Op leven en dood

Verzekeraars strijden op leven en dood met hun verzekerden. Zo ontvangt de begunstigde van een overlijdensrisicopolis een uitkering van de verzekeraar wanneer de verzekerde overlijdt. Als er lange tijd achtereen meer verzekerden overlijden dan de verzekeraars verwachten, lopen zij een hoger (kort leven) risico, omdat hun premies te laag zijn berekend. Daarnaast lopen zij een hoger (langleven) risico als hun verzekerden langer leven dan verwacht. Immers, een uitkering aan de ontvanger van een lijfrente of pensioen stopt zodra het verzekerde lijf overlijdt, maar loopt door zolang deze leeft, eventueel tot haar (mannen haken eerder af) 120ste of langer.

Daarom is het voor de levensverzekeringsbranche zaak om de kans op sterfte voor Nederlanders in de gaten te houden. Daarom onder meer verzamelt het CBS, het Centraal Bureau voor de Statistiek, al jarenlang gegevens over de samenstelling van de bevolking. Met deze registratie gaan de actuarissen van verzekeraars aan de slag om er sterftetafels voor de premieberekening van te maken.

Een actuaris is een wiskundig specialist in de waarschijnlijkheidsrekening. Wie er in slaagt die titel te behalen, is een hele piet, zeggen de mensen die halverwege de opleiding afhaken, eerbiedig en ook jaloers. Anderen vinden het droogkloten die de hele dag met formules in de weer zijn. Daarom zitten de actuarissen op de bovenste verdieping van een kantoorflat in Rotterdam, terwijl de hoofddirectie van die maatschappij een verdieping lager zetelt, wat ongebruikelijk is qua hiërarchie. De redenering hierachter is deze: wanneer een vliegtuig of wat dan ook op het gebouw neerstort, blijven die doodse wiskundigen gewoon doorrekenen, voorkomen zo paniek en houden hun directie uit de wind. Staaltje verzekeringshumor.

De rekenmeesters zijn verenigd in het Actuarieel Genootschap (www.ag-ai.nl). In het maartnummer van hun periodiek schrijft ING-actuaris Eric Tornij over de onverminderde daling van de sterftekansen. Die trend lijkt alleen van belang voor levensverzekeraars, pensioenfondsen en fijnproevers, maar raakt ook de portemonnee van gewone burgers. Wanneer mensen langer leven moeten de verzekeraars van verzekeringen bij leven (kapitalen, lijfrenten en pensioenen) langer en dus meer uitbetalen. Daardoor gaan de premies oomhoog. Komt daar nog bij dat de rente lange tijd achtereen relatief laag blijft (Japanse toestanden), waardoor de belegde reserves minder opbrengen, dan gaan de premies extra omhoog. Of je ontvangt een lagere periodieke uitkering wanneer je met de slotuitkeringen van je lijfrentekapitaalverzekeringen (meestal verplicht) een lijfrente koopt. Mensen hebben weinig begrip voor krimpende uitkeringen, maar het is niet anders, want verzekeraars kunnen hun voortbestaan niet op het spel zetten. Hetgeen er wellicht voor pleit om je lijfrente te beleggen in aandelen.

Waar schrijft Eric Tormij over? Onder meer over de verwachte sterfte in de toekomst. Je kunt als verzekeraar niet alleen terugkijken, maar je moet voor zover mogelijk ook twintig jaar vooruit durven kijken, want een (pensioen)verzekering kan zomaar zestig jaar lopen. Houd je dan geen rekening met een versnelde daling van de sterftekans (dus een verhoging van de levenskans), dan bereken je mogelijk te lage premies. En te hoge premies voor de overlijdensverzekeringen, want dat is de keerzijde.

Dit zijn schattingen. Stel dat er door een ramp of epidemie over een jaar of tien significant veel mensen sterven, dan slaat de weegschaal door naar de andere kant. Die afweging is moeilijk te maken voor actuarissen. Nu is de levensverwachting voor mannen 76,1 jaar en voor vrouwen 80,9 jaar. Rekening houdend met een aanhoudende sterftedaling wordt een nul-jarige van nu respectievelijk 81,5 en 83,1 jaar oud. Hieruit blijkt dat mannen vrouwen inhalen.

Hieruit volgt goed nieuws voor pensioendeelnemers. Wanneer mannen langer leven, verschuift de datum waarop een eventueel verzekerd weduwepensioen (soort overlijdensrisicoverzekering met periodieke uitkering) ingaat naar achteren. Daardoor vermindert het aantal uitkeringen en kan de premie omlaag, terwijl de kosten voor een ouderdomspensioen stijgen. De dalende sterftekansen danken we aan meer welvaart, andere leefgewoonten en betere zorg.