Het verlangen naar stadsmuren in een wereldhaven: op zoek naar bouwstenen voor integratie

Het nonchalante praten over een wereld zonder grenzen heeft het tegendeel opgeroepen. Maar de harde discussie over integratie heeft vruchten afgeworpen: op een hele reeks gebieden lijkt overeenstemming mogelijk.

De kwetsbaarheid van een open samenleving behoeft dezer dagen weinig uitleg meer. Op 11 maart is in Madrid opnieuw gebleken hoezeer binnenland en buitenland met elkaar verweven zijn geraakt: de echo van de bommen namens het islamisme is ook hier luid en duidelijk te horen. Niet alleen blijken terroristen democratieën te kunnen chanteren, ook het samenleven wordt er niet eenvoudiger op in een klimaat van wantrouwen.

Wie zijn verantwoordelijk voor deze polarisatie? In een onderzoekje naar de motieven van moslimjongeren die zich aangetrokken voelen door de jihad, wijst de binnenlandse veiligheidsdienst niet alleen op de situatie in het Midden-Oosten, maar ook op de toonzetting van het debat over de islam in ons land: `Te constateren valt dat een groeiend aantal moslims zich door opiniemakers en opinieleiders in het maatschappelijk verkeer onheus bejegend voelt.

Hier zitten we middenin in het mijnenveld van wat wel de multiculturele samenleving wordt genoemd. Krijgen alsnog degenen gelijk die beweren dat een debat over migratie altijd zal uitlopen op stigmatisering en uitsluiting? De laatste weken zijn de beschuldigingen niet van de lucht: `de onderbuik regeert', `Nederland is een racistisch land aan het worden' en de uitvoering van de vreemdelingenwet komt neer op `deportatie'. Deze critici behoren zonder uitzondering tot een generatie politici die in de tijd dat ze verantwoordelijkheid droegen de problemen hebben genegeerd.

Men begrijpt waarom ze het liefst willen dat we verstrikt raken in een debat over het debat waarbij het enkel nog gaat over de toonhoogte. Het is jammer dat een columnist als Paul Cliteur hen daarbij helpt door voorbarig zijn pen in het zand te steken. Daar is geen enkele aanleiding voor. Juist niet: iemand als Els Borst verdient krachtige tegenspraak wanneer ze namens een platform tegen racisme wil verbieden dat er nare dingen over de profeet Mohammed worden gezegd. Niet alleen heeft dat niets met racisme te maken, ze vergeet ook dat vrijheid van meningsuiting iets anders is dan het handhaven van de openbare orde. Eigenlijk zegt ze: de felheid van het debat past niet in onze consensus, de critici van de multiculturele samenleving plegen huisvredebreuk en roepen de gevolgen over zichzelf af.

Zo waren er wel meer vermaningen van bestuurders die vanaf het moment dat Bolkestein zich uitsprak, hebben laten weten dat het debat ontspoorde. Dat is ook mij bij herhaling overkomen. De pogingen om de geest weer in de fles te krijgen, desnoods met oneigenlijke middelen, zijn echt niet van de laatste weken. Het is tegen deze achtergrond dat de woorden van de AIVD zo'n slechte uitwerking hebben. De regering had dit rapport nooit naar de Kamer mogen sturen zonder principiële verdediging van het recht op vrije meningsuiting, waarbij ook kritiek op religie hoort. Maar in ons land, waar consensus zo zwaar weegt, zijn bestuurders de betekenis van zulke beginselen vergeten. Trouwens: op welk onderzoek is de bewering eigenlijk gestoeld dat het debat over de islam jonge moslims in de armen van de jihad drijft?

De polemiek in en buiten het parlement gaat over de vraag of de oude middelen om maatschappelijke samenhang te bevorderen nog werken. Ons betrekkelijk besloten poldermodel wordt nu opengebroken door de globalisering, die de sociale en culturele ongelijkheid heeft doen toenemen. De omvangrijke immigratie is daar de belangrijkste uiting van. Deze heeft geleid tot een demografische omslag, waardoor in de vier grote steden binnen tien jaar ongeveer de helft van de bevolking zal bestaan uit overwegend laaggeschoolde migranten afkomstig uit de niet-geïndustrialiseerde wereld.

Wie in deze nieuwe omstandigheden wil zoeken naar een vergelijk, moet beginnen met een nuchtere diagnose. Daarin schiet het rapport van Blok tekort. De commissie kiest voor een brede omschrijving van integratie. Deze omvat drie dimensies. De eerst is het inhalen van achterstanden op gebieden als onderwijs en werk. Verder is sprake van geslaagde integratie `wanneer gangbare waarden, normen en gedragspatronen' worden gerespecteerd door migranten. Tenslotte is integratie volgens de commissie een `tweezijdig proces': de vraag is of ingezetenen de migranten als een vanzelfsprekend onderdeel van de samenleving zien.

De commissie komt tot het oordeel dat de integratie voor `veel migranten geheel of gedeeltelijk is geslaagd', maar in dat oordeel wordt slechts rekening gehouden met één dimensie, de achterstandsproblematiek. Naar de normatieve kant van integratie heeft de commissie geen onderzoek gedaan. Die speelt dan ook in het oordeel over de stand van de integratie merkwaardig genoeg geen rol.

Dat verzuim geldt ook in een ander opzicht. Er wordt gezegd dat de integratie een `tweezijdig proces' is, maar er is helemaal niet gekeken naar de houding van de autochtone Nederlanders, die steeds afwijzender staan tegenover de migranten. Kortom, het positieve oordeel over de integratie betreft zeker niet de mate van interactie en verwevenheid van de verschillende groepen in de Nederlandse samenleving. Die is door de segregatie juist afgenomen. Het samenvattende oordeel van Blok en de zijnen is dus niet veel meer dan sympathieke slag in de lucht.

Er is nog een andere tegenstrijdigheid. Hoe kan men nu zeggen dat de integratie voor `veel migranten geheel of gedeeltelijk is geslaagd' en tegelijk vaststellen dat `op dit moment door een combinatie van onvoldoende integratie en vervolgmigratie het economisch rendement van de immigratie voor de samenleving als geheel verwaarloosbaar is'? Hoe kan je concluderen dat de integratie een overwegend positief verloop heeft gehad en tegelijkertijd vaststellen dat migranten per saldo weinig tot niets hebben bijgedragen aan de welvaart in ons land, onder meer door `onvoldoende integratie'?

Het antwoord wordt duidelijk als we kijken naar de achterstandsproblematiek. Ook op dat terrein is het oordeel van de commissie niet goed onderbouwd. De sociale positie van vooral de eerste generatie migranten, zeker waar het de gastarbeiders betreft, is niet erg rooskleurig. Daarover bestaat weinig meningsverschil. Wat altijd vergeten wordt, is dat over vijftien jaar deze eerste generatie getalsmatig nog steeds groter zal zijn dan de tweede generatie.

Politici zeggen vaak dat ze liever naar de toekomst kijken. Maar ook de tweede generatie heeft veel problematische kanten. Het valt moeilijk als positief te kenmerken wanneer we bijvoorbeeld bij Blok lezen dat dertig procent van de Turkse en Marokkaanse jongeren in de leeftijd van 20-24 jaar helemaal geen schooldiploma heeft. Zeker, voor Surinaamse jongeren zijn deze cijfers anders, maar ook daar heeft nog altijd 12 procent geen diploma, terwijl dat voor de autochtone bevolking in deze leeftijdscategorie om 4 procent gaat. Het gisteren verschenen PvdA-rapport constateert dat bijna een derde van de Surinaamse en Antilliaanse jongeren werkloos is en een vijfde van de Turkse en Marokkaanse jongeren. Van de autochtone jeugd was in 2002 zeven procent werkloos.

De conclusie van Blok over het positieve verloop van de integratie geldt dan ook voor een minderheid van de minderheden. Dat bepaalt de urgentie van deze kwestie. Zelfs een partij als GroenLinks heeft het nu over `misschien wel de belangrijkste sociale uitdaging van deze eeuw'. Een nieuwe generatie politici, die goeddeels na de revolte van Fortuyn is aangetreden, moet een stap vooruit zetten. Uit de recente nota's van de drie grote partijen blijkt dat op een hele reeks gebieden variërend van nationaliteitswetgeving tot het onderwijs, van huiselijk geweld tot arbeidsmigratie overeenstemming mogelijk is. Die groeiende consensus kan men in vijftien punten samenvatten (zie kader) en lijkt de neerslag van een breed gevoelde urgentie.

Er is een duidelijke verschuiving gaande, die ook terug te vinden is in de gisteren gepubliceerde nota van de sociaal-democraten, ondanks het soms ontwijkende proza. Wanneer GroenLinks afscheid neemt van de leuze `integratie met behoud van eigen identiteit' en daarin nu een buiging ziet naar het conservatisme in de migrantengemeenschappen, weet iedereen dat er iets is veranderd. De harde meningenstrijd blijkt dus over het geheel genomen juist wel productief.

Ook al zouden de grote partijen op een aantal gebieden tot een vergelijk kunnen komen, wat goed zou zijn, het debat zal zeker doorgaan. Vooral de toekomst van de islam in Nederland blijft een open vraag. Misschien gaat het daar nu wel zo veel over, omdat over tal van andere kwesties overeenstemming is gegroeid en omdat er zoveel misverstanden zijn over de islam, zeker sinds die elfde september.

Hoe vaak hoor je niet als het over de islam gaat: er is niets nieuws onder zon, dat kennen we uit onze eigen verzuilde geschiedenis. Maar de positie van de islam is niet zomaar te vergelijken met die van de christelijke religies. Een groot verschil met de vroegere verzuiling is de etnische verdeeldheid van de moslimgemeenschap: een Turkse moslim heeft niet veel te maken met een Marokkaanse of een Surinaamse moslim. Dat blijkt ook uit de mislukking om een overlegorgaan te creëren.

Daar komt iets anders bij: het is onzeker of de islam zich een plaats weet te verwerven als minderheid in een liberale en geseculariseerde samenleving. Dat zal een behoorlijke mentale aanpassing vragen, al was het maar omdat de islam een geschiedenis achter zich heeft waarin het altijd een meerderheid vertegenwoordigde in de landen van herkomst. De verzuiling in ons land betrof religies die al een lange geschiedenis van aanpassing als minderheid te midden van andere minderheden achter zich hadden en die zich tegen de soms bijtende kritiek van ongelovigen moesten verweren.

Wat daarbij niet helpt, is dat de islam zich ontwikkelt als deel van een conflictueuze internationale omgeving. Zeker, de meeste moslims willen hier een plek vinden, maar tegelijk worden velen direct of indirect geraakt door het conflict tussen de politieke islam en de westerse samenlevingen. Met de komst van zo vele moslims naar Europa kunnen de conflicten uit het Midden-Oosten makkelijk overslaan naar onze steden. Nu al is in steden als Antwerpen, Lyon en Amsterdam de spanning voelbaar tussen de Marokkaanse en de joodse gemeenschap. Aanslagen door moslimterroristen zijn ook hier alleszins denkbaar.

Sylvain Ephimenco riep in een mooi betoog na de aanslagen in Madrid gematigde moslims op zich duidelijker uit te spreken: `Vragen om een moslims weerwoord is niet hetzelfde als eisen dat onschuldigen zichzelf vrijpleiten van misdaden die anderen hebben begaan. Het gaat om actieve participatie in de strijd tegen blind geweld, een bewuste daad van verzet tegen de duistere krachten die het huis van de islam hebben gekraakt' (Trouw, 20 maart). De Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb leek zijn oproep te hebben gehoord toen hij een soortgelijk pleidooi afstak. En inderdaad: waarom is het zo verschrikkelijk stil en horen we op de Dam alleen protesten ter ondersteuning van Hamas?

Zo roept de omgang met de islam in een open samenleving tal van nieuwe vragen op. Alle partijen zeggen het elkaar inmiddels na: we streven naar `integratie door emancipatie', vooral ook onder moslims. Met uitzondering van de christen-democraten zien ze die emancipatie niet zozeer in groepsverband, maar als een persoonlijke vrijmaking. Ze moeten er wel van doordrongen zijn dat het ideaal van individuele zelfbeschikking en gelijkheid haaks staat op een traditionele gezinscultuur die alle nadruk op de groep legt en de ongelijkheid van man en vrouw vanzelfsprekend acht. Emancipatie is dus een morele keuze die de spanning tussen de generaties in menig migrantengezin er niet kleiner op zal maken. Niet alle partijen lijken de betekenis van hun eigen pleidooi te overzien: de liberalen doen dat nog het meest.

De globalisering, waar de immigratie onderdeel van is, zet onze beproefde consensus onder druk. De aanhangers van het multiculturele gedachtegoed, zoals Hans Dijkstal en Paul Rosenmöller, leven met een geweldige tegenstrijdigheid: ze zijn namelijk ook fervente gelovigen in het oer-Hollandse schikken en plooien. Maar het is geen gewaagde voorspelling dat de wereldwanorde zoals die zich aandient binnen onze grenzen, bovenop de individualisering die ook de sociale samenhang heeft doen afnemen, voor een samenleving zorgt die veel grotere tegenstellingen kent. Daarmee is de periode-Fortuyn het begin van een heroverweging van onze pacificatiedemocratie.

We kruipen onder de deken van de oude consensus vandaan. Het hele debat over integratie van migranten is daarom een toespitsing van een veel algemenere zoektocht in Nederland. Het uitgangspunt moet zijn dat men van nieuwkomers niet iets kan vragen dat de ingezetenen zelf niet willen opbrengen. In de controverse over de moord op de leraar in Den Haag zien we hoe de problematiek van een Turkse jongen een algemener tekort in Nederland blootlegt. Terecht werd er namelijk op gewezen dat deze moord ingebed is in een veel bredere agressie.

Achter het conflict over integratie gaat de normatieve onzekerheid schuil die Nederland is overvallen. Overal in de samenleving wordt momenteel gezocht naar nieuwe vormen van sociale controle. Waar je ook kijkt psychiatrische inrichting, woningcorporatie, school of sociale dienst overal is men druk doende om intimiderend of asociaal gedrag veel consequenter aan te pakken en om gedragsregels te formuleren.

De vraag naar inburgering is teruggeslagen op de samenleving als geheel: ja, inburgering, maar waarin dan? Dat vraagt om uitleg van zaken die te lang zijn verwaarloosd. Zo kan het worden verklaard waarom uit het integratiedebat ineens vanuit alle partijen pleidooien komen voor `de overdracht van kernwaarden van de Nederlandse rechtstaat, samenlevingsopbouw en geschiedenis', zoals Blok het omschrijft. Als het goed is gaat het bij zulke voorstellen om de opvoeding tot zelfstandig denkend burger.

Iedereen zoekt inmiddels naar nieuwe middelen van integratie in tijden van globalisering. Hoe kan worden voorkomen dat tegenover ontspannen burgers, die de wereld ervaren als een uitnodiging, een groeiend aantal burgers komt te staan die zich in de steek gelaten voelen en de wereld eerder zien als een bedreiging? Dat zien we overal in Europa gebeuren. Het nonchalante spreken over een wereld zonder grenzen heeft het tegendeel opgeroepen: een beweging met als belangrijkste motief `grenzen dicht'. De Rotterdamse problematiek is de scherpste uitdrukking van die verandering, want hoe kan het dat in een wereldhaven het verlangen naar stadsmuren zo is gegroeid? Dat is werkelijk geen ironische vraag.

Publicist en hoogleraar Grootstedelijke problematiek. Hij publiceerde in 2000 het geruchtmakende artikel `Het multiculturele drama'