Europa heeft geen topniveau

Europa wil zijn jonge talenten, en die uit de rest van de wereld, de beste opleidingen kunnen bieden die er bestaan. Maar hoe creëer je topuniversiteiten als iedereen vasthoudt aan vertrouwde zekerheden?

Een Harvard aan de IJssel, een Stanford aan de Rijn. Geen onderwijsminister in Europa die niet af en toe droomt van begeerde Amerikaanse voorbeelden. En het blijft niet bij dromen. Europese landen noemen het creëren van een eliteuniversiteit naar het voorbeeld van Harvard regelmatig als het hoogste doel van hun hoger-onderwijsbeleid. Maar hoe serieus is zo'n wens als het bijbehorende geld ontbreekt? Harvard beschikt over fondsen ter grootte van ruim 18 miljard dollar. The Economist rekende onlangs voor dat het budget van Amerika's topuniversiteit alleen al twee keer zo groot is als dat van alle Britse universiteiten bij elkaar.

De Jiaotong universiteit in Shanghai heeft vorig jaar een lijst samengesteld van de vijfhonderd beste universiteiten. De lijst is gebaseerd op het aantal keren dat wetenschappers van de betreffende universiteit elders worden geciteerd, dat ze publiceren in de tijdschriften Nature en Science en Nobelprijzen in de wacht slepen.

Europa scoort slecht in vergelijking met de Verenigde Staten. De beste Europese universiteit is die van Cambrigde, op plaats vijf. Cambridge is samen met Oxford (plaats acht) de enige niet-Amerikaanse universiteit in de top-10. In de top-40 staan 31 Amerikaanse tegen zeven Europese universiteit, met Utrecht nog net op plaats veertig als beste Nederlandse universiteit; de beste Duitse universiteit (München) komt pas op plaats 48, de beste Franse (Parijs VI) op 65.

Andere lijsten geven andere resultaten – ook al is de trend steeds hetzelfde. Toch is de lijst van Jiaotong belangrijk omdat die door de Europese Commissie gretig is overgenomen en verspreid. De Commissie moet het beleid uitvoeren dat de Europese regeringsleiders vier jaar geleden in Lissabon hebben afgesproken. Toen besloten de regeringsleiders dat de Europese Unie in 2010 ,,de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie'' van de wereld moet zijn. Landen dienen tegen die tijd ten minste 3 procent van het bruto binnenlands product (BBP) aan onderzoek en ontwikkeling te besteden en het aantal wetenschappers moet met de helft zijn toegenomen. Dit alles om van Europa de plek te maken waar studenten en onderzoekers van overal op de wereld het liefst naartoe willen.

De kwakkelende Europese economie heeft roet in het eten gegooid. Het budget voor onderzoek is in de eerste twee jaar na `Lissabon' met 0,04 procentpunten gegroeid, naar 1,99 procent van het BBP. In de Verenigde Staten groeide het in diezelfde periode met het dubbele, naar 2,8 procent van het BBP. Italië heeft intussen al laten weten in 2010 met enige moeite 1,5 procent van het BBP beschikbaar te hebben. Maar alleen als de economie groeit met zo'n 8 procent per jaar. ,,Europa gaat vooruit'', zei de verantwoordelijke eurocommissaris Philippe Busquin twee weken geleden. ,,Maar niet snel genoeg'', voegde hij er zuinig aan toe.

Maar politici verschuilen zich ook achter die zwakke economie om daarmee structurele problemen in het Europese hoger onderwijs te negeren. Op een bijeenkomst in Berlijn van een groep wetenschappers die zich in opdracht van de Europese Commissie heeft gebogen over de vraag of er behoefte is aan een Europees Onderzoeksbureau, vatte Norbert Kroó, secretaris van de Hongaarse Academie van Wetenschappen, de situatie volgens het Duitse weekblad Die Zeit onlangs bondig samen: ,,Als we niets doen, verdwijnt de arbeid naar Azië en het onderzoek naar de Verenigde Staten. Wat er dan in Europa overblijft? Een overgesubsidieerd platteland als toeristenattractie.''

De wetenschappers zijn het erover eens dat er zowel meer als minder nodig is: meer geld en meer differentiatie tussen de instellingen, minder bureaucratie en minder overheidsbemoeienis. Nu kan het nog gebeuren dat een universiteit financieel wordt gestraft omdat die naar de mening van de overheid onvoldoende studenten aanneemt uit sociaal zwakkere milieus. Wordt vervolgens de deur wijd opengezet, dan moet diezelfde universiteit na een paar jaar geld inleveren omdat te veel studenten de eindstreep niet halen.

Europese overheden controleren hun universiteiten zo nauwgezet dat die volgens The Economist meer lijken op ,,falende genationaliseerde bedrijven dan op organisaties van wereldklasse gewijd aan de risicovolle zaak van het hebben van originele gedachten''.

Toch zou het te gemakkelijk zijn om de verstarring van het universitaire stelsel geheel aan de overheid te wijten. Iedereen is voorstander van het creëren van top-universiteiten, behalve op het moment dat het geld verdeeld moet worden. Toen de federale overheid in Duitsland bijvoorbeeld een wedstrijd uitschreef onder universiteiten om voor 250 miljoen euro de vijf beste projecten te financieren, luidde de reactie meteen dat het geld tussen te weinig universiteiten werd verdeeld.

Ook is iedereen het erover eens dat universiteiten meer geld nodig hebben. Maar als aan studenten wordt gevraagd daaraan bij te dragen, gaan ze onmiddellijk de straat op. In Oostenrijk leidde in 2001 de invoering van een bescheiden collegegeld van 363 euro per jaar tot een daling van het aantal inschrijvingen met 20 procent – naar later bleek vooral studenten die nooit kwamen opdagen maar zich hadden ingeschreven om in aanmerking te komen voor het goedkope ziekenfonds.

Wetenschappers bepleiten een verjonging van de universitaire wereld, maar niet als dat ten koste gaat van hun vaak sterke rechtspositie, die lang niet altijd gebaeerd is op wetenschappelijke kwaliteit. Het Europese bedrijfsleven ten slotte roept regeringen waar te maken wat is afgesproken. Commit and deliver, hield de Europese ondernemersorganisatie Unice de regeringsleiders voor.

Bedrijven financieren in Europa zo'n 56 procent van het wetenschappelijk onderzoek, tegen 66 procent in Japan en de Verenigde Staten.

Ondanks alle goede bedoelingen houden overheden, studenten, wetenschappers en bedrijfsleven zichzelf en elkaar in de greep. Zo lang dat het geval is, zal er aan de Theems, de Elbe of de Rhône voorlopig geen Harvard verrijzen.

Laatste deel van een serie over hoger onderwijs in Europa. Eerdere delen verschenen op 18, 24 en 30 maart en 2 april.