Troost van een bibberbeest

Een oude man, een weerloos hondje en armoe troef. Hier ligt melodrama op de loer. Maar er is een meester aan het werk. In deel 7 van de serie Italiaanse klassieken Umberto D. van Vittorio de Sica.

Wat is er riskanter voor een film dan een berooide jonge vader met een zoontje aan de hand?

Een berooide ouwe baas met een hondje aan de lijn.

Vittorio de Sica was nergens bang voor. Bouwend op de ideeën van het neorealisme, de naoorlogse filmstroming die zich bekende tot de harde werkelijkheid van 'echte mensen', maakte hij die beide films.

Zijn film over de vader en het zoontje dat die vader ziet stelen heet Fietsendieven (Ladri di biciclette, 1948) en wordt beschouwd als een hoogtepunt in de filmgeschiedenis. Terecht, daar niet van.

Die over de bejaarde en het hondje heet Umberto D. (1952). Hij is veel minder bekend en ik vind hem gewaagder. Een vader en een zoontje in bittere omstandigheden, dat spreekt aan, dat roert, dat speculeert op onze diepste emoties. Kat in 't bakkie. Maar acceptabel drama ontlenen aan een grijze armoedzaaier en zijn bastaard zonder te vervallen in behaagziek sentiment, dat vereist meesterschap.

Vervalst gevoel

Vittorio de Sica was een meester.

Een onschuldig, afhankelijk zoontje, een weerloos hondje en armoe troef. Daar ligt een karrenvracht gemeen vervalst gevoel op de loer. In beide gevallen troffen De Sica en zijn scenarist Cesare Zavattini maatregelen via de rol van een vrouw. Voor Fietsendieven door juist af te zien van wat voor de hand lag: de echtgenote/moeder werd uit het verhaal weggesneden, en daarmee de gelegenheid tot direct betrokken reflectie en troost.

Aan Umberto, zijn hond en zijn minimale pensioentje werd juist een meisje toegevoegd. Ze is de dienstmeid van zijn hospita, een jaar of zestien en zwanger. Ze weet niet van wie, was het nou 'die lange uit Napels' of 'die kleine uit Florence'? Hoe dan ook, van een soldaat in zo'n indrukwekkend uniform. Is ze wanhopig? Ja. Ze strijkt haar schort glad over haar buik: valt er al iets te zien, signor Umberto? Haar ronde gezicht staat in-triest.

Hé!, daar hoort ze iets op de gang. Even kijken. Weg wanhoop. Hihi, de nieuwe 'verloofde' van de padrona, wat een mop, die weet niet dat... Schalks keert ze zich naar Umberto, schudt spottend haar pols naast haar oor en steekt haar vuist op, pink en wijsvinger geheven: cornuto, die sukkel zijn de hoorns opgezet en hij heeft geen idee.

Hoogtepunt zijn de ademstokkende minuten dat we haar zien ontwaken en opstaan. Ogen open. Boven sluipt een kat over het dak. Met haar handen om haar gezicht neuriet ze een kinderliedje. Ze schuifelt naar de keuken. Wast zich door wat water in haar hemd te sprenkelen, sprietst met de kraan over het peloton mieren op de muur. Traag drentelt ze naar voren en van zijn kant zoemt de Sica's camera, die zich discreet achter het raam had teruggetrokken, op haar in om halt te houden bij haar jonge gezicht. Puur verdriet. Zij en wij realiseren ons haar uitzichtloze situatie. Als haar bazin achter haar toestand komt, wordt ze eruit gegooid. Blinde paniek slaat toe. Geen weg terug. Vingers wrijven in ogen. Ze gaat zitten, plant de koffiemolen tussen haar benen. Zakt onderuit om zonder op te staan met een grote teen aan een kleine voet de deur dicht te duwen. De tranensporen drogen op. Ze is sterk. Ze ziet wel. Zij is de kat die zijn weg wel vindt, de aftandse kamerbewoner tegenover de keuken is als een hond afhankelijk van zorg.

Krachteloos gespartel

Parallel aan haar gloed en met haar levenslust als bodem heeft De Sica zijn handen vrij om Umberto's krachteloze gespartel in een vergelijkbare situatie (binnenkort staat ook hij op straat, wegens huurschuld) uit te diepen, en stroperig wordt het niet.

Wanhopig de schijn van respectabiliteit ophoudend zakt de ouwe verder en verder weg, hij doet zelfs een poging tot bedelarij. Het decor van zijn ellende vormen de oermonumenten van Rome. Het Pantheon, de pilaar met het marmeren olifantje en zijn gekrulde slurf, De Sica's shots vlijen ze sierlijk langs de oude man, voor een beetje steun.

De hospita, een peroxide-blonde matrone, bourgeois losbandig en ijskoud, is in afwachting van zijn vertrek zijn kamer alvast gaan renoveren. Het behang hangt in vellen van de muren, bouwstof ligt op zijn bed.

In de gaarkeuken, in het armenziekenhuis, op straat geven de bedelaars, klaplopers en sjacheraars hem goeie raad. Vergeefs. Dat wordt het armenhuis, na dertig jaar als ambtenaar bij het ministerie van Publieke Werken. De schande. En: wat moet er worden van zijn hond?

De Sica's kracht is dat hij van Umberto geen lieve, unfair behandelde opa maakte om wie we hete tranen kunnen storten. De man is leep, geniepig zelfs. Meermalen schemert even de ambtenaar door die hij is geweest. Een wichtigmacher, een formalist. Serviel, maar onverhoeds autoritair voor ondergeschikten. Je kunt het ook aardiger formuleren: dit is een man die eenzaam in het leven stond, met zijn werkkring als enige bron van sociaal contact. Nu weten de ex-collega's die hij tegen het lijf loopt niet hoe snel ze van hem af moet komen. De Sica rekt die ongemakkelijke gesprekjes wreed en filmt ze van een laag standpunt: je ziet deze mannen letterlijk rugdekking zoeken, terwijl hun hoofd beleefd knikkend uit het kader verdwijnt.

En toch is Umberto onweerstaanbaar. Verstoken van de intimiteit van een gezin, legde hij zijn hart bij zijn hondje, een miezerig bibberbeest en De Sica profiteert voor honderd procent van de vertedering die dat oproept. Umberto is een vader voor het dier, een moeder, een broer, alles, en die liefde is wederkerig. Nadrukkelijk volgt de camera hoe vol vertrouwen het hondje op het voeteneind van zijn baas slaapt. Hoe lief legt hij even een poot op de dij van zijn baas, hoe aandoenlijk kruipt hij weg achter zijn broekspijp.

De Sica hanteert voor de liefde tussen de man en zijn hond een melodramatische stijl die het gevoel onder hoge druk zet. Maar hij houdt het bij een detail; of hij maakt er een grap bij: Umberto gooit in de ziekenzaal opgetogen een raam open om zijn hond te begroeten die beneden moest blijven en alles in de zaal waait op en weg. Of het drama krijgt de kans niet. In de zwaar aangezette episode dat het dier wordt gered van de gaskamer in het asiel, klemt zijn baas het in zijn armen. O, waar was je nou, o, ik hou zo van je en voordat we kunnen huilen is het beeld al verdampt.

Niet zeuren

Ach, dat hondje. Zijn kop is zwart, maar soms heeft hij ineens een witte snuit. Net als zijn tijdgenoten zag De Sica een film als een afspraak tussen cineast en publiek: we spelen hetzelfde spel, dus een hond is een hond. En we gaan niet zeuren wanneer lippen niet synchroon bewegen met het gesproken woord. Als je muziek hoort, denk je toch ook niet dat er in een steegje een orkest verborgen zit? (Over muziek gesproken, de meeslepende muziek bij Umberto D. is van Alessandro Cicognini en geeft aan dat de stijl van Fellini-componist Nino Rota niet uit de lucht is komen vallen).

We moeten reëel zijn: die ouwe man gaat ten onder en voor dat beest is er ook geen hoop. En toch schiep Vittorio De Sica een happy end. Na verraad en een bijna-ramp loopt het hondje weg. Niets wil hij meer weten van zijn baas (voor de goed ingevoerde verstaander: hier klinkt opnieuw een echo van Fietsendieven). Het lukt Umberto om het goed te maken, hij gooit een dennenappel en verleidt de hond om mee te spelen. 'Ren, ren!', roept hij. Samen hollen ze het beeld uit. Ze zijn gelukkig, nu.

Eén moment van geluk is gelijk aan de staat van geluk. Wie dat beseft, wint.

Volgende maand: 'Nella cittá l'inferno' van Renato Castellani

Joyce Roodnat is chef kunst van NRC Handelsblad.