Hulpsinterklazen, lichtgolven en tolerantie noodzakelijke beelden en mythen

De dingen bij de naam noemen is lang niet altijd mogelijk. Soms moet een beeld te hulp schieten. En die beelden kleuren onze waarneming weer. Dat kan mooie mythen opleveren.

Een moeder op de kleuterschool vertelde dat zij haar zoontje van vijf had onthuld dat Sinterklaas niet bestaat. Ze kon het niet over haar hart verkrijgen, hem iets te vertellen dat niet waar is. Ik moet altijd aan deze moeder denken als ik mensen hoor betogen dat dingen bij de naam genoemd moeten worden.

Ik moest ook aan haar denken toen ik Connie Palmen enige tijd geleden hoorde bekennen hoe jammer ze het vindt dat ze tegenwoordig doorheeft dat gezagsdragers gewoon verklede mannen zijn. Ze noemde Sint en Piet wel niet, maar haar angst dat een politieagent haar zou meenemen naar het bureau kan makkelijk herleid worden tot vrees voor de zak naar Spanje. Connie Palmen pleitte ook voor het instandhouden van de mythe van tolerantie. Ze legde uit dat met het stukgaan van die mythe, in de strijd tegen politieke correctheid, ook de tolerantie zelf aan duigen is gegaan.

Als een mythe onderuitgaat, komt niet vanzelf de waarheid boven. Er kan een andere mythe gaan heersen. We leven in een ingewikkelde wereld, die niet compleet te beschrijven is, bijvoorbeeld door voortaan gewoon alle dingen bij hun naam te noemen. Dan zijn beelden nodig die bepaalde aspecten verhelderen en andere in de schaduw laten. Het woord beeld is neutraler dan mythe. Er is een beeld van Nederland als monarchie, maar in vergelijking met de Franse republiek is ons land in veel opzichten zeker ook een republiek. Prins Claus zelf heeft ooit in een interview op de Duitse tv gezegd dat Nederland een republiek met een koningshuis is. Mythen schieten tekort om ons land te beschrijven. De ware beschrijving laat nog even op zich wachten.

Er is een beroemde episode in de geschiedenis van de natuurkunde, waarin het verschijnsel kathodestralen verklaard moest worden. Je kunt in een vacuümbuis zichtbare straling opwekken door een spanning tussen twee elektroden aan te brengen. Aanvankelijk, in de negentiende eeuw, was het verschijnsel al wel opgewekt, maar nog niet verklaard. De stralen hadden eigenschappen die aan geladen deeltjes deden denken, ze werden bijvoorbeeld afgebogen in een elektrisch veld. Maar ze gingen ook dwars door dun metaalfolie heen, en dat duidde eerder op een golfverschijnsel. Vooral de Duitsers, onder wie Hertz, zagen dat het om golven moest gaan, ze vonden allerlei argumenten tegen het deeltjesmodel. Voor de Britten, aangevoerd door Crooke, stond vast dat het deeltjes waren, omdat er te veel niet klopte met een golfmodel. Beide partijen spaarden experimenten noch verdachtmakingen om hun gelijk te krijgen. Ook in steunsmoezen was men creatief. Dat zijn redeneringen die een bezwijkende hypothese nog even overeind houden, zoals de introductie van de hulp-sinterklaas alle valse baarden en ontmaskerde vaders kan verklaren zonder dat aan de echte Sint getwijfeld hoeft te worden. De strijd werd beslecht toen uiteindelijk Thomson met het bewijs kwam van een nieuw soort deeltje, kleiner dan wat eerder bekend was, en het elektron was ontdekt. Nou ja, ontdekt was het in feite al, maar het was nu aan zijn karakteristieke eigenschappen herkend en eindelijk waren die dingen bij de naam genoemd!

Het aardige van het verhaal is dat de Duitsers en de Britten een tijdlang allemaal ongelijk hadden, terwijl het toch wel vast stond dat een van beide partijen gelijk zou moeten hebben. Ze hadden elk een onvolledig beeld dat op vitale punten voldeed, en meenden elk dat de rest wel opgelost zou worden.

Nu is natuurkunde een makkelijk vak, de verschijnselen zijn reproduceerbaar, je kunt dus je eigen en andermans experimenten net zo vaak overdoen als je wilt en uiteindelijk komt er een oplossing uit, die de onvolmaakte voorgangers liefdevol omarmt. Tot die oplossing een paar decennia later op haar beurt bijgezet wordt in het kabinet van oude theorieën die best voldoen, maar niet wat je noemt volledig waar zijn. Het elektron is te robuust gebleken om nog een mythe te zijn, maar geen dertig jaar na de ontknoping van het negentiende-eeuwse golf-of-deeltjesdebat werd in een experiment met elektronen aangetoond dat deeltjes ook met elkaar kunnen interfereren, en dus een golfkarakter hebben. Dat was niet het gelijk van Hertz, die bedoelde iets anders, maar het laat wel zien dat zelfs in die strakke natuurwetenschap achter de namen dingen zitten die er steeds weer een eigenschap bij krijgen. Misschien eindigt het allemaal in snaartjes.

Sociale wetenschap heeft het moeilijker, omdat haar verschijnselen vervlochtener zijn, niet reproduceerbaar, dus niet goed in experimenten uit te vechten. Nog lastiger wordt het in maatschappelijke discussies, omdat daarin onder de vlag van een en dezelfde taal, met woorden als `tolerantie' en `mislukt' ook nog uiteenlopende interpretaties en criteria tegelijk gebruikt worden. Dat is geen kwaal, dat is een gegeven.

De vraag of een land nu wel of niet tolerant is en integratie nu wel of niet geslaagd is, zal nooit één waar antwoord kunnen krijgen. Dus doen we het met mythen, of beelden. De parallel met dat voorbeeld uit de natuurkunde is dat een geloof in een bepaald beeld wel je waarneming beïnvloedt. Wie meent dat vrouwen slechter autorijden dan mannen, ziet dat ook voortdurend bevestigd. Ook de mensen (m/v) die vinden dat vrouwen beter rijden, kunnen hun gelijk makkelijk halen. Er bestaan van die plaatjes die illustreren hoe dicht beelden tegen elkaar kunnen liggen, terwijl je toch maar één versie tegelijk kunt zien. Je ziet in één figuur vazen op een plank óf gezichten die elkaar aankijken. Je ziet in dezelfde tekening een oude vrouw of een jonge vrouw. Je ziet een halfvolle fles of een halflege fles. Er is zelfs een voorbeeld van concurrerende mythen die exact hetzelfde klinken, maar precies het tegenovergestelde betekenen: de optimist die zegt dat er geen betere wereld is dan deze, en de pessimist die het daar helaas volkomen mee eens is.

Maatschappelijke discussies wijken in nog een opzicht af van een discussie over kathodestralen: ze gaan ook over onszelf. Zijn wij slap, streng, deugdzaam, libertijns of benepen? Ieder beeld beschrijft, maar heeft ook een gevoelswaarde. Dat gebeurt in de natuurwetenschap ook wel eens, getuige de strijd op leven en dood die vier eeuwen geleden tussen het kerkelijk gezag en astronomen als Copernicus, Bruno en Galilei woedde rond de beweging van aarde en/of zon. Ook de evolutietheorie wordt in sommige gebieden, zoals de Gelderse Vallei, nog altijd als een hete aardappel beschouwd, en dat komt heus niet door onenigheid over technische kwesties als de datering van fossielen. Wijzelf zijn dan in het geding, en wie zijn we dan: aap, schepsel, evenbeeld Gods, hoopje sterrenstof, ongelooflijk toeval?

Terwijl ik dit schrijf, realiseer ik me dat ik toch vrolijker word van het idee dat ik uit golfjes besta dan dat ik een klont deeltjes ben. Ik kan helemaal niet meer stuk sinds ik besef dat u en ik waarschijnlijk uit triljarden trillende snaartjes zijn opgebouwd, dartelend in een elfdimensionale ruimte. Wenn schon, denn schon, zeg ik dan toch maar met de Duitsers.

Mythen of beelden, die elkaar soms uitsluiten, en tegelijk niet de waarheid, de volle waarheid en niets dan de waarheid spreken, in hun taal krabbelen we de weg van de vooruitgang op (ik ben een optimist). Er is een gevaar: wat niet in de mythe past, wordt soms ongewenst verklaard, en dan verandert de mythe in politieke correctheid, haar spastische zusje. Ruud Lubbers zei altijd: ,,Het gaat om de maatvoering.'' Jan Blokker: ,,Nederlanders, het is bekend, kunnen niet doseren.'' Een beetje politieke correctheid helpt, als mythe. Een overdosis mythe legt het zwijgen op.

De redding van politieke correctheid zit hem niet in politieke incorrectheid dat is alleen maar een kramp van de andere soort. Het zit hem in de dosering, die moet genoeg zijn om de moed erin te houden, en bescheiden genoeg om mensen niet de mond te snoeren als zij willen twijfelen. Zo geloof ik altijd nog in Sinterklaas.

Maarten Pieters is natuurkundige en werkt als onderwijsontwikkelaar bij het AMSTEL Instituut, expertisecentrum voor bèta-onderwijs, Universiteit van Amsterdam.