Naar de haaien

Dankzij buitenlandse toneelvoorstellingen pikten generaties scholieren iets op van andere culturen. Daaraan is afgelopen week een einde gekomen.

Afgelopen woensdag 31 maart viel voor de laatste keer het doek voor de theatervoorstelling Dom Juan van Molière gespeeld door het Franse gezelschap La Compagnie du Loup. Daarmee is een einde gekomen aan een halve eeuw buitenlandse toneelvoorstellingen voor scholieren. De Stichting Sitos, die jaarlijks vele Engels-, Frans- en Duitstalige voorstellingen naar Nederland haalde, moet wegens gebrek aan belangstelling de handdoek in de ring gooien.

Op een bovenwoning in Den Haag bevindt zich het kantoor van de stichting. Omgeven door boeken en theaterposters rookt directeur Wouter Strack van Schijndel de ene filtersigaret na de andere, als laatste der Mohikanen. De dramaturgen en vertalers die voor het Sitos werkten zijn verdwenen. Op tafel ligt de tekst met annotaties van de laatste voorstelling. Grijze haaien sieren de kaft, een onbedoelde metafoor voor de onderwijsveranderingen die de kleinschalige toneelvoorstellingen van het Sitos hebben opgeslokt.

Wie de speellijst van het Sitos van de afgelopen decennia bekijkt, stuit vrijwel zeker op een voorstelling die hij of zij zelf nog heeft gezien, samen met de leraar en de klas, nadat op school eerst de tekst gelezen was. Het zijn bekende titels: `Mutter Courage' van Berthold Brecht (1977), `En attendant Godot' van Samuel Beckett (1984), `A clockwork Orange' van Anthony Burgess (1997). Alleen al de afgelopen vijftien jaar bezochten 300.000 leerlingen 900 voorstellingen die in theaters in het hele land werden opgevoerd.

De wortels van het Sitos liggen begin jaren vijftig. Toen werd het Wikor opgericht, een particuliere organisatie (later gesubsidieerd), die matinee-voorstellingen voor scholieren organiseerde met Franse, Duitse en Engelse gezelschappen. Het was als middelbare scholier dat Wouter Strack van Schijndel hiermee zelf voor het eerst in aanraking kwam. In 1977 werd hij de tweede man bij het Wikor. Een paar jaar later moesten alle stichtingen voor kunst en cultuur in het onderwijs fuseren tot één groot geheel. Dat werd het LOKV, het Landelijk Onderwijsinstituut voor Kunstzinnige Vorming. Het LOKV besloot de buitenlandse theatervoorstellingen af te schaffen. En Wouter Strack van Schijndel verdween van het toneel.

Maar niet voor lang. Bouwend op zijn netwerk van docenten richtte hij begin jaren tachtig het Sitos op. Hij blies de samenwerking met The London Academie of Music and Dramatic Arts (Lamna) nieuw leven in. Voor studenten van deze theaterschool was een verblijf in Nederland met tientallen optredens een onderdeel van hun opleiding. Het voordeel voor Strack van Schijndel was dat hij op deze manier goedkoop groot bezette stukken naar Nederland kon halen. Daarbij week hij af van het principe `schooltoneel': ook `gewone' bezoekers waren welkom. Zij namen in de praktijk een kwart van de stoelen voor hun rekening.

Na de Engelstalige voorstellingen volgden al gauw Frans- en Duitstalige stukken. Strack van Schijndel wist na zijn particuliere start bij het Fonds voor Podiumkunsten subsidie binnen te halen. ``Het liep goed'', zegt hij. ``In de hoogtijdagen hadden we wel zestig voorstellingen per seizoen.'' Strack van Schijndel zwijgt even. ``En toen kwam de Tweede Fase.''

De Tweede Fase die eind jaren negentig in het havo en vwo werd ingevoerd maakte een einde aan het traditionele talenonderwijs. Het Engels bleef intact, maar voor Frans en Duits werden deeltalen ingevoerd: Frans 1, Duits 1, Frans 2 en Duits 2. Op het vwo krijgen álle leerlingen Frans 1 en Duits 1. Maar daarin leren ze alleen lezen. Willen ze ook leren spreken en schrijven, dan moeten ze in hun profieldeel of vrije keuze de andere deelvakken kiezen: Frans 2 en Duits 2. Op het havo is het weer anders: daar leren de leerlingen alleen spreken in het verplichte deel van hun opleiding. Kennelijk werkt dit systeem niet erg enthousiasmerend, want het aantal leerlingen dat kiest voor de volledige taal is de afgelopen jaren scherp gedaald. Het schrijnendst is dat bij Duits: het aantal vwo-ers dat voor Duits kiest is ten opzichte van 1999 gehalveerd. Ook het ministerie van Onderwijs kan daar niet omheen. Niet voor niets staat het systeem van de deeltalen weer op de helling: bij de herziening in 2007 komen waarschijnlijk weer alleen `hele' talen op het rooster.

In de Tweede Fase ging ook het literatuuronderwijs op de schop: op veel scholen (die daarin vrij zijn) is het nu een geïntegreerd vak. Dat betekent dat een docent (vaak een docent Nederlands) algemene literatuurwetenschap geeft, met voorbeelden uit de Nederlandse, Franse, Duitse en Engelse literatuur.

Voor Strack van Schijndel betekenden deze veranderingen dat hij zijn contactpersonen binnen het onderwijs kwijtraakte. En hij kreeg er niets voor terug, hoewel hij zijn hoop nog even gevestigd had op het nieuwe vak CKV, Cultureel Kunstzinnige Vorming: ``CKV had een mooi platform kunnen zijn waarin docenten uit verschillende disciplines samenwerken, zodat een voorstelling een brug kan vormen tussen bijvoorbeeld Frans en geschiedenis. Daar hebben wij met onze voorstellingen, en de informatie eromheen, op ingespeeld. Zonder resultaat, helaas.''

Want in de praktijk wordt CKV veelal gegeven door docenten tekenen of Nederlands. Zij stellen een lijst samen van voorstellingen waar leerlingen naar toe kunnen (met een CKV-voucher). Daarbij zijn ze niet echt geneigd anderstalige voorstellingen op het programma te zetten, is de ervaring van Christien van Gool, bestuurslid van het Sitos en hoofdredacteur van Levende Talen, het vakblad voor docenten moderne vreemde talen. ``Waarom zou je met je leerlingen naar een Franstalige voorstelling gaan, als je die taal zelf niet spreekt?''

Net als Strack van Schijndel betreurt zij het dat dit zo moet aflopen. ``Het kunnen volgen van zo'n voorstelling in een vreemde taal is een enorme stimulans voor jongeren. Bovendien pik je met dit soort voorstellingen iets mee van een andere cultuur. Dat is nu allemaal voorbij.''