes en zusjes, ze worden beter gevoed en groeien sneller dan wipperkuikens. Bruinzeel ontdekte dat 23 procent van alle uitgevlogen hokkerkuikens tezijnertijd een eigen plek verovert op Schiermonnikoog, tegenover maar 9 procent van de wipperkuikens. Hokkers kunnen zich zowel in hokker- als in wipperterritoria vestigen. Maar wie in een wippernest geboren is, wordt later nooit een hokker. Alleen de grootste, zwaarste wipperkuikens keren terug op de Oosterkwelder. De kleintjes verdwijnen spoorloos.

Volwassen vogels die nog geen vaste partner en eigen nest hebben worden `floaters' genoemd. Zij landen geregeld in de territoria van hun rivalen. Het broedpaar ziet de floater van verre aankomen en begint dan al luid te alarmeren. Floaters herhalen dit gedrag, een vorm van `sociaal netwerken', jaar in, jaar uit op steeds dezelfde plaatsen. Als ergens een plek vrijkomt door de dood van een broedvogel, is de floater er als de kippen bij om de plek waarop hij al jaren zat te vlassen te veroveren.

In een experiment creëerde Bruinzeel open plekken door vogels weg te vangen. De vrije plek werd altijd ingenomen door vogels die al vaak in die buurt waren ingedrongen, alle buren rondom kenden en daarmee soms ook gevechten aangingen. Bruinzeel: ``Het is voor mij een groot raadsel gebleven waarom een scholekster nou juist díe plek wil bemachtigen. Ik denk dat het vooral te maken heeft met dat ingewikkelde sociale systeem. Je moet je buren grondig kennen, weten of je buurman een lastpak is, waar de grenzen precies lopen enzovoorts, voordat je een stabiele relatie met je buren kunt opbouwen en rustig kunt gaan eten.''

plaatstrouw

Door hun plaatstrouw kunnen scholeksters niet snel inspelen op veranderingen in hun leefgebied, zoals het verdwijnen van hun voedselvoorziening door de kokkelvisserij. Het overheidsbeleid verdeelt de Waddenzee in een mozaïekpatroon van al dan niet door de mechanische schelpdiervisserij beviste gebieden. Honkvaste scholeksters die broeden langs een bevist wad hebben pech gehad. In tien jaar tijd is de stand in de Waddenzee gedaald van 260.000 naar 170.000 broedparen. Bruinzeel: ``De dieren leggen tegenwoordig pas later in het seizoen, ze zijn magerder en in slechtere conditie en we zien veel kuikensterfte.'' Gemiddeld over de afgelopen 20 jaar brachten de hokkers jaarlijks 0,49 kuikens per jaar groot, de wippers 0,14. De afgelopen vijf jaar zijn die cijfers echter bij lange na niet meer gehaald.

Ook in hun partnerkeus zijn scholeksters uiterst conservatief. Slechts 5 procent verandert tijdens zijn leven van partner. Bruinzeel: ``Dat heeft enorme gevolgen voor hun fitness. Een vogel die verkast naar een nieuwe partner op een beter territorium gaat erop vooruit. Maar degene die in de steek is gelaten of eruit wordt geschopt is heel slecht af. Bij stelletjes die een veel slechter territorium hebben dan de buren zie je het soms aankomen. Als een vogel ziek wordt of dood gaat, grijpt de buurvogel zijn kans. Soms hadden vogels een jaar vóór de echtscheiding al een slippertje met de buren, om hun genen alvast in het buurnest te krijgen, alsof ze de scheiding zagen aankomen.''