Lange horentjes beschermen padhagedis inderdaad tegen eksters

In de evolutie bestaan vele `just-so stories', verhalen die zonder enig bewijs een evolutionaire verklaring proberen te geven voor bepaalde kenmerken van dieren. Dat padhagedissen hoorntjes aan de achterkant en zijkant van hun schedel hebben, interpreteerde men bijvoorbeeld als een vernuftige aanpassing om de predatie door vogels te voorkomen. Terecht, zo blijkt nu uit onderzoek van Amerikaanse biologen die ontdekten dat hagedissen met de langste nekstekels de grootste kans hebben om in het wild te overleven (Science, 2 april).

Padhagedissen van het geslacht Phrynosoma hebben de Amerikaanse klapekster (Lanius ludovicianus) met zijn scherpe puntsnavel als geduchtste roofvijand. De vogels spiezen de hagedissen in de nek en hangen hun slachtoffers aan hun hoorntjes over een tak. Vervolgens kunnen zij zich doodgemoedereerd te goed doen aan het zachte buikvlees van hun vangst. Wat overblijft is een luguber kaalgevreten skeletje, hangend aan een tak of zelfs aan prikkeldraad.

De biologen van de Utah State University en de Indiana University vergeleken 29 schedeltjes van klapeksterslachtoffers met 155 levende platstaartpadhagedissen (Phrynosoma mcalli). Deze soort komt voor in het zuidwesten van Arizona, Californië, Baja California en in het noorden van de Sonora-woestijn in Mexico. Bij hun schedelmetingen ontdekten de Amerikanen dat individuen een grotere overlevingskans hadden naarmate zij langere uitsteeksels aan hun kop droegen. Uitgezet in een grafiek blijkt dat er boven een bepaalde stekellengte nauwelijks of geen predatie door eksters meer was. Blijkbaar vormden de hoorntjes een afdoende verdedigingsmiddel.

De evolutionaire druk van op hagedissen jagende klapeksters bevordert aldus de evolutie in de richting van langere hoorns. De selectiedruk bleek het sterkst voor de nekstekels en in mindere mate voor de zijstekels. Dat verklaart waarom de nekstekels bij de platstaarthagedis het meest uitgesproken zijn.