Een schuldig landschap

Ludmilla wist het al jaren. Onder haar erf lag een massagraf. Uit respect voor de doden mocht ze er van haar man geen aardappels poten. Een verbod dat niet meer van kracht is sinds medewerkers van de Deutsche Kriegsgräberfürsorge een jaar geleden de beenderen van meer dan honderd SS'ers opgroeven. De kleine, gezette Ludmilla dacht dat het Duitsers waren, maar het bleken de stoffelijke resten van Nederlandse SS-legionairs. Ze kon het niet weten. Ze was nog een baby in 1942 toen de in Duitse uniformen gehulde vreemdelingen het dorp bezetten.

Gerard Groeneveld, deskundige op het gebied van nazi-propaganda, en ik verblijven voor het VPRO-radioprogramma OVT in Selo Gora, een dorpje tussen de berkenbossen, honderdvijftig kilometer ten zuiden van Sint-Petersburg. In de smeltende sneeuw zijn we op zoek naar sporen van het SS-Vrijwilligerslegioen Nederland, dat met drieduizend man samen met Duitsers, Denen, Noren en Vlamingen tegen het Rode Leger vocht. Einddoel was de verovering en vernietiging van Leningrad, het huidige Sint-Petersburg. Wij gaan Stalin halen, hadden ze voor hun vertrek nog optimistisch op de treinen geschilderd.

Maar zo ver kwam het niet. Ruim twee jaar nadat de Nederlandse legionairs bij Selo Gora waren ingezet, en dat is dit jaar zestig jaar geleden, doorbrak het Rode Leger het 900 dagen durende beleg van Leningrad en dreef de vijand terug naar Berlijn. Gedecimeerd en ontredderd keerden de overlevende Nederlandse legionairs terug naar huis waar hen een warm onthaal in een strafkamp wachtte.

Onze aanwezigheid in Selo Gora blijft niet onopgemerkt. Dorpelingen drommen samen, nieuwsgierig, verbaasd. Een jonge vrouw komt op ons af. Irina heet ze. Ze leidt ons naar de begraafplaats van het naburige gehucht Gusi. Onbevangen doet ze haar verhaal.

Haar grootmoeder vertelde haar over een Nederlandse SS-legionair met de naam Gustaaf. Hij was soldaat-kleermaker en ingekwartierd bij haar grootmoeder. Hij verstelde haar kleren, maakte nieuwe en ze raakten erg op elkaar gesteld.

Op een dag werd Gustaaf gearresteerd. Niet door soldaten van het Rode Leger maar door Duitse militairen. Hij zou te vriendschappelijke betrekkingen met de vijand hebben aangeknoopt en werd geëxecuteerd. Omdat de grootmoeder van Irina hem in de bevroren grond niet kon begraven, stopte ze hem weg in de diepe sneeuw. Kort daarop werd ze met andere dorpelingen naar Estland gedeporteerd en toen ze veel later terugkeerde was hij weg. Maar in de loop der jaren vond ze in de omgeving vele schedels, skeletten, beenderen en begroef ze op de begraafplaats van het gehucht.

Irina wijst op een Russisch-orthodox kruis. Tientallen, misschien wel honderden schedels moeten eronder liggen. Of de stoffelijke resten van Gustaaf erbij zijn kan ze niet zeggen. Ze durfde het niet te vragen. Haar grootmoeder beschermde het graf alsof het háár jongens waren. Zoals die dag toen er een officiële delegatie langs kwam om de stoffelijke resten naar een verzamelkerkhof te brengen. Ze weigerde halsstarrig, zodat het gezelschap onverrichter zake afdroop.

Kort voor haar dood vroeg de grootmoeder haar kleindochter om de verantwoordelijkheid voor het graf over te nemen. Dat vond Irina vanzelfsprekend. Voor haar zijn het jonge mannen, jongens die te vroeg zijn gesneuveld. Als we haar een zak rode tulpenbollen overhandigen, holt ze weg om even later terug te keren met een glazen pot gevuld met door haar geplukte paddestoelen.

Onze tussenpersoon en begeleider Yuri Lebedev, oud-luitenant van het Rode Leger, prijst haar onbaatzuchtige houding. Als voorzitter van de door hem in 1992 opgerichte stichting Verzoening wil hij de stoffelijke resten van àlle Oostfrontstrijders verzamelen en identificeren, ongeacht hun nationaliteit. Dat was hard nodig, zegt hij. Jarenlang was er gejaagd op de doden, vele graven waren geplunderd door de plaatselijke bevolking. Gouden tanden, ringen, leren laarzen, insignes. Door middel van advertenties riep hij daders op zich bij hem te melden.

Zijn aanpak had succes. In ruil voor wodka verkreeg hij informatie over de vindplaatsen. Maar hij ondervond ook weerstand. Menigeen kon niet accepteren dat hij verkondigde dat er behalve Duitsers ook Noren, Belgen, Denen en Nederlanders tegen de sovjettroepen hadden gevochten.

De kroon op Lebedevs werk was de aanleg een groot verzamelkerkhof in het dorpje Sologubovka. De stoffelijke resten van zo'n dertigduizend strijders in dienst van het nationaal-socialisme liggen hier. Van de geïdentificeerden staan de namen op twee meter hoge granieten stenen, voor de naamlozen is een apart graf.

Hij wijst op een Noorse steen met daarop twee in elkaar grijpende handen. Lebedev vertelt over een Duitser die hij eens begeleidde naar het bos waar volgens betrouwbare informatie diens vader moest zijn gesneuveld. Nooit had de man afscheid van zijn vader kunnen nemen. Pas na de val van het sovjetregime was het mogelijk. Bij de rand van het bos wilde de zoon alleen verder. Om alleen te zijn met zijn vader, zei hij. Lebedev wachtte en wachtte, urenlang en begon zich al ongerust te maken toen de man eindelijk tevoorschijn kwam. In een paar uur tijd was de man een ander mens geworden, zijn gezicht totaal veranderd, zag hij.

Ik heb het gevoel dat ik in een verkeerde zwart-wit propagandafilm figureer. In een schuldig landschap. Oneindig troosteloos, somber. Wat doe ik hier? En wat zocht dat vermaledijde Nederlandse Legioen hier? Nederland leverde het hoogste percentage SS'ers van alle bezette Europese landen, heb ik altijd begrepen. Duizenden bleven achter in Russische aarde. Maar toch, zegt Lebedev, zie je hier vrijwel geen Nederlanders. Geen veteranen, geen kinderen, zelfs geen oorlogsgravenstichting. Hij begrijpt het niet.

De volgende dag, tweehonderd kilometer verderop in Estland, in het dorpje Sinimaë staan we voor een drietal gedenkstenen, van Noorse, Deense en Vlaamse veteranenorganisaties. Een Nederlandse steen ontbreekt. Van Ivika Maidre, de jonge loco-burgemeesteres van het dorpje en verantwoordelijk voor het onderhoud, hoor ik dat Nederlandse oud-SS'ers geen veteranenorganisatie hebben. Zo leer je nog eens wat. Bij jullie leven ze ondergronds, lacht ze. Maar de doden hebben toch recht op rust, hun kinderen op een behoorlijk graf voor hun vader?