Duitsers zijn net zo aardig als anderen

Europa, ach Europa. Kiezers kunnen maar weinig warmlopen voor het idee, ook nu de Unie komende maand in één keer met 70 miljoen mensen en tien landen zal worden vergroot. Maar kan het zijn dat een jonge Nederlander meer gemeen heeft met een jonge Fin of Pool dan met een gepensioneerde Nederlander? Europa aan de hand van oma's, kinderen, schoonvaders en eurocommissaris Verheugen. `We moeten als politici iets rechtzetten wat zestig jaar geleden vreselijk fout is gegaan.' Dit verhaal gaat over Europa en over familie. Dus als u nu meteen omslaat, begrijp ik dat best. Maar laat me dan nog even snel vertellen dat er de komende weken 25 verhalen over families uit Europa in deze krant verschijnen. Uit elke nieuwe en oude lidstaat één. Het is een manier, hoopt de redactie, om iets aan de uitbreiding van de Europese Unie te doen zonder te vervallen in interviews met ministers, series over directoraten-generaal en analyses over weer nieuwe `Brusselse regels'. Niet dat die niet belangrijk zijn. Maar wat vertelt een rel over de overname van het Acquis Communautaire door Cyprus over de Cyprioten? De problemen in de Poolse landbouw moeten vast worden opgelost, maar zeggen ze iets over de Polen? Trouwens, hoeveel weten we eigenlijk van de Zweden?

De mensen in Europa, wie zijn dat eigenlijk? Waar zijn ze trots op? Wat vrezen ze? Wat drijft ze?

Neem Nóra, zij is veertien. Nóra Ercsei verschijnt in de aflevering over een familie in Hongarije. Nóra is niet zo geïnteresseerd in correspondent Jaap Scholten. Weer zo'n volwassene die over Europa komt praten, ziet hij haar denken. Ouwe koek. ,,Nóra speelt computerspelletjes op haar mobiele telefoon. Zij houdt van winkelen en van de muziek van Britney Spears.'' Ze is al vaak in Wenen geweest en vindt dat vanzelfsprekend. Nóra zegt: ,,Ik wil advocaat worden.''

Nóra is geboren in 1989. Zelf ben ik ongeveer zo oud als Nora's ouders, en in 1989 was ik ook eventjes in Hongarije. Het IJzeren Gordijn was nog niet gevallen, maar het vertoonde wel gaten. Nadat de Hongaarse regering opening van de grenzen had aangekondigd, verzamelden duizenden Duitsers uit de DDR zich op het terrein van de West-Duitse ambassade in Boedapest. Ik mocht verslag doen. In een warme voorjaarsnacht ging de grens inderdaad open, en het enige probleem dat de DDR-burgers toen nog hadden was het vervoer ernaartoe. Langs de uitvalsweg van Boedapest verdrongen zich honderden lifters. Wie zelf reed, reed voorzichtig want in het donker waren de lifters nauwelijks zichtbaar. En omdat ze dat zelf ook beseften ondernamen ze halsbrekende toeren om in het schijnsel van de koplampen te komen. Ik nam er twee mee, twee jongens vol vragen, genoeg vragen voor de hele rit naar Duitsland. Hoe hoog zijn de salarissen in het Westen? Wat kost een huis? Een auto? Om te beginnen: deze auto? Was, ein lease-wagen?

De jongens kwamen die nacht ook door Wenen, net als jaren later Nóra. Ze keken hun ogen uit en hielden even hun mond. De helverlichte tunnels, het gladde asfalt en de volle etalages waren het minst vanzelfsprekende dat ze ooit hadden gezien.

Nóra lijkt wel op Karolina. De 16-jarige Karolina Potempa verschijnt in het verhaal over de familie in Polen. Ook zij zegt niet veel tegen correspondent Stéphane Alonso. ,,Zij houdt van vioolspelen en van auto's (BMW, Mercedes).'' Ze is al in Amsterdam, Parijs en Londen geweest. En met zomervakantie al een paar keer in Noord-Holland. Het had één van mijn dochters kunnen zijn. Die vinden ook al het goede gewoon. Dit soms tot wanhoop van hun grootouders. Maar daarover straks meer.

Mijn dochters zijn iets jonger dan Nóra en Karolina. Zij zijn nog niet in Polen of Hongarije geweest. Maar hun eerste Poolse hebben zij al ontmoet. Er is een aankomend onderwijzeres stage komen lopen op hun school in Den Haag, de vrucht van één van die uitwisselingen met de aankomende EU-landen. Ze praatte een beetje raar, was ze opgevallen. Áls ze al praatte: ze was nogal stil.

Hun beknopte verslag deed me denken aan de tijd dat ik zelf scholier was en mijn grote zus thuiskwam met een Spanjaard. Het was halverwege de jaren zeventig. Een jongen met pikzwart haar, hij sprak nauwelijks Engels – hij kon niet eens fietsen! Spanje was een vreemde, arme dictatuur aan de zuidrand van het continent. Het massatoerisme naar Benidorm en Lloret de Mar kwam nog maar net op gang en Spanjaarden werden, eerlijk gezegd, nog niet zo vertrouwd.

Kijk Spanje nu. Een `welvarende Europese democratie', zoals de afgelopen weken zo vaak is gememoreerd. We kijken naar de films van Almodovar, we kennen de muziek van de familie Iglesias, we kopen kleding bij Zara en we gaan behalve naar Benidorm ook steeds vaker naar Barcelona. Wie daar als Nederlander onverhoopt ziek wordt, kan terecht bij een Spaanse arts. Het consult moet volgens Europese regels worden vergoed door de Nederlandse zorgverzekeraar. Zo dichtbij is Spanje, dat na de aanslagen in Madrid werd betoogd dat dit nu ook een aanslag op `ons' was.

Het kostte nog geen twintig jaar. Spanje is in 1986 lid geworden van de Europese Unie en is onder invloed van de toelatingseisen, de daaropvolgende integratie en de miljardensubsidies in hoog tempo gemoderniseerd. Zozeer, dat de subsidies flink in omvang zullen afnemen. Het geld moet nu naar het oosten. Wat vervolgens de vraag opwerpt: zal er in die landen en in onze houding ten opzichte van die landen net zoveel veranderen? Zullen we Sloveense mode kopen, weekendjes naar Krakow vliegen, ons zonder problemen in een ziekenhuis in Boedapest laten behandelen?

Nóra, Karolina of mijn dochters verwachten niet anders.

Voor hun grootouders zou het een wonder zijn.

Zij kennen een heel ander Europa. De overgrootmoeder van de Hongaarse Nóra verloor haar man in de Tweede Wereldoorlog, toen hij met de Duitsers ten strijde trok tegen de Russen. De oma van de Poolse Karolina heeft nog schrijnender herinneringen. ,,Ik ben in februari 1922 in Duitsland geboren. Drie maanden later woonde ik opeens in Polen.'' Na de Eerste Wereldoorlog mocht de streek waar haar ouders woonden per referendum beslissen of het bij Duitsland of bij Polen wilden horen. Ooms en tantes woonden toen ineens niet meer in hetzelfde land. En in 1939, toen de Tweede Wereldoorlog begon, stonden neven tegenover elkaar.

Ook de oudere leden van mijn familie hebben het, als ze het over de Duitsers hebben, in de eerste plaats over de oorlog. Laatst nog, op een begrafenis, werd tijdens de dienst gememoreerd hoe de overledene destijds één van de Drie van Breda recht in de ogen had gekeken. Als jochie heb ik er op school en thuis veel over mogen horen. Ook dit: zelfs als we het zouden kunnen betalen, kochten wij geen Mercedes. Tientallen kinderboeken heb ik verslonden waarin Duitsers de wreedheden begingen. Ik vocht in 1974 als twaalfjarige mijn eigen oorlog met ze uit. (Het duurde maar anderhalf uur en we verloren met 2-1.) Eenmaal student kreeg ik een vriend die in 1973 met zijn ouders uit Chili naar Nederland was gekomen. Hij had zich zo aan zijn nieuwe vaderland aangepast dat hij weigerde over de Duitse autobaan te rijden.

Later ben ik bijgedraaid. In Europa en de wereld bleek Duitsland vaak aan dezelfde kant als Nederland te staan. Het was onze belangrijkste handelspartner bovendien. Ook moest ik toegeven dat er onder Duitsers net zoveel aangename als onaangename mensen bleken te zijn als elders. Dat laatste moest ik van mijn vrouw, die uit Brussel kwam en op de Europese school had gezeten. Daar hadden ze geen vaderlandse geschiedenis. Toen ik in 1988 moest huilen van geluk (we wonnen met 2-1) zag ze dat hoofdschuddend aan. Het mocht nog net, omdat het voetbal was. Over dat andere moest ik nou eens ophouden.

Inmiddels rijdt een van mijn beste vrienden een Mercedes. En ik vertel mijn kinderen heel anders over de oorlog. Zij houden trouwens erg van Duitsland, mijn kinderen. We zijn er met vakantie geweest en ze hadden er heerlijke appelsap. We hadden zelfs een tijdje een Duits buurmeisje, haar vader werkte voor Europol. Inmiddels zijn ze weer verhuisd, maar ansichtkaarten sturen de meisjes elkaar nog steeds.

Allemaal met dank aan de Europese integratie, zou mijn schoonvader nu zeggen. U kent mijn schoonvader niet. Maar in het onlangs verschenen boek `In Europa' laat Geert Mak vanaf bladzijde 833 Max Kohnstamm aan het woord, Europeaan van het eerste uur. Die klinkt precies als mijn schoonvader. Tot en met het aanhalen van Thucydides, wat mijn schoonvader ook graag mag doen. Luister: ,,Thucydides beschrijft de omgang tussen staten als een wereld waarin de sterken doen wat ze willen, en de zwakken lijden wat ze moeten. Macht en overheersing vormen de basis van dat systeem, zelfs al is daarbinnen een balans bereikt. Maar noch de hegemonie van een bepaalde superstaat, noch de pogingen om door machtsevenwicht oorlogen te voorkomen, hebben ooit voor duurzame vrede gezorgd. De grote vraag luidt; is het mogelijk in de internationale verhoudingen `macht' als ordenend principe te laten vervangen door `recht'?'' (Geert Mak, In Europa, blz. 845).

Voor mijn schoonvader en de Europeanen van zijn generatie is het antwoord duidelijk: dit is in de Europese Unie toch aardig gelukt.

In 1950 was dat allemaal nog ver weg. De oorlog was nog overal zichtbaar, en minder zichtbaar maar minstens zo aanwezig was het onderlinge wantrouwen. Tussen Fransen en Duitsers, tussen Engelsen en Fransen, tussen Engelsen en Duitsers. Het was ook de tijd, trouwens, dat de grootouders van Karolina en Nóra hun landen in handen van de Russen zagen vallen. Mijn schoonvader, toen net afgestudeerd in Rotterdam, moest kiezen tussen een zekere en mooie loopbaan bij Philips, of een onzeker avontuur bij de volslagen onbekende Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. In Luxemburg nota bene, een hele dag rijden. Je bent gek, zeiden ze. Hij herinnert zich het allemaal nog als de dag van gisteren, dat `bouwen aan Europa'. En hij gebruikt aan tafel vaak het woord `uniek' om te beschrijven wat er allemaal bereikt is.

Nou ja, het is waar, knikt de jongere generatie dan. Oorlog met Duitsland of Frankrijk is ondenkbaar. En als ze tóch iets proberen, gaan we naar het Hof van Justitie. Het zou natuurlijk mooi zijn als nu hetzelfde zou lukken in Oost-Europa. Maar bij ons ís het bereikt, wij kennen niet anders, en daarom is het meteen al een beetje minder bijzonder.

Zijn oudste zoon is inmiddels zelf directeur bij de Europese Commissie. In de voetsporen van vader, zou je kunnen zeggen, maar als hij erover vertelt, klinkt het al minder romantisch. Het gaat over belangen, over onderhandelen met steeds meer gesprekspartners, over geld en macht. En, inderdaad, ook wel eens over vriendjespolitiek, schandalen en bizarre besluiten. Het ideaal is er nog wel, maar de praktijk is zoveel ingewikkelder geworden. Het is nu in de eerste plaats een baan, werken aan Europa. Een mooie baan, maar een baan.

,,Het is nu echt heel anders dan in uw tijd hoor'', zegt hij vaak.

Dat is precies wat de oudere man zoveel zorgen baart. ,,Jullie beseffen niet meer hoe bijzonder open grenzen zijn, welvaart, vrede.'' En het ergste is, zo begint hij dan, straks beseft niemand meer hoe het tot stand is gekomen. Níet door samenwerking tussen nationale regeringen, waar je ministers tegenwoordig zo vaak over hoort, want dát betekent in de praktijk uiteindelijk toch het recht van de sterkste. Maar door integratie: het overdragen van reële macht door landen aan nieuwe gemeenschappelijke instellingen die vervolgens beslissen in het belang van iedereen. Hij heeft het verschil in zijn leven al duizenden keren uitgelegd, en hij zou het nog duizenden keren doen als hij zou kunnen, maar hij is 77 en zijn stem wordt zwakker. Op de televisie horen de mensen over `Brussel' dat geld uitgeeft en regels over ladders oplegt. De politici en ambtenaren die zelf die besluiten helpen nemen staan met de handen omhoog: wij kunnen er ook niks aan doen. Wie neemt er nog verantwoordelijkheid? En wie legt het nog uit?

Dan is het meestal tijd om de tafel af te ruimen.

Hij heeft inmiddels een heleboel kleinkinderen. De oudste dochter van de oudste zoon studeert in Leiden, deed vakantiewerk in Duitsland, heeft of had een Oostenrijks vriendje, en bracht onlangs in het kader van het Erasmus-programma een semester door in Manchester. En dat vindt ze eigenlijk heel vanzelfsprekend.

Nu u het zegt; net Nóra en Karolina.

`Jullie beseffen niet meer hoe bijzonder open grenzen zijn, welvaart, vrede'