Morgen is het uur nul

Bij het volgen van Al-Qaeda en andere terroristische organisaties vertrouwen inlichtingendiensten steeds meer op het afluisteren van draadloze communicatie. Maar het aantal af te luisteren gesprekken neemt astronomische vormen aan en terroristen weten de nieuwste technieken handig te omzeilen. Wat te doen?

Niet eenmaal, tweemaal, nee talloze malen klonk na 11 maart kritiek op de inlichtingendiensten. De aanslagen in Madrid op vier forensentreinen, waarbij 190 mensen om het leven kwamen, stelden opnieuw het `contraterrorisme' ter discussie. Wat weten we en wat wisten we, wat hadden we moeten weten en op welke manieren achterhaal je informatie over naar het zich nu laat aanzien moslimextremistische daders?

Voor westerlingen is het vrijwel onmogelijk te infiltreren in terreurorganisaties die geënt zijn op islamitisch extremisme. De terroristen opereren meestal in kleine cellen, bestaande uit personen die elkaar vaak allang kennen. Traditionele methoden om agenten en bronnen te werven, zoals chantage, financiële beloftes, bezoeken aan een bordeel of een villa plus pensioen in Florida, slaan niet aan. En zelfs als men erin zou slagen een agent te laten doordringen tot een cel of een bron te rekruteren, dan nog is het gezien de los-vaste werkwijze van Al-Qaeda onzeker of dit waardevolle inlichtingen oplevert.

Weinig mogelijkheden dus voor infiltratie of human intelligence. Toch zijn individuen het doelwit en niet `dingen', zoals bij militaire inlichtingen, die zich richten op het materieel en strijdkrachten van de tegenstander. Daarom moeten bij contraterrorisme vooral `verbindingsinlichtingen' soelaas bieden, oftewel signals intelligence (`Sigint'), het afluisteren van draadloze communicatie. De experts kunnen daarbij niet volstaan met het verzamelen van informatie, ze moeten jagen op inlichtingen over terroristische acties en speuren naar verbanden tussen de vele, uiteenlopende gegevens.

Maar waar moet je beginnen? Al-Qaeda kent geen georganiseerd operationeel communicatienetwerk en geen gecentraliseerde commandostructuur van waaruit instructies worden gegeven. Het is een transnationaal fenomeen, geen staatsgesponsorde groep. Anno 2004 beschouwen we Al-Qaeda als een verzameling relatief kleine en onafhankelijk opererende islamitisch fundamentalistische terreurorganisaties. Het is een netwerk van netwerken van netwerken. Dat maakt het heel ingewikkeld om operaties die op stapel staan te achterhalen.

Toen Bin Laden in 1994 in beeld kwam, probeerde men na mislukte infiltraties in eerste instantie de bronnen op te sporen die zijn organisatie Al-Qaeda financierden – in het kader van follow the money. Aanvankelijk verliepen de betalingen via overschrijvingen per bank, giro of internationale geldwisselkantoren en fungeerde de Clearing House Interbank Payments Systems in New York als tussenpersoon. Dat ontdekte de Amerikaanse National Security Agency (NSA) die sinds 1981 het berichtenverkeer van Clearing House onderschepte. Vanaf 1995 had de Government Communications Headquarters (GCHQ) in Groot-Brittannië informatie dat Al-Qaeda de GIA-terreurgroep in Algerije sponsorde. In oktober 2001 toonde Amerikaanse intelligence aan dat de Saoedische regering grote sommen geld overmaakte naar onder meer Osama bin Laden. Het geld maakte Bin Laden, die toen verbleef in Soedan, weer over naar banken in het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië, waar het in handen kwam van Al-Qaeda-aanhangers.

Walkietalkie

De CIA, zo vertelden Amerikaanse intelligence-functionarissen ons, had geen enkele bron dicht bij Bin Laden. De dienst kwam in 1996 tot de conclusie dat alleen het afluisteren van draadloze communicatie, Sigint, waardevolle inlichtingen opleverde. Bin Laden was in die tijd voor een groot deel van zijn communicatie afhankelijk van het Umm Haraz-satelliet-grondstation in Khartoem, Soedan. Via dit station verliep al het verkeer met de Intelsat- of Arabsat-communicatiesatellieten boven de Indische Oceaan. Op 13 november 1995 onderschepte de Amerikaanse inlichtingendienst NSA een telefoontje via Umm Haraz naar Bin Laden. Een aanslag op een Amerikaans doelwit kon elk moment plaatsvinden. Een half uur later ontplofte een autobom in Riad, Saoedi-Arabië. Vijf Amerikanen werden gedood. Anderhalf jaar later, op 25 juni 1996, werden negentien Amerikaanse militairen gedood door een bom bij de basis Khobar Towers in de Saoedische stad Dahran. Opnieuw wezen afgeluisterde telefoongesprekken op betrokkenheid van Bin Laden.

Maar behalve Umm Haraz had de NSA niets om af te luisteren. De top van Al-Qaeda hanteerde een eenvoudig maar effectief middel om dat tegen te gaan: Een communicatiemiddel werd nooit een tweede keer gebruikt.

In 1996 verruilde Bin Laden Soedan voor Afghanistan. Dit was een tegenvaller voor de afluisterexperts. Afghanistan beschikte niet over een telecommunicatiestructuur. Bovendien had de Talibaan er in juli 2001 internet verboden en was er geen Amerikaanse ambassade.

Maar de top van Al-Qaeda kampte in Afghanistan met hetzelfde probleem. Noodgedwongen maakte men gebruik van satelliettelefoons. En die gesprekken wist NSA naar eigen zeggen te onderscheppen. Met zijn Inmarsat Compact M satelliettelefoon die een stroman in november 1996 in Deer Park, New York, voor 7.500 dollar had aangeschaft, voerde Bin Laden in twee jaar 260 gesprekken, waarvan trouwens geen enkele naar Irak. De NSA wist dankzij deze verbindingsinlichtingen enkele aanslagen te voorkomen, waaronder een op een Amerikaans lijnvliegtuig. Maar in oktober 1998 gebruikte Bin Laden plotseling zijn satelliettelefoon niet meer, vermoedelijk omdat in augustus 1998 zijn verblijfplaats werd gelokaliseerd. Hij verbleef toen in het trainingskamp Kili al-Badr van Al-Qaeda, dat met vijf andere kampen met 66 Tomahawk-kruisraketten met de grond gelijk werd gemaakt.

Begin 1999 werd de satelliettelefoon weer af en toe gebruikt, maar vanaf februari hield ook het incidentele gebruik op. Vanaf dit moment werden opdrachten per walkietalkie gegeven en gingen koeriers naar Pakistan die in Peshawar gebruikmaakten van telefoons in openbare gelegenheden. Om de walkietalkies af te luisteren, die slechts een bereik hebben van 25 kilometer, plaatste een CIA-NSA team in het diepste geheim een Sigint-installatie met afstandbediening bij enkele Al-Qaeda-kampen in de buurt van Khost in het zuidoosten van Afghanistan.

`Lagere' echelons van Al-Qaeda waren zich minder bewust van het afluistergevaar. Volgens medewerkers van de Canadese en Britse inlichtingendiensten praten Al-Qaeda-aanhangers eindeloos met elkaar over de telefoon. In codewoorden en bloemrijke taal. Zo vertelde een buitenlandse intelligence-functionaris dat er in de herfst van 2003 grote paniek was uitgebroken onder afluisterdiensten, omdat verschillende van terrorisme verdachte personen voortdurend spraken over het feit dat `de verbouwing van de keuken gereed was' en vroegen of de ander `morgen op het feestje kwam'.

De Sigint-methode leidde tot een belangrijk succes: in 1999 werd in Jemen het nummer achterhaald van de telefoon van Ahmed al-Hada, die dienst deed als clearing house voor informatie van Al-Qaeda. Allerlei gesprekken over geplande operaties en over daders van gepleegde aanslagen werden onderschept, zoals van de aanslag op het Amerikaanse marineschip USS Cole in januari 2000. Kort geleden, afgelopen januari, leidden Amerikaanse verbindingsinlichtingen ook naar de mogelijke daders van de mislukte bomaanslagen op de Pakistaanse president Pervez Musharraf eind vorig jaar.

Niet alleen de NSA had succes met het onderscheppen van de communicatie van Bin Laden en Al-Qaeda. Ook de Britse GCHQ en de Italiaanse DIGOS achterhaalden belangrijke inlichtingen. Zo werden in Italië vijf Al-Qaeda-verdachten opgepakt nadat hun gsm-gesprekken waren onderschept. Volgens bronnen zou ook de Afdeling Verbindingsinlichtingen van de Nederlandse Militaire Inlichten- en Veiligheidsdienst (MIVD) enkele succesvolle Sigint-operaties tegen Al-Qaeda en Bin Laden hebben uitgevoerd.

Red flags

Maar de aanslagen van 11 september werden niet op tijd opgemerkt. Eind 2000 onderschepte de NSA een gesprek waarin Al-Qaeda-terroristen spraken over een `Hiroshima' tegen de Verenigde Staten. In de zomer van 2001 nam het aantal intercepts bij de NSA en andere diensten sterk toe. Nog steeds was het taalgebruik vaag en bloemrijk, maar er sprak de suggestie uit dat een operatie tegen een of verschillende Amerikaanse doelen op til was. Maar niets over een datum, tijdstip of plaats. In juli 2001 werden wel dankzij Amerikaanse en Europese Sigint enkele door Al-Qaeda geplande aanslagen in Parijs, Rome en Istanbul voorkomen.

Een maand later, in augustus 2001, onderschepten afluisterdiensten een bericht van Abu Zubaydah, een van Bin Ladens belangrijkste vertrouwelingen, die terroristen werft en aanslagen plant. Hij sprak over een operatie in september. Vlak voor 11 september vingen enkele Europese diensten, waaronder volgens bronnen ook de MIVD, een telefoongesprek op van Bin Laden met zijn echtgenote waarin hij haar vroeg om direct uit Syrië naar Afghanistan te komen. Op 10 september werden twee gesprekken onderschept, door NSA of CGHQ. Ze werden gevoerd met een telefoon in Afghanistan die af en toe werd gebruikt door een hooggeplaatste Al-Qaeda-terrorist. In vage termen werd gesuggereerd dat binnenkort een aanslag zou plaatsvinden. Er werd gezegd: `de belangrijke wedstrijd staat op het punt te beginnen'. In het tweede gesprek stelde een spreker dat morgen het `uur nul' was. NSA vertaalde het gesprek pas op 12 september. De verbindingsinlichtingen gaven opnieuw geen enkele indicatie waar, wanneer en welke activiteiten zouden gaan plaatsvinden.

Na de aanslagen van 11 september werd een debat gevoerd over de vraag of de diensten gefaald hadden en in hoeverre ze red flags hadden gemist. Het bleek vooral te schorten aan de binnenlandse coördinatie in de Verenigde Staten en samenwerking tussen CIA, NSA en FBI. De NSA deelde vaak geen inlichtingen met de FBI, waardoor de laatste moeilijk Amerikaanse contacten van Al-Qaeda kon traceren. Ook de internationale samenwerking was niet optimaal. Dat bleek toen verschillende landen, zoals Duitsland, Frankrijk, Nederland en Israël, met inlichtingen kwamen die tot dan toe niet waren uitgewisseld.

De kritiek richtte zich ook op de afluisterdiensten, maar zowel in Washington als Londen werd geconcludeerd dat er geen specifieke informatie was gemist. Zoals een Amerikaanse functionaris op 18 februari 2002 verklaarde in USA Today: ,,Het goede nieuws is dat we het niet gemist hebben. Het slechte nieuws is dat er niets was wat we over het hoofd hebben kunnen zien.''

Ook de vraag of de meeste diensten te veel op Sigint-afluisterinformatie vertrouwden en te weinig op menselijke infiltratie werd onderwerp van debat. Vooral in Washington vonden leden van het Congres dat de CIA beter in Al-Qaeda had moeten infiltreren. Maar dat is moeilijk in een gesloten systeem van moslimextremisten. Dat blijkt nu ook in Irak. Hoewel het CIA-station in Bagdad het grootste station in de wereld is met ruim 500 functionarissen, slagen de agenten er niet in binnen te komen bij het Iraakse verzet. Bijkomend probleem is dat CIA-functionarissen slechts contact met Iraakse bronnen mogen leggen als zij vergezeld worden van gewapende lijfwachten. Dit is niet bepaald bevorderlijk voor het clandestien rekruteren van geheime informanten.

Ook klonk in Washington meermalen de klacht dat de NSA slechts een passieve verzamelaar van informatie was en terroristische organisaties niet actief aanpakte. Dat werd overgelaten aan de FBI en CIA. Die klaagden op hun beurt meermalen over het feit dat de NSA het vaak belangrijker vond de doelen te volgen in plaats van aan te pakken, uit angst een belangrijke bron van informatie te verliezen. Maar dat is geen uniek verschijnsel. Zo was in het verleden de BVD soms ook voorstander van de voortzetting van het nauwlettend volgen van terreurgroepen om een netwerk in kaart te brengen, terwijl het openbaar ministerie direct wilde ingrijpen. Een ander probleem dat zich in de Verenigde Staten voordeed was dat de doelen van de FBI niet altijd overeenkwamen met die van de NSA.

Kan dat ook gaan gebeuren binnen de Nederlandse Nationale Sigint Organisatie (NSO), die eind vorig jaar is opgericht? De NSO, speciaal bedoeld om satellietinformatie te onderscheppen, is een samenwerkingsverband van de MIVD en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Maar de interesses van de MIVD en AIVD lopen niet altijd parallel. Zo zou een grote vraag van de AIVD naar informatie over transnationale doelwitten als terrorisme, witwas-operaties en drugskartels kunnen leiden tot een conflict met de MIVD die zich vooral richt op vredesoperaties. Maar dat gevaar vermindert zodra, zoals de bedoeling is, het aantal `interceptieschotels' in het Groningse Zoutkamp is vertwaalfvoudigd, van twee naar 24.

De structuur van de NSO moet een nuttig gebruik van Sigint garanderen. De herhaalde klacht van de FBI was dat verbindingsinlichtingen niet gebruikt mochten worden als de werkwijze en bronnen van de NSA daarmee bekend werden. Doordat in Nederland de AIVD wordt ingebed in de NSO zal dit probleem zich wellicht niet zo gauw voordoen. Het gebruik van intercepts en telefoontaps voor bewijsvoering in rechtszaken is nog een probleem. Maar minister Donner (Justitie) zoekt daarvoor een oplossing, schreef hij afgelopen woensdag aan de Tweede Kamer. Bovendien is dit geen exclusief Haags probleem. In de aanhef van ieder NSA-rapport staat dat de intelligence niet gebruikt mag worden in juridische aanklachten, processen en andere gerechtelijke procedures.

Samenwerking

De aanslagen op 11 september hebben voor een grotere inzet van Sigint gezorgd. Budgetten stegen, ook in Nederland, en meer technische middelen en mankracht kwamen beschikbaar. Maar de uitbreiding kan niet tot in het oneindige doorgaan. De financiële middelen zijn niet onuitputtelijk, terwijl de te volgen communicatie groeit met 15 procent per jaar. In 1995 was het volume van het internationale communicatieverkeer 62 miljard minuten, aldus de Internationale Telecommunicatie Unie. In 2003 was dit naar schatting opgelopen tot meer dan 180 miljard minuten.

Het wordt steeds moeilijker om deze enorme hoeveelheid gegevens te volgen en te analyseren. Eind jaren tachtig verwerkte de NSA nog 20 procent van alle verbindingsinlichtingen, in het midden van de jaren negentig was dit nog maar 1 procent. Het regende dan ook klachten tijdens de militaire operaties in Irak in 1990-1991, in Bosnië in 1995-1996, in Kosovo in 1999 en de invasie van Irak in 2003. Sigint bereikte de Amerikaanse troepen te laat, was de belangrijkste kritiek.

Een andere bottleneck is de werving van voldoende analisten die gespecialiseerd zijn in transnationale doelen, zoals terrorisme, witwas-operaties, drugskartels en proliferatie van massavernietigingswapens. Ook vertalers van bepaalde talen in het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië zijn schaars. Binnen de NSA zijn medewerkers 115 verschillende talen machtig. Arabisch is geen probleem, maar wat te denken van Pashto, Daro, Urdu, Azteeks en Turkmeens? Allemaal talen die gebruikt worden in de regio's waar zich veel aanhangers van Al-Qaeda bevinden. In 2001 had de NSA vier medewerkers in dienst die deze talen beheersten. Slechts één van hen sprak Pashto, de belangrijkste taal in Pakistan en Afghanistan. In 2004 is die situatie niet echt verbeterd. In maart werd bekend dat de Amerikaanse diensten slechts 30 procent van hun benodigde taalcapaciteit hadden bezet. Er waren meer dan 2.000 vacatures voor vertalers.

Dat laat onverlet dat er ook successen worden geboekt. Uit onthullingen begin maart over de Operatie Mont Blanc, uitgevoerd door de Zwitserse inlichtingendienst in samenwerking met diverse andere diensten, bleek dat het afluisteren van de gsm's van Al-Qaeda-terroristen had geleid tot de arrestatie van enkele kopstukken, onder wie Khalid Sheikh Mohammed in Karachi. Bij huiszoeking werd een lijst met 6.000 telefoonnummers gevonden. Dit leidde volgens de afluisterdiensten tot de ontmanteling van een deel van het Al-Qaeda-netwerk en het voorkomen van ,,ten minste drie'' aanslagen in Indonesië en Saoedi-Arabië. Ook de zoektocht naar de financiers van terroristische groepen is geïntensiveerd.

Maar er doemt alweer een nieuw probleem op: het afluisteren van gesprekken via satellieten dreigt te worden achterhaald. Terroristen en transnationale netwerken zijn volgens Klingenfuss Radio Monitoring weer gebruik gaan maken van een zeer oud communicatiemiddel: de kortegolfradio, populair bij radioamateurs. De MIVD heeft in de jaren negentig dit verkeer gevolgd en zo een aantal bijna wereldwijd aan terrorisme gelieerde netwerken ontdekt. Maar de NSA en GCHQ hebben in de jaren negentig juist veel van hun wereldomspannende kortegolfafluisternetwerken gesloten. Ook Duitsland, Frankrijk, Denemarken, Israël en Nederland hebben in de afgelopen 15 jaar hun kortegolfinterceptie verwaarloosd, terwijl volgens Klingenfuss Radio Monitoring nu ook vercijferde e-mails via de korte golf kunnen worden uitgewisseld. Die zijn zeer moeilijk te onderscheppen. Een andere nieuwe moeilijkheid is het toenemende gebruik van glasvezelnetwerken voor dataverkeer. Ook dit valt moeilijk tot niet te onderscheppen.

Er zit niets anders op dan het aanhalen van de internationale banden tussen de afluisterdiensten. Regeringsleiders hebben zich dan ook twee weken geleden in Brussel uitgesproken voor een betere nationale en internationale samenwerking op termijn tot voorkoming van terroristische aanslagen. Want ondanks het rooskleurige beeld dat minister J. Remkes hierover eind januari schetste in antwoord op Kamervragen, blijft internationale uitwisseling moeizaam. Vaak is er noodzaak tot bronbescherming of wordt geen informatie van een zogeheten derde land doorgespeeld. De grotere diensten zullen, meer dan in het verleden, bereid moeten zijn om hun Sigint te delen met de kleinere bondgenoten, ook al wegens de hoge kosten van het afluisteren.

Afspraken met kleinere diensten en betere uitwisseling van intelligence zullen ook voor grotere diensten goed uitpakken. Kleinere diensten hebben vaak een regionale specialisatie die grote diensten ontberen. Dat bleek tijdens de Nederlandse vredesoperaties in Eritrea. De MIVD ontwikkelde zich al snel tot de leidende dienst in de wereld wat betreft die regio. De Amerikaanse diensten waren toen kind aan huis in Den Haag met verzoeken om intelligence die zij zelf niet hadden. Zoals een CIA-functionaris zegt: ,,We moeten hier heel serieus over gaan nadenken. Onze intelligencewereld kan niet langer deze leuke privé-club van Engelssprekende naties blijven.''

In dit opzicht is er voor de nieuwe NSO nog een wereld te winnen.

Matthew M. Aid is publicist gespecialiseerd op het gebied van intelligence. Hij legt de laatste hand aan een omvangrijke studie over de National Security Agency. Dr. Cees Wiebes is als universitair docent bij de vakgroep Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam gespecialiseerd in (inter)nationale inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Hij werkte mee aan het NIOD-rapport over Srebrenica. Samen schreven zij Secrets of Signals Intelligence during the Cold War and Beyond, London (Cass), 2001