Kokkels juist op rijkste delen weggevist

De mechanische kokkelvisserij gebeurt niet op delen van de Waddenzee met een lage biodiversiteit, zoals vaak wordt gedacht, maar juist op plekken met de hoogste dichtheid aan bodemleven en de grootste soortenrijkdom. Dat is de conclusie van een meerjarig onderzoek van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ), het marien-ecologische instituut van de Akademie van Wetenschappen op Texel.

Volgens het onderzoek leidt de kokkelvisserij op korte termijn niet alleen tot een significante afname van kokkels, maar ook van andere schelpdieren zoals nonnetjes en mosselen. Op de beviste wadplaten neemt het aantal wormachtige dieren juist toe. ,,Kokkelvisserij leidt tot `verworming' van de Waddenzee'', aldus de onderzoekers.

Het onderzoek heeft sinds 1988 plaatsgevonden en is gebaseerd op 2.700 meetpunten in de westelijke Waddenzee. Deels waren de resultaten al eerder bekend, maar ze waren niet eerder gepubliceerd. Dat is nu gebeurd opdat ze toch nog kunnen worden geraadpleegd door beleidsmakers en politici, die juist de komende maanden besluiten nemen over gaswinning en schelpdiervisserij in de Waddenzee.

Het NIOZ was niet betrokken bij de wetenschappelijke evaluatie van het schelpdiervisserijbeleid die onlangs in opdracht van minister Veerman (LNV) werd afgerond. Die evaluatie maakte duidelijk dat de schelpdiervisserij ecologische schade toebrengt aan de Waddenzee, tezamen met andere factoren zoals minder aanvoer van voedingsstoffen (nutriënten).

Volgens de commissie-Meijer, die deze week haar rapport over de Waddenzee uitbracht, is de kokkelvisserij niet verenigbaar met de hoofddoelstelling natuur van het waddengebied. De commissie wil de kokkel- en mosselvissers zeven jaar de tijd geven om zonder ecologische schade te gaan werken. Een meerderheid van de Tweede Kamer vindt deze periode te kort. De oppositiepartijen plus D66 vinden dat de kokkelvisserij juist zo snel mogelijk uit de Waddenzee moet verdwijnen.