Jenever drinken met Castro

In 1998 reisde prins Claus samen met zijn zoon Friso naar Cuba. Daar dineerde hij met president Castro. Bijna veertig jaar eerder was Claus, als Duits diplomaat, ook al eens in Cuba. Hij kreeg toen sympathie voor de Cubaanse revolutie: `Fidel Castro heeft tenminste iets gedaan wat je als verworvenheid van de revolutie kunt omschrijven.' Een voorpublicatie.

`U weet het: Fidel Castro was in 1958 al twee jaar als Comandante van een legertje Rebeldes in de Sierra Maestra ten oosten van Santiago de Cuba in hevige gevechten gewikkeld met het steeds minder gemotiveerde officiële leger van de dictator-president, Fulgencio Batista. In 1956 waren Castro en zijn medestrijders van het eerste uur vanuit Mexico geland. Hun doel was de dictatuur te verdrijven.

,,Het was ook in 1958, dat in de Dominicaanse Republiek, het buurland van Cuba, in Ciudad Trujillo op de kleine Duitse Ambassade ene Claus von Amsberg als tweede secretaris zijn eerste stappen op het diplomatieke pad zette. Hij was zeker geen vriend van de dictator-president Rafael Leonidas Trujillo. Een zich anti-communist noemende ouderwetse Caudillo met sterke criminele streken.''

Aan het woord is prins Claus op 8 mei 1998. Het is het begin van een reisverslag dat hij schreef over een privé-bezoek aan Cuba dat hij in april van datzelfde jaar met zijn zoon Friso had gebracht. Hij blikt terug op de gewapende strijd tegen de dictatuur die de Dominicaanse Republiek al decennia teistert. In die strijd heeft Claus von Amsberg een actieve rol gespeeld, schrijft hij, zonder daarbij zelf overigens de wapens te hebben opgenomen, verklaart hij later.

Het is eind 1958 als de Cubaanse revolutionairen de overwinning behalen. Een jaar later gaat Von Amsberg poolshoogte nemen, schrijft hij in zijn reisverslag. In dit verslag laat prins Claus doorschemeren dat het in Cuba fout is gegaan door de Koude Oorlog en dat de onverzoenlijke houding van de VS tegenover Castro mede oorzaak is van diens autoritaire regime: ,,Eén jaar na de machtsovername van Castro, in december 1959, was nog niets te voelen van een regeringsbeleid dat rechtstreeks in de armen van de USSR zou voeren. En toch was met het verdwijnen van Batista (`lakei van het Amerikaanse $-imperialisme') de confrontatie met de VS vrijwel onvermijdelijk geworden. Vanaf 1960 staan de waarschuwingslichten op rood. A qui la faute? Fidel Castro vecht in wezen tegen een principe: de VS duldt geen communistisch geregeerd land en zeker niet op Cuba waar zij zich sinds de onafhankelijkheidsstrijd in 1898 van bepaalde rechten tot ingrijpen verzekerd wisten. Is Castro altijd communist geweest, later geworden of is hij om opportunistische (USSR) redenen als zodanig opgetreden? Ik weet het niet. Hijzelf heeft herhaaldelijk verklaard dat hij geen communist is.

,,Maar er zijn ook politici, vooral Amerikanen, die Castro al in 1959 ervan verdachten – invloed van `Che' Guevara? – heel wat grotere plannen te smeden: de derde wereld of op z'n minst Latijns-Amerika revolutionair te ondermijnen. Als hij dat van plan was, dan is hij daar niet in geslaagd. Hij werd niet meer dan een soort burgerschrik, maar wel één van het hele bloedige soort. Zonder politieke en materiële steun van de USSR zou hetgeen binnen Cuba en daarbuiten (door Cuba geïnstigeerd) is gebeurd ondenkbaar zijn geweest. Is daarom de Cubaanse revolutie mislukt? Alleen een jaarlijkse steun van drie miljard US dollars van de USSR kon Cuba boven water houden. Economisch gezien was de revolutie een catastrofe, maar Fidel Castro heeft tenminste iets gedaan wat je als verworvenheid van de revolutie kunt omschrijven. Voor de revolutie bestonden deze verworvenheden niet (onderwijs, medische zorg voor eenieder).''

Wehrmacht

Claus was in mei 1958 als diplomaat in Ciudad Trujillo geplaatst, de Dominicaanse hoofdstad die was vernoemd naar de dictator en na zijn dood weer gewoon Santo Domingo heette. Claus had in 1944 zijn middelbare school afgemaakt met een `Reifevermerk', een noodeindexamen voor jongeren die tot de Wehrmacht toetraden, en moest na de oorlog zijn eindexamen verplicht overdoen. In 1956 haalde hij als werkstudent zijn rechtenbul en volgde daarna een verkorte opleiding voor de diplomatieke dienst. Gewoonlijk moesten aanstaande diplomaten twee jaar cursus lopen op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Bonn, maar Claus was daarvan vrijgesteld vanwege zijn rechtenstudie. Amsberg begon als derde secretaris, wat betekende dat hij `tweede man' was op de mini-ambassade in de Dominicaanse Republiek. Het was zijn eerste aanstelling in wat hij achteraf `mijn Duitse tijd' zou noemen.

De Amerikanen zaten met de situatie op de Dominicaanse Republiek in hun maag. Trujillo was decennialang een Amerikaanse protégé geweest: He is a son of a bitch but at least he is our son of a bitch. Zijn brute repressie en de ophef daarover in de Amerikaanse pers deden hen steeds meer inzien dat de toestand onhoudbaar was. Maar de Amerikanen durfden de druk op de dictator nog niet op te voeren. Ze waren bang voor een oncontroleerbare situatie na Trujillo's eventuele val en een machtsovername door revolutionaire krachten.

In zijn reisverslag doet Claus de pogingen van de Cubanen om de revolutie naar andere Latijns-Amerikaanse landen te exporteren af als een Amerikaanse hersenschim. Maar uit documenten blijkt dat enige honderden opstandelingen op 14 juni 1959 wel degelijk vanaf Cuba de Dominicaanse Republiek binnenvielen. Die invasie was al voorzien, de rebellen hadden geen schijn van kans. Het waren vooral Dominicanen, die zich onmiddellijk na aankomst van de schepen in kleine groepjes opsplitsten. De meesten werden in de eerste uren gedood. Een andere groep werd in de bergen gedropt door een C4-transportvliegtuig.

Op 20 juni voeren nog eens twee boten met ongeveer 150 opstandelingen vanuit Cuba richting Dominicaanse Republiek. De veiligheidsdiensten waren ook nu op de hoogte van de plannen en verijdelden de landing. De meeste rebellen werden nog voordat ze het strand bereikten door napalmbommen en raketvuur vernietigd. Overlevenden werden ter plekke geëxecuteerd. Dat Castro de Dominicaanse Republiek aanviel, was niet alleen uit solidariteit met de slachtoffers van de Trujillo-dictatuur. Het was ook zelfverdediging.

In januari 1960 verslechterde de situatie in de Dominicaanse Republiek opnieuw. Nu was het verzet tegen de dictator massaal geworden, getuige een memo van de Amerikaanse ambassade. Er zouden sinds de invasie in juni al tweeduizend mensen zijn gearresteerd en vermoord door de veiligheidstroepen van Trujillo. Die executies werden vrijwel altijd in de verborgenheid en zonder proces voltrokken. Maar nu waren ook leden van belangrijke families bij het verzet betrokken. En hun voorname afkomst maakte het moeilijker hen zomaar te liquideren, schreef de Amerikaanse ambassade in telegramstijl aan Washington: ,,Trujillo wordt geconfronteerd met misschien wel het grootste dilemma in zijn carrière omdat vrijwel elke grote familie betrokken is en de gevolgen zal voelen van zijn beslissing over de toekomst van gevangenen.'' De dictator was genoodzaakt in ieder geval de schijn van een eerlijke rechtsgang op te houden.

Onder de gearresteerden waren veel mensen uit de vriendenkring van Claus von Amsberg. Hij besloot de rechtszaken bij te wonen. Als diplomaat was hij daartoe gerechtigd. De jurist Von Amsberg maakte ijverig aantekeningen. De rechters werden daardoor bang voor een negatieve internationale opinie en legden mildere straffen op.

Over Claus von Amsbergs activiteiten voor het verzet wordt ook geschreven in een boek van de Amerikaanse tv-verslaggever William Leonard. Hij maakte in de Dominicaanse Republiek een documentaire over Trujillo. Hij beschrijft hoe Claus hem informeerde over het regime en hem in contact bracht met het verzet. Later hielp de Duitser Leonard het land te ontvluchten.

In het maandblad Internationale Samenwerking zou Claus in oktober 1999 zeggen dat hij het zijn plicht vond stelling te nemen: ,,Van Latijns-Amerika herinner ik mij de brutaliteit en moordlust van sommige dictatoren. (...) Trujillo en de zijnen behoorden tot het soort mensen dat niets anders kent dan verachting voor anderen. Voor hen speelt een mensenleven meer of minder geen rol. Volgens de Conventie van Wenen mocht ik mij als diplomaat niet bemoeien met de zaken van het gastland. (...) Ik heb in die tijd nooit een wapen in de hand gehad, maar stelde mijn mogelijkheden ter beschikking aan die verzetsmensen.''

Volgens de Dominicaanse historicus Bernardo Vega ondernam Von Amsberg riskante activiteiten voor het verzet. Na de dood van prins Claus wijdde de Dominicaanse krant El Caribe – waar Vega inmiddels hoofdredacteur was geworden – een hoofdredactioneel commentaar aan hem: ,,Een Dominicaanse held, Claus von Amsberg.'' Hierin staat dat Claus in zijn Dominicaanse tijd ,,verscheidene opponenten van de Trujillo-dictatuur (Movimiento 14 de Junio) ontmoette'', die daarna gevangen werden genomen in januari 1960. Namens hen reisde hij wekelijks naar Puerto Rico en nam belangrijke documenten mee om de buitenlandse pers te informeren over de wreedheden van het regime. Daaronder is de bekende pastorale brief waarin ook de katholieke kerk voor het eerst de dictatuur van Trujillo veroordeelde. El Caribe constateert dat Von Amsbergs werk erg belangrijk was en zeer discreet, en dat hij nooit erkenning heeft gezocht voor de rol die hij heeft gespeeld.

Vega kon het weten, want zijn broer Wenceslao was bij het verzet en een van de gearresteerden van begin 1960. Claus heeft altijd contact gehouden met de twee en vooral ook met de familie Vicini, een van de bekendste dynastieën in de Dominicaanse Republiek.

Op 14 april 1960 ging een `top secret' memorandum van minister van Buitenlandse Zaken Christian Archibal Herter naar president Dwight Eisenhower: `Possible Action to Prevent Castroist Takeover of Dominican Republic.' Herler schrijft hierin dat de VS zich snel moeten voorbereiden om onmiddellijk actie te kunnen ondernemen als de situatie verder verslechtert. Bijna een jaar later volgde een vertrouwelijk document waarin de Amerikaanse consul een inventarisatie maakte van de personen in de Dominicaanse hoofdstad die ,,(...) bijzonder nuttig zouden zijn voor de VS in het geval van een verandering van het regime in de Dominicaanse Republiek''.

Op de lijst met `Most Cooperative Members of Foreign Colony', gedateerd 13 maart 1961, staan dertien buitenlandse diplomaten en zakenlieden beschreven. De eerste op de lijst is Claus von Amsberg. Een A4'tje persoonsbeschrijving volgt. ,,Hij is een lange, knappe en zeer welbespraakte diplomaat (...). De heer Von Amsberg heeft een groot aantal Dominicaanse vrienden gemaakt (...). Van alle buitenlandse diplomaten in de Dominicaanse Republiek is er waarschijnlijk niet één zo'n onverzoenlijke tegenstander van het huidige regime. Deze diplomaat is een zeer intelligent en scherpzinnig individu, in staat tot slimme politieke analyses. (...) Mocht de heer Von Amsberg hier zijn tijdens een regimewisseling, dan zou het erg verstandig zijn deze heer frequent te consulteren en gebruik te maken van zijn uitgebreide Dominicaanse contacten.''

In deze beschrijving van Claus von Amsberg staat geen woord over zijn samenwerking met het gewapende verzet. Niets over eventuele sympathieën met Castro of over zijn reis naar Cuba.

Op 30 mei 1961 werd de auto van Trujillo tijdens een nachtelijke rit beschoten. De dictator overleed onmiddellijk. Toen de aanslag plaatsvond, was Claus von Amsberg al overgeplaatst naar Ivoorkust.

Revolutie

Ook in het verslag van zijn reis naar Cuba in 1998 neemt Claus weer stelling. In zijn analyse van de Cubaanse samenleving signaleert hij eerst de positieve kanten van het systeem. ,,De verworvenheden van de revolutie zijn tot in alle vezels van de samenleving doorgedrongen – ook bij hen die zich kritisch opstellen tegenover het regime. De revolutie heeft geleid tot goed onderwijs en een brede gezondheidszorg die echter beide in hun functioneren worden bedreigd als gevolg van het wegvallen van de financiële steun vanuit de voormalige Sovjetunie. Castro wordt nog steeds gezien als de held van de sociale revolutie.''

Prins Claus ontmoette tijdens zijn reis de aartsbisschop van Santiago de Cuba, de pauselijke nuntius en mensen uit culturele kringen. Hij bracht ook een bezoek aan de sigarenfabriek Cohiba. Al vele jaren kreeg de prins met enige regelmaat sigaren opgestuurd door Fidel Castro, die hij met smaak oprookte. Het diner dat Castro Claus en Friso aanbood staat ook in het reisverslag beschreven. Een aantal hoge functionarissen was erbij aanwezig, onder wie vice-president Lage en parlementsvoorzitter Alarcón. ,,Fidel Castro ontving ons in een groen guerillapak en soldatenlaarzen. Hij was vriendelijk, gastvrij en doorgrondde alle gasten met levendige scherpe, donkere ogen. Een lijfwacht week nooit meer dan enkele meters van zijn zijde – ook niet tijdens het diner. (...) Tijdens het drankje – er was zelfs jonge jenever! – en het daaropvolgende eten werd geen enkele actuele politieke Cubaanse aangelegenheid rechtstreeks door hem aan de orde gesteld. Daarmee gaf Castro aan het privé-karakter van het bezoek volledig te respecteren. Geen van de hoge functionarissen aan Cubaanse kant voerde tijdens het diner het woord, behalve als zij gevraagd werden. Alleen Castro sprak. Aan onze kant voerde ik het woord, zo nu en dan bijgestaan door Prins Friso. (...) Wij spraken over de geschiedenis van het Caraïbische gebied (over Batista, Trujillo en Castro zelf), mede naar aanleiding van mijn herinneringen als Duits diplomaat in de Dominicaanse Republiek (1958-1961), en over de geschiedenis van Europa. Castro zei dat hij het grootste deel van zijn dagen vult met lezen en nadenken, en het dagelijkse regeren overlaat aan de jongere garde. Toch leek hij de touwtjes niet alleen tijdens het diner stevig in handen te hebben, maar ook overdag het land nog met strakke hand te regeren.''

Het gesprek ging ook over de noodzaak van verantwoord leiderschap in Afrika, over president Bill Clinton die in zedenschandalen verwikkeld was. ,,Dat de president nu een aanzienlijk deel van zijn tijd moest besteden aan dergelijke problemen, in plaats van aan belangrijke staatszaken, was voor Castro onbegrijpelijk. Uit de uitgebreid verwoorde zorg voor Clintons verzwakte binnenlandse politieke positie bleek mijns inziens – indirect – het belang dat hij hecht aan de rol die Clinton potentieel kan spelen in het op gang brengen van verbeterde relaties met Cuba.''

Ook schrijft Claus over de opmerkingen die Castro maakte over de stamvader van de Oranjes: ,,Fidel Castro was geïnteresseerd in de geschiedenis van Nederland, en de opstand tegen Spanje. Wij vertelden over de Akte van Verlatinghe, en de Apologie van Willem van Oranje – waarop Fidel Castro zichzelf terstond vergeleek met Willem van Oranje.''

Verderop in het reisverslag vraagt hij zich af of Cuba een `communistisch-totalitair land' is. Hij aarzelt: ,,Op papier zeker. Maar als ik het vergelijk met andere totalitaire regimes, dan twijfel ik.'' Hij zegt weinig tekenen van corruptie te zien, noch van zelfverheerlijking. ,,Portretten van F.C. zijn er nauwelijks. Fidel, zo heeft hij ons verklaard, is niet tegen veranderingen, mits het niet de weg terug naar het `roofdierkapitalisme' betekent. Zijn revolutie was in wezen niet gericht tegen Batista (`lakei van het roofdier-kapitalisme') maar – naast de sociale component – tegen de invloeden van buiten die de onafhankelijkheid van Cuba bedreigden.'' Claus schrijft dat er praktisch geen analfabetisme meer is op Cuba en dat er één gekwalificeerde arts per 150 inwoners is. ,,Economisch gaat het erg slecht met Cuba. Hoge werkloosheid is een feit, hoewel dit volgens de ideologie niet kan bestaan.''

Opvallend is Claus' volgende notitie: ,,Het Amerikaanse embargo bepaalt het leven op Cuba ten zeerste. Bij nader inzien kan de vraag worden gesteld of het embargo geen `blessing in disguise' is. Immers, zou het morgen worden opgeheven, dan wordt – zo werd door vele van onze gesprekspartners aangevoerd – ruwe uitbuiting van het land door buitenlandse entrepreneurs niet ondenkbaar.''

Claus ziet dat veranderingen in Cuba onontkoombaar zijn. ,,De centralistisch geleide verdelings- en planeconomie is niet in staat om de sociaal-economische verworvenheden te behouden. (...) De geringe economische vrijheden – aarzelend vanwege de angst dat deze vergezeld zullen gaan van de roep om politieke vrijheden – hebben de bevolking slechts mondiger gemaakt en doen anticiperen op verdere liberalisatie. Het internationale bedrijfsleven weet inmiddels een voet tussen de deur te zetten in weerwil van de Helms-Burton Act. Ook de Amerikaanse overheid lijkt bereid tot enige concessies en verliest daarenboven geleidelijk internationale steun voor het Cuba-beleid. Er schijnt – volgens de Cubanen – druk verkeer tussen Washington en Cuba plaats te vinden (informele dan wel privé-bezoeken), en de Amerikaanse `interest section' in de Zwitserse ambassade telt inmiddels zo'n 80 medewerkers. Er is dus sprake van kleine positieve veranderingen in de richting van een `transitie'.

,,Het woord transitie is op Cuba evenwel een `Reizwort', zijnde synoniem voor het verdwijnen van F.C., zo hebben wij kunnen constateren. Er wordt meer gesproken over een `proces' of een `perfectionering' van het economische systeem, dan wel van een `evolutie' (dixit de nuntius!). Enerzijds spreekt hieruit de voortdurende aanhankelijkheid jegens Fidel Castro – `el Lider Maximo' – en zijn idealen; anderzijds bestaat ook op Cuba – de deceptie van de Oost-Europese volkeren in gedachten – twijfel aan het niveau van de toekomstige levensstandaard na een abrupte overgang naar een zo vrij mogelijke markteconomie. Er dient een modus gevonden te worden tussen openstelling van de economie en behoud van de sociaal-economische verworvenheden.'' En hierin, meent Claus, zou de Europese Unie een rol moeten spelen.

Dit is een ingekorte versie van het tweede hoofdstuk uit het boek De wereld volgens Prins Claus, van Frans Bieckmann. Uitgeverij Mets & Schilt. 383 pagina's. ISBN 9053303901 Prijs 25 euro.Castro was geïnteresseerd in de geschiedenis van Nederland. Hij vergeleek zichzelf met Willem van Oranje