Pleisterplaats op de poesta

Wie wil weten wat Midden-Europa is, moet naar herberg De Blinde Muis op de Hongaarse poesta. Hier trekt iedereen voorbij: Serviërs met oud roest, Slowaken op weg naar Besançon, Poolse seizoenarbeiders uit Duitsland, platzakke Moldaviërs op weg naar moeder de vrouw in Chisinau. Een hoofdstuk uit het nieuwe boek van Renée Postma.

De Blinde Muis ligt in een bocht van de weg, in het hart van Midden-Europa. Een scheefgezakte oude herberg die zijn naam dankt aan een ver verleden dat niemand meer kent. Het is ook helemaal niet de echte naam van de herberg. Hij wordt alleen zo genoemd. Sinds mensenheugenis. In werkelijkheid heet de herberg Kiss Csárda, naar de huidige eigenaar Sándor Kiss.

De herberg ligt op de weg van het Hongaarse Kecskemét naar Kiskunfélegyháza. Of als je verder kijkt van Boedapest naar Szeged, of van Wenen naar Belgrado. Voor sommigen is het zelfs de weg van München naar Chisinau dat helemaal in Moldavië ligt. Vroeger kwam er een postkoets voorbij. In de stal naast de herberg stonden altijd verse paarden klaar. Nu staat er 'gummi szerviz' op de muur gekalkt en kun je er banden wisselen.

Op de arme zandgrond rond de Kiss Csárda, de herberg van meneer Kiss, is weinig te halen. Zelfs met de beste mest brengt de grond maar een derde op van wat de rijke kleigrond langs de rivieren biedt. Het is hartje poesta, een woord dat de Hongaren van de Slaven leenden om 'leeg' land te beschrijven. De boerderijtjes staan her en der verspreid in het dorre landschap. Kleine, witte, lemen huisjes met een schuur, een moestuin, een streepje graan en wat vee.

Er kan niet veel veranderd zijn sinds de Kumanen zich hier vestigden in de loop van de 13de eeuw. Zij waren één van vele Turkse nomadenvolken die rond het jaar 1000 door het gebied trokken. De Hongaren, ook afkomstig uit verre oostelijke streken, waren net begonnen zich te vestigen en hadden het voortdurend met de Kumaanse strijders aan de stok.

Die vechtlust van de Kumanen kwam de Hongaren later goed van pas. Steeds meer vorsten begonnen elkaar het gebied in Midden-Europa te betwisten. De Jagiello's uit Polen, de Boheemse Premysliden, de Anjou's en diverse Duitse vorsten, allemaal maakten ze aanspraak op het kruispunt van Europa. De Hongaren raakten in de knel. Ze waren boer geworden en hadden de vechttechnieken van een nomadenvolk verleerd. De Hongaarse koning Béla iv begreep dat en huwde listig zijn zoon uit aan de Kumaanse Elisabeth.

Kumaanse krijgers verdedigden daarop de Hongaarse kroon en kregen rechten om zich in de poesta te vestigen. Daarna zijn ze opgegaan in het Hongaarse volk. De herbergier Sándor Kiss zou een nakomeling kunnen zijn van het oude geuzenvolk met zijn pikzwarte haar, zijn diepbruine ogen en zijn ronde gezicht. Hij wekt in ieder geval graag de indruk. Meestal draagt hij een Turks vest op zijn zwarte spijkerbroek. Soms bedient hij in de traditionele dracht van de streek: een witachtig, breed vallend poestagewaad dat het midden houdt tussen een broek en een rok.

Volgens het bordje áchter de bar is de herberg een restaurant van de vierde categorie. Een bordje vóór de bar houdt het op de derde categorie. In de keuken bakt en braadt een jonge, dikke kokkin. In grote pannen pruttelen goelasj en het stoofvlees dat de Hongaren pörkölt noemen. De bezoekers van de Kiss Csárda willen het liefst gestoofd of gepaneerd vlees. En graag een beetje snel, want ze hebben allemaal nog een lange reis voor de boeg.

'Pofta buna, Moldavanie'. Een tamelijk fors uitgevallen Moldaviër zwaait de deur open en wenst zijn aanwezige landgenoten smakelijk eten. Minstens drie groepjes Moldaviërs zitten haastig soep te lepelen uit rood geëmailleerde keteltjes. Het handelsmerk van de Hongaarse traditionele keuken. Slurpend wordt de soep naar binnen gewerkt. Afwisselend nemen ze happen zacht wit brood en gloeiend hete groene paprika.

Worstelaar

De laatste binnenkomer heeft iets van een worstelaar. Ook zijn maats tonen overmatige spierpartijen onder de trainingspakken. Ze kiezen een tafel in de bijkamer en laten de soep komen. De paprika doet zijn werk. Binnen een paar minuten druipt het zweet van hun gezichten. Even later verspreidt zich een doordringende geur die aan Rusland doet denken. Aan wodka en zwart brood. Ik kijk op. De worstelaars maken inderdaad een fles wodka soldaat van een totaal onbekend merk dat ze kennelijk zelf hebben meegenomen. Ze slaan hun glaasjes in Russisch tempo achterover.

Arcadie, Vania en Slava, drie andere Moldaviërs, houden het een paar tafeltjes verder op een fles Fanta. Ze willen fris blijven. Gisteravond zijn ze met hun oude Mercedes-bestelbus uit München vertrokken, morgenmiddag hopen ze thuis te zijn bij hun familie in Chisinau. Ze snakken naar de huiselijke warmte. Westerlingen vinden ze maar koude kikkers.

Vania, een mooie man van midden dertig, heeft het even helemaal gehad met het Westen. Gisteravond moest hij zijn papieren laten zien op het station van München. Eerst zeiden ze dat alles in orde was. Dat was volgens Vania ook zo. Uit zijn binnenzak haalt hij een paspoort waarin een keurig visum voor Portugal staat. 'Daar heb ik 2.500 euro voor betaald om in Portugal in de bouw te kunnen werken.'

Vania verkeerde in de veronderstelling dat het Portugese visum ook goed was voor Duitsland. Allemaal Schengengebied immers. Maar daar bleek de Duitse politie anders over te denken. Hij laat een papier zien waarop staat dat hij 'illegaal' in Duitsland was en daarom 150 euro boete moest betalen. Honderdvijftig euro! Vania is er nog ziek van. Waar hij vandaan komt, zijn dat vijf maandsalarissen en hij had zich al diep in de schulden moeten steken om een visum te kunnen kopen. Maar ja, hij kon niet anders. Betaalde hij niet, dan moest hij de gevangenis in. En hij wilde zo graag naar huis. Naar zijn vrouw en kinderen in Chisinau.

'Koud zijn ze daar in het Westen, ijskoud', mompelt hij. Het bouwavontuur in Portugal heeft ook al niks opgeleverd. Hij heeft nog een paar maanden salaris tegoed van zijn Portugese baas. De peperdure reis naar het Westen is een fiasco geworden. De Portugees heeft zich failliet laten verklaren en zegt geen rooie meer cent te hebben. Pech gehad.

Slava en Arcadie proberen hun makker op te beuren.

Morgenavond zijn ze allemaal weer fijn thuis! De drie Moldaviërs hebben een universitaire opleiding achter de rug en zouden het liefst gewoon in Moldavië blijven. Maar met banen die hooguit 30 euro in de maand opbrengen kun je geen gezin onderhouden. Slava: 'In de winter zijn we alleen al aan stookkosten honderd euro in de maand kwijt. We moeten wel de weg op om ons gezin warm te houden.'

Ze handelen in tweedehands auto's en auto-onderdelen en rijden een paar keer per maand op en neer tussen het arme Oosten en het rijke Westen. Arcadie gaat het vaakst op pad. Hij heeft naast een Moldavisch ook een Roemeens paspoort en dat scheelt één visum en een hoop gedoe. Want een martelgang is het wel van Chisinau naar de schroothopen van Duitsland waar ze hun spullen halen.

Dure visa op de heenweg en corrupte douaniers en politie op de terugweg. Het feest begint bij Hongarije waar de douane knap lastig kan zijn als je ze niet snel 30 euro in de hand stopt, vertellen ze. 'En dat vinden ze dan nog weinig', zegt Slava verontwaardigd. Na de Hongaarse douane volgen de Hongaarse politieagenten, de Roemeense douane, de Roemeense agenten en ten slotte de Moldavische douane en politie. 'Soms kost zo'n trip meer dan hij oplevert', grijnst Arcadie.

Maar dat weerhoudt ze er niet van om een paar dagen later weer op pad te gaan. Ze laten zich niet kisten. Ze zijn gewend voor zichzelf te zorgen. Met gsm's houden ze contact op de onzekere weg van en naar Duitsland. Een paar jaar geleden werden ze in Roemenië wel eens aangehouden door moderne struikrovers. 'Maar die kom je nu alleen nog maar in het oosten van Polen en in de Oekraïne tegen', weet Slava.

En als hun auto het begeeft, wat regelmatig voorkomt, dan repareren ze die natuurlijk zelf. 'We sleutelen net zo lang tot hij het weer doet. Als we tenminste de kans krijgen.' Hij doelt op de Duitse Autobahn. De auto mag overal kapotgaan. Da's geen probleem voor een beetje man, lachen ze stoer. 'Maar niet op de Autobahn, want dan komt er onmiddellijk een sleepauto van de adac en mag jij mooi betalen.'

Na het eten gaan ze er weer haastig vandoor. Arcadie geeft zijn adres. 'Als je ooit in Moldavië komt, moet je beslist langskomen. Wij zullen je met open armen ontvangen.' Volgens Slava is de Moldavische cognac nog altijd van puike kwaliteit. Arcadie maakt de achterdeur van de bestelbus open. 'Kijk, dit vervoeren we nu.' Ik staar in een industriële afvalhoop: dikke rubberen slangen, versleten autobanden, roestige staven en andere motoronderdelen. Slava pakt een brok metaal. 'Dit is een versnellingsbak van een oude vw-bus. Die gaan we gewoon weer gebruiken.' Tussengebied

Midden-Europa is een tussengebied, de naam zegt het al, tussen West-Europa en Oost-Europa. Er zijn veel geleerde boeken geschreven over de vraag wat Midden-Europa precies is en waar het ligt. Op de grens van de katholieke wereld en de orthodoxe wereld? Zover als de Verlichting gekomen is? Op het grondgebied van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie? Geen enkele plaatsbepaling past echt en de naam is ook al een probleem. Midden-Europa klinkt naar 'Mitteleuropa' en dat klinkt verdacht. De term riekt naar Duitse plannen uit het begin van de Eerste Wereldoorlog om Duitsland samen te voegen met de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie in één grote Duitstalige Midden-Europese ruimte. Met één bestuur, één leger en één economie. De gedachte kwam van de ongelukkige Duitse liberaal Friedrich Naumann die geen andere oplossing zag voor het sociaal en etnisch exploderende Midden-Europa van 1914.

In de jaren '30 begon het 'Mitteleuropa' van Naumann een tweede leven als nazi-propaganda. De ongelukkige bedenker van de term, Naumann, was al in 1919 overleden.

'Mitteleuropa' roept associaties op met Duitse overheersing zoals 'Oostblok' de Russische bezetting in herinnering brengt en beelden oproept van de Berlijnse Muur, wachttorens en prikkeldraad. Dissidente intellectuelen kwamen in de jaren '80 met de term 'Centraal-Europa'. Ze benadrukten dat ze Europeanen waren en protesteerden dat hun deel van Europa was 'gekidnapt' door de Sovjet-Unie. De term van de Tsjech Václav Havel en andere Midden-Europese dissidenten heeft de val van het communisme ruimschoots overleefd, want in de internationale politiek wordt het midden van Europa nu steevast 'Central Europe' genoemd.

Het Midden-Europa van de Blinde Muis is geen politiek begrip. Er zijn geen vaste grenzen. Het is geen afbakening van landen die wel of niet bij de Europese Unie komen. Of die wel of geen navo-lid zijn.

Het Midden-Europa van de Blinde Muis is een wereld van mensen die bepaald worden door eenzelfde lot. Ze bewegen zich in een ruimte tussen de chaos van het Oosten en de orde van het Westen volgens een bepaalde, eigen dynamiek. Daarin weegt het verleden heel zwaar. Sociale, etnische en nationale tegenstellingen keren honderd keer terug. Het grote geweld ligt altijd op de loer. Dat weet iedereen in Midden-Europa, een bonte verzameling volkeren ingeklemd tussen twee werelden. Vroeger waren het rijken: het Duitse rijk en het Habsburgse rijk aan de ene kant en het Russische rijk en Turkse rijk aan de andere. Later werden het blokken: het vrije Westen tegenover het communistische Oostblok.

Nu is er de wereld van de Europese Unie met zijn vrije verkeer van personen en goederen en zijn Schengen-grens, die bepaalt wat daarbuiten ligt. Een deel van Midden-Europa zit straks aan de 'goede' kant. Tsjechië, Slowakije, Polen, Hongarije en Slovenië zijn 'binnen'. Een Poolse diplomate stuurde me op de avond van het Poolse referendum over de toetreding in juni 2003 een juichend sms'je: 'We zitten erin!' Polen had niet alleen Brussel maar ook de eigen burgers overtuigd dat de toekomst in Europa ligt.

De rest blijft voorlopig buiten staan. Politici in Brussel, Boekarest en Sofia doen hun best om de moed erin te houden, maar de uitslag is lang niet zeker. Er is een streefdatum, meer is het niet. Als ze aan de voorwaarden voldoen, mogen Roemenië en Bulgarije in 2007 toetreden. De andere landen van het voormalige Joegoslavië hebben na de verscheurende oorlogen van de jaren '90 nog een langere weg te gaan.

Het is het lot van Midden-Europa dat de scheidslijnen voortdurend bewegen. Als je begin vorige eeuw in Moekatsjevo, nu Oekraïne, geboren bent en je bent er blijven wonen, dan ziet je curriculum vitae er ongeveer zo uit: kleuterschool in Hongarije, lagere school in Tsjechoslowakije, Tweede Wereldoorlog in Slowakije, middelbare leeftijd in de Sovjet-Unie en pensioen in Oekraïne. En daar heb je geen voet voor buiten de stad hoeven zetten.

De reet van de premier

Terug naar de Blinde Muis. Voor de deur staat een bus te wachten met een Roemeens nummerbord. De twee vrouwen die binnen een bord eten wegwerken, zijn Hongaars maar ze wonen in Roemenië. 'Als je niet likt, dan moet je maar vliegen, zeggen ze bij ons', besluit de vrouw die Mária blijkt te heten in onvervalste Midden-Europese beeldspraak. Ze wil nog wel meer vertellen, maar Teréz trekt aan haar mouw dat ze mee moet komen. Zoltán, de chauffeur, heeft zijn bord leeg en de weg naar Kezdivásárhely is nog lang. Nog bijna 500 kilometer moeizaam manoeuvreren over tweebaanswegen tussen houten karren getrokken door merries met een huppelend veulen langszij, zoevende Mercedessen met ramen van rookglas en alles wat daar tussen zit.

De dames uit het oude Hongaarse Szeklerland aan de rand van Transsylvanië nemen geen blad voor de mond. Het 'likken' slaat op de 'reet' van de Roemeense minister-president Adrian Nastase. Een zeer onbetrouwbaar sujet, weten ze, uitsluitend geïnteresseerd in de eigen macht. Een ouwe communist, nou dan weet je het wel. De 'likker' is Béla Marko, voorzitter van de Democratische Alliantie van Hongaren in Roemenië. Een etnische Hongaar die de belangen van Mária en Teréz zou moeten vertegenwoordigen. Hij komt zelfs uit dezelfde stad. Maar dat zegt niets zodra er macht in het spel is, weten ze uit ervaring. Want wat doet Markó? Hij is in de reet van de Roemenen gekropen en doet niks voor zijn eigen mensen, weten ze. Hún man is László Tökés, de onbuigzame, nationalistische Hongaarse bisschop, daar heb je tenminste wat aan. Die laat zich niet door de onbetrouwbare Roemenen in de luren leggen.

De bus naar Boedapest rijdt tweemaal per week op en neer. Mária heeft een paar weken vloeren geboend in de Hongaarse hoofdstad. Er reizen heel wat werksters op en neer. Midden-Europa kent zijn eigen arbeidsmigratie. Teréz is met haar zoon in Boedapest naar de dokter geweest. De jongen heeft al jaren last van zijn rug. In Roemenië is ze bij wel tien artsen geweest, elke keer met een vette envelop voor meneer of mevrouw de dokter.

Anders kwam ze niet eens de wachtkamer in. 'Weet je wel wat dat allemaal gekost heeft?' Ze heeft haar hinkende zoon het hele land door gesleept. 'Tien verschillende artsen en tien verschillende meningen. Er was zelfs iemand die zei dat het misschien wel kanker was.'

Zeven jaar geleden is ze met het kind, inmiddels een flinke puber die vermoeid aan een flesje cola lurkt, op de bus naar Boedapest gestapt. Daar waren de Hongaarse artsen het snel eens. De jongen had een aangeboren afwijking in zijn heup. Hij werd onmiddellijk geopereerd. Eens per jaar moet hij voor controle naar de Hongaarse hoofdstad. Ook dit keer was de dokter weer heel tevreden. En het kost Teréz geen cent. Zeven jaar geleden al bracht het ziekenhuis in Boedapest haar in contact met een hulporganisatie die etnische Hongaren uit de buurlanden opvangt. De jongen wordt gratis behandeld.

Slobodan de Serviër

Op de parkeerplaats voor de herberg maakt Slobodan de Serviër aanstalten om weer te vertrekken. Hij is blij dat hij even een praatje kan maken, voordat hij weer op pad gaat. Alleen is maar alleen en de rit van Wenen naar Kragujevac in Servië is best lang. Slobodan is al wat ouder, heeft een kogelrond buikje en hij praat amechtig. Zijn mosgroene, minstens dertig jaar oude Mercedes met Weense nummerplaat is tot op de laatste millimeter volgestouwd met tweedehands bouwmaterialen. Hij blijkt een vaste klant te zijn. Kiss, de herbergier, even later: 'Oh, die komt hier een paar keer per maand. Die spullen haalt hij bij de sloop in Wenen en hij brengt ze naar Kragujevac. Je zou het niet zeggen, maar hij verdient daar goed geld mee, want hij komt elke keer terug met een duurdere auto en een mooiere vriendin.'

Slobodan heeft zijn eigen gat in de markt gevonden. De fabrieken van Kragujevac waar auto's en wapens werden gemaakt, zijn in 1999 door de vliegtuigen van de navo in puin gelegd. De stoere arbeiders zitten al jaren thuis hun vrouwen gek te maken. De werkgelegenheid is nooit meer geworden wat die was. Er is alleen werk voor scharrelaars, smokkelaars en klusjesmannen. Slobodan zorgt dat ze aan hun door Oostenrijkers afgedankte keukenblokken komen. Hij redt zich wel en kan zich zelfs wel eens een van de hoertjes veroorloven die langs de weg op klanten staan te wachten.

Andrea is een vast hoertje op het traject, ze maakt een korte pitstop in de Blinde Muis. Eerst even opfrissen op de wc. Daarna snel een hapje. Haar grijs-blauwe ogen staan geen moment stil. Schichtig reageert ze op ieder geluid, iedere stap, iedere schaduw die binnenkomt. Zodra ze een klant vermoedt, probeert ze contact te leggen. Ze gunt zichzelf nauwelijks de tijd om de zure vleessoep naar binnen te lepelen. Als de klanten het even af laten weten, begint ze te vertellen. Dat ze uit de buurt komt, dat ze tot een jaar geleden in de confectie werkte, dat ze drie kinderen heeft die elke dag braaf naar school gaan.

Ze heeft een groezelig lichtblauw jasje aan. Haar ogen zijn zwaar opgemaakt in dezelfde onbestendige blauwe kleur. Haar halflange haar is fel rood geverfd. Andrea zegt dat ze 25 is. Het zal niet veel schelen. Ze maakt de indruk aan de drugs te zijn. Ze vertelt dat ze zelfstandig is en zonder pooier werkt en dat ze zich tweemaal per maand laat nazien door een arts. Het klinkt onwaarschijnlijk.

De hoertjes langs de doorgaande weg zijn van de laagste categorie, net als de herberg. Zij staan zomer en winter, bij nacht en ontij in de buurt van zanderige zijweggetjes en bosachtige stukjes met hun armen te zwaaien. In de hoop dat een eenzame vrachtwagenchauffeur of een haastige zakenman even zijn wagen aan de kant zet. Sanitaire voorzieningen zijn er niet. De hoertjes bereiden zich met een papieren zakdoekje voor op de volgende klant.

Andrea hoest. Als ze haar lepel pakt, zie ik dat haar handen onder de wratten zitten en vreemde witte plekken vertonen. Snel trekt ze haar mouw over de gehavende handen.

'Nou, dat was het dan', lacht ze als ze de soep half op heeft. 'Het werk roept!' Gejaagd loopt ze naar buiten. Even later zie ik haar wild zwaaiend aan de horizon. Een fladderend lichtblauw vogeltje met een vuurrode tas aan de schouder. Een Turkse vrachtauto mindert vaart in de bocht. Hij lijkt te willen stoppen, maar de personenauto die er vlak achter zit geeft woeste lichtsignalen en dwingt de vrachtwagen door te rijden. Weer een kans verkeken. Andrea stapt driftig door. Tussen de bosjes zit haar pooier onderuitgezakt in zijn auto rustig op zijn winst te wachten.

Gratis bordje soep

Sándor Kiss zal niemand de deur wijzen. Iedereen is welkom, hij accepteert alle muntsoorten die de bezoekers in hun portemonnee hebben en als iemand per ongeluk platzak is, krijgt hij een gratis bordje soep toegeschoven. Kiss is zijn eigen man en dat wil hij graag zo houden. In de politiek heeft hij geen vertrouwen en in de bemoeizuchtige Europese Unie al helemaal niet. Hij is ook niet gaan stemmen toen de Hongaren hun referendum hielden over toetreding tot de eu. 'Het was duidelijk dat het ja zou worden. Daar hadden ze mij niet voor nodig.' Van de eu verwacht hij weinig goeds. 'Ik heb eens gekeken wat dat voor mij betekent. Nou, daar word je niet vrolijk van. Alles moet anders. De keuken, de afvoer, de wc's. Alles. Dat kunnen we nooit betalen.'

Kiss voorziet dat hij straks geen soep meer mag trekken van echte botten, dat hij niet zomaar meer een eitje mag bakken als de klant daar om vraagt en dat het afval niet meer naar de varkens kan. De controleurs van de eu zullen hem in de gaten houden, zoals vroeger de geheim agenten van het communisme. En dat het boetes zal regenen staat voor hem vast. De herbergier is namelijk niet van plan zich aan alle voorschriften te houden. Somber haalt hij een natte dweil door de wc's die direct aan de eetruimte grenzen. Van de dames-wc gaat het via het restaurant naar de heren-wc. Daarna spoelt hij de dweil uit. Zo, dat is ook weer fris!

Intussen rent Csilla af en aan met volle borden en rekeningen. Ze had zich een heel ander leven voorgesteld toen ze zich indertijd aan haar 'voetballer' overgaf. Een leuke jongen, plaatselijke ster. Professional zelfs. Dat wil zeggen, onder het communisme waren er natuurlijk geen kapitalistische professionals. Het waren beroepssporters in staatsdienst. Maar dat maakte ze niet minder aantrekkelijk voor de plaatselijke meisjes.

Ze moeten een knap stel geweest zijn. Csilla ziet er vijftien jaar later nog steeds leuk uit met haar halflange blonde haar en haar donkere ogen. Maar wel een beetje moe. De voetballer heeft ze uiteindelijk het huis uitgewerkt en dat was nog helemaal niet zo makkelijk. Alles heeft hij kapotgemaakt, alles verkocht. Er was gewoon helemaal niets meer over. Zelfs het hout van de raamkozijnen heeft hij verpatst. Drank? Nee, dat was het niet. Hij is gewoon asociaal en houdt totaal geen rekening met anderen. 'Hij kan wel goed voetballen, maar hij kan niet in een team spelen', is haar conclusie. Nu is hij weg. Voorgoed weg, hoopt ze. De twee meisjes die uit het ongelukkige huwelijk zijn geboren voedt ze in haar eentje op.

Als het even stil is in de Blinde Muis, komt Csilla aan tafel zitten en steekt ze een sigaret op. Achter haar rug is in de keuken een berg vuil vaatwerk zichtbaar. Maar Csilla heeft even geen zin. Ze maakt in de Blinde Muis dagen van minstens 12, maar meestal 14 uur. Soms komen er hele bussen tegelijk binnen. De buschauffeurs bellen meestal al vanaf de grens dat ze eraan komen. In de keuken staat altijd een enorme pan met bonensoep te pruttelen. Nu eens gaat er een reepje bleek buikspek bij, dan weer een restje aardappelen of een handje bonen. Iedereen kan er voor een paar euro eten. De chauffeur mag in ruil voor de klandizie gratis eten wat hij wil. Hij heeft meestal een dikke buik.

Csilla daarentegen is broodmager. Ze rent de hele dag heen en weer. Alles moet snel. Zodra de klanten zitten, krijgen ze een kaart onder de neus. Een paar minuten later staan de dampende borden op tafel. Zodra ze aanstalten maken om te vertrekken, staat Csilla klaar met de rekening en een dikke zwarte portemonnee waarin de meest uiteenlopende muntsoorten verdwijnen. Nog voordat ze de deur uit zijn staat de vuile vaat in de keuken en slaat Csilla met een servet de kruimels van tafel.

Ze trekt diep aan haar sigaret. 'Eigenlijk ben ik lerares', begint ze. 'Rekenlerares.' Jarenlang heeft ze geprobeerd de kinderen van het nabijgelegen Kiskunfélegyháza de beginselen van het abstracte denken bij te brengen. Maar ze heeft het op moeten geven. In het onderwijs valt in Hongarije geen droog brood te verdienen. Zeker niet voor een alleenstaande moeder met twee kinderen.

Zelfs niet met de wonderbaarlijke Japanse rekenmethode Soroban. Het klinkt als een toverformule, maar volgens Csilla heeft het met hocus-pocus niets te maken. 'Het werkt met een telraam dat verticaal georganiseerd is in plaats van horizontaal', legt ze uit. 'Kinderen die moeite hebben met rekenen, kunnen in één oogopslag het resultaat van een som zien. Zien én begrijpen. Tot een miljoen toe.'

Een volstrekt logische methode, bij uitstek geschikt voor kinderen met 'dyscalculie', zeg maar leesblindheid met cijfers. Ze aarzelde dan ook niet toen ze hoorde dat ze Soroban-vertegenwoordiger kon worden op de Hongaarse poesta. Maar de dorpsschooltjes in de buurt wilden helemaal geen nieuwe rekenmethodes. Waarom zouden ze. Alsof één en één ineens geen twee meer was. Als een kind rekenproblemen heeft, moet hij gewoon beter zijn best doen, vonden de ouders, of op het land gaan werken. Csilla's ondernemerschap was van korte duur. Ze was meer tijd kwijt met het invullen van alle belastingrompslomp dan met het onderwijs zelf. Drie jaar geleden meldde ze zich bij de Blinde Muis.

Dacia-karavaan

Als de deur opengaat, dooft ze haar sigaret. 'Daar heb je de Dacia-karavaan', mompelt ze en gaat weer aan het werk. Aan de eerste tafel bij de deur neemt een gezelschap jonge zigeuners plaats. De vrouwen zijn nog geen twintig. De mannen misschien een paar jaar ouder. Broers en neven die met hun vrouwen op en neer pendelen tussen Oradea, vlak over de Roemeense grens en Besançon in Frankrijk. Waarom Besançon? Ze hebben er contacten. Soms is er werk en ze kunnen er slapen in een verlaten huis ergens op het land. Geen water, geen licht, maar wel een dak boven hun hoofd.

De kleinste zigeuner blijkt de oudste. Hij doet het woord. 'Als er werk is, kunnen we 25 euro per dag verdienen, maar het gaat de laatste tijd niet goed. Je mag blij zijn als je op zeven dagen twee dagen werk hebt.' Hij vertelt dat hij dertig is en vader van zes kinderen. Het hele gezelschap is onderweg naar huis, omdat één van de vrouwen op alle dagen loopt. Kinderen krijgen doe je thuis bij je moeder in de familiekring, en niet in een vochtige ruïne in de Franse Alpen.

Werk, handel en geboortes bepalen het ritme waarmee de clan zich over het Europese continent beweegt. Ze rijden in roestige auto's, meestal Dacia's, de Roemeense versie van de Renault Zes, het product van een schimmige deal die dictator Ceausescu in de jaren '80, wist te sluiten met de Franse overheid. Grenzen zijn lastig maar niet onoverkomelijk. Als je maar zorgt dat je een uitnodiging kunt laten zien van iemand in het Westen. Of 250 euro baar geld, het minimum om over de Schengen-grens te mogen.

Terwijl het eerste gezelschap zigeuners zijn soep lepelt, komt er een tweede groep binnen. Ze komen ook uit Frankrijk, maar zijn duidelijk rijker. De mannen dragen Lacoste-shirtjes, de vrouwen kleurige rokken. Een van de jongens ziet eruit als een Italiaanse gigolo en doet onmiddellijk een bod op mijn auto. 'Mi piace, mi piace', roept hij als een man van de wereld.

De rijkere zigeuners gaan naar Roemenië en Kroatië. Voor familiebezoek en vakantie. Ze eten hun soep maar half op en brengen de rest naar een lange magere man met een zwakzinnige blik in de ogen die een tafeltje verder zit. 'Hij heeft altijd honger', glimlachen ze en laten voor zichzelf nog een flink bord vlees komen bij wijze van tweede gang. De magere man werkt gelukzalig het ene bord soep na het andere naar binnen. Tot hij in zijn gretig enthousiasme per ongeluk een heel bord hete soep in zijn kruis kiepert. De Blinde Muis buldert van de lach. De magere man lacht mee en trekt ter plekke zijn hemd uit. Met een glimmend bruin bovenlijf en een broek vol vlekken maakt hij grijnzend zijn werk af en eet alle restjes op. De rijkere zigeuners vragen om de rekening. In euro's. Als Csilla alles bij elkaar heeft opgeteld, leggen ze een berg muntjes op tafel.

Renée Postma was van 1994 tot 2003 correspondent in Boedapest, eerst voor de Wereldomroep, de laatste vijf jaar voor NRC Handelsblad. Deze maand verschijnt bij uitgeverij Prometheus haar boek 'MiddenEuropa achter de schermen. Van Habsburg naar Wenen'.

Roel Visser is fotograaf.