Gezichtskijkers

ONGEËVENAARD IS de mens in zijn vermogen verschillende gezichten van elkaar te onderscheiden, gezichten in een menigte te herkennen, gezichten te onthouden en gelaatsuitdrukkingen te interpreteren. Aan de kleinste verandering rond haar mond ziet de mens al dat de stemming van zijn vriendin begint om te slaan.

Ontelbare wetenschappers, psychologen, neuropsychologen en hoe ze verder heten zijn erdoor gefascineerd geraakt en wat ze er inmiddels over hebben geschreven is voor een normaal mens niet meer te lezen. Tik `face' en `perception' in op Google en bezie de gruwel. Met `recognition' is het nog erger.

Gelukkig is het tijdschrift Nature kieskeurig in het publiceren van gelaatsonderzoek. Gemiddeld eens per jaar komt het ervan en deze week (1 april) was het weer zo ver. Amerikaanse psychologen, aangevoerd door Michael Webster van de University of Nevada, brengen de uitkomst van onderzoek dat door moderne computerprogramma's mogelijk werd.

Ze laten twee gezichten (bijvoorbeeld een gewoon, gemiddeld vrouwengezicht en een gewoon, gemiddeld mannengezicht) computergewijs langzaam in elkaar overvloeien en maken prints van een hele reeks tussenstadia. Ergens halverwege is dan het volmaakt androgyne type. Dat is het type dat door de helft van een grote groep `proefpersonen' (altijd jongerejaars psychologiestudenten en altijd eigenlijk net te weinig) voor mannelijk wordt versleten en door de andere helft voor vrouwelijk. Een bedoeld subjectieve classificatie dus, het kan niet anders. Van deze aldus gedefinieerde volmaakt androgyne verschijning wordt een aparte print gemaakt en die wordt voorgehouden aan een verse groep psychologiestudenten die daarvóór uitsluitend even het onversneden mannelijke uitgangspunt van de reeks te zien had gekregen. Geheid dat deze groep het middengezicht opeens toch overwegend vrouwelijk noemt. De groep die eerst de onversneden vrouw te zien kreeg vindt het middengezicht juist mannelijk.

Hetzelfde trucje is uit te halen met het gezicht van een doorsnee Japanner dat geleidelijk overvloeit in het gezicht van een doorsnee Amerikaan en een gezicht dat van intense woede geleidelijk overgaat naar opperste verbazing. Nature brengt het allemaal ten voeten uit. De verwijzingen naar `gespecialiseerde neurale subsystemen' en de vele statistische toetsen bewijzen dat het zuivere wetenschap is.

Wie zich voldoende inleeft begrijpt dat de psychologen in Nevada vroeg of laat op de gedachte moesten komen om ook te manipuleren met de samenstelling van de groep proefpersonen. Hoe zouden alleen meisjes-psychologiestudenten de overvloeiing van man naar vrouw beoordelen, enzovoort. De lezer moet de uitkomsten maar zelf nakijken. (Nature van 27 augustus 1998 bracht overigens vergelijkbaar onderzoek, toen moesten van man-vrouw overvloeiiers de aantrekkelijkheid en eerlijkheid beoordeeld worden.)

Onvermijdelijk viel ook het besluit aparte groepen Japanse en Amerikaanse studenten naar een Japans-Amerikaanse overvloeiing te laten kijken. Het bleek dat Japanners veel eerder geneigd waren een in de richting van `Amerikaans' vervloeide Japanner als `niet langer Japans' te beoordelen dan de Amerikanen. En omgekeerd natuurlijk. De 50/50 scheidslijn ligt bij beide groepen dus verschillend. En hij ligt niet vast. Hoe langer Japanners al in Amerika wonen, of hoe frequenter ze met Amerikanen omgaan, hoe meer hun oordeel opschuift in de richting van de Amerikaanse indeling.

Voor de AW-redactie was dit de eerste maal dat min of meer wetenschappelijk is bevestigd dat Japanners Europeanen niet uit elkaar kunnen houden en Euopeanen Japanners niet: the other race effect. Want dat is natuurlijk wat hier in feite is aangetoond. De gemiddelde Amerikaan ziet zo weinig verschil tussen een Chinees en een Japanner dat het Amerikaanse ministerie van defensie in de tweede wereldoorlog speciale instructies uitgaf voor het maken van het onderscheid tussen friend and foe.

Enfin, het is allemaal niet anders dan je verwacht zou hebben als je had bedacht erover na te denken. Dat was niet het geval met de gelaatsstudie die was opgenomen in Nature van 8 november 2001. Daarin werd met de meest eenvoudige middelen aangetoond dat ook schapen elkaar aan het gezicht herkennen. Boven poortjes waarachter in de helft van de gevallen smakelijk voedsel lag hingen afbeeldingen van verschillende schapensnoeten (en face gefotografeerd). Proefschapen hadden na zo'n 30 oefeningen door welk gezicht bij een beloning hoorde en welk niet. Het ontroerende is dat ze het na twee jaar nog wisten en dat ze ook menselijke gezichten uit elkaar konden houden. Wij worden vanuit de wei aangekeken, herkend en onthouden. Wij zijn niet alleen!

Onbegrijpelijk hoe weinig aandacht er voor dit onderzoek is geweest. En vreemd dat niemand op de gedachte kwam dit als een nog onbeschreven bindende factor tussen mens en dier te benoemen. Trouw, aanhankelijkheid, voorspelbaarheid en aaibaarheid zullen wel altijd de doorslag geven, maar het gevoel door een dier in het gezicht te worden gekeken en – dus kennelijk – geobserveerd is ook niet mis. Ook in het menselijk verkeer is het elkaar `naar de ogen zien' een sterk signaal.

Dat is wat er schort aan die vervelende caviaatjes die hier en daar als huisdier worden gehouden: ze kijken je niet aan. Om nog maar te zwijgen van de wezenloze schildpadden, hazelwormen en wandelende takken. Een mooie oefening voor op de divan is dat: het dierenrijk verdelen in de aankijkers en de langskijkers. Make no mistake: ook veel vogels kijken je aan, al kunnen lang niet alle vogels dat met twee ogen tegelijk.