De hemel van Jan Blokker

Een vreemd tijdperk. Vreemde talenten heeft dit volk, opperde ooit dichter Gerrit Komrij. Komrij zwijgt net als Paul Cliteur. In plaats van Komrij vroegen de kunstzinnigen van NRC Handelsblad aan Ilja Leonard Pfeiffer een nationaal gedicht te schrijven over het overlijden van koningin Juliana. De leegte die Komrij heeft achtergelaten, was met het esthetisch lelijke en nogal zielloze proza van Pfeiffer op een buitengewoon pijnlijke wijze zichtbaar. Pfeiffer is een natuurtalent in het vertonen van een antipoëtische geldingsdrang die slechts in een land als Nederland, met haar jonge literatuurgeschiedenis, kan bloeien en groeien. De sheriffs van middelmaat, de platte pornoschrijvers zoals Pfeiffer, mogen in deze leegte de troon van de literatuur bestijgen. Wie niet zijn of haar hoofd op de aarde der woorden kan leggen, teneinde naar de innerlijke muziek en getuigenis van woorden te luisteren, moet zich tot een andere sector van de economie wenden. Een grote dichter als Lucebert, die óók regelmatig de uiterste grenzen van de poëzie bereikte, dichtte waarschuwend tot ons:

een dichter dringt door tot de aarde

tot een binnenstad een salon

tot een café

(...) wij gaan met lome oren luisteren

naar de hitte der duisternis

naar de waarheid

Lucebert eindigt zijn gedicht met twee dodelijke klassieke gedachten:

ik ben een woord

ik ben buitennissig

Een vreemd tijdperk. De onsterfelijke koningin gaat dood, de dichter en columnist-wetenschapper capituleren. Drie J's die zich bijna gelijktijdig lieten gelden, hebben mij in de war gebracht: J van koningin Juliana, J van de goddelijke Jomanda en J van Jan Blokker, de super-autochtone columnist. Wat moeten we met deze toestand aan? Daarvoor ga ik een visioen oproepen. Terwijl ik vreemde woorden uitspreek, wrijf ik over de lamp van Alladin. Al Nasr, Wal Nasr, Wel Nasr, Zarabo, Zarabtoma, Zarabtom, Abdel, Abdol, Allah. Ten slotte verschijnt het visioen: Jan Blokker komt bij de heilige Petrus aan. Na de uitwisseling van beleefdheden beginnen ze met een belangwekkende conversatie. Petrus legt Blokker uit dat er drie hemelen zijn: de eerste is van Mohammed waar hij in de woestijn zijn volgelingen en slachtoffers ontvangt.

De tweede hemel is die van de joden. ,,Dat lijkt me héél gevaarlijk,'' zegt Blokker. ,,Hoezo?'' vraagt Petrus. ,,Nou, dat ze gescheiden zijn van de mohammedanen,'' antwoordt Blokker. ,,De derde hemel'', legt Petrus uit, ,,is de christelijke hemel, ook wel de hemel van de latere joden genoemd.'' Hier moet ik zijn, denkt Blokker: ,,Wordt hier ook de Volkskrant uitgegeven?''

Jaknikkend benadrukt Petrus dat er een aparte afdeling is voor links. ,,Dat is een links kapelletje waar de socialisten en postmoderne kapelaans hun kranten uitgeven,'' legt hij uit. ,,Daar zitten de mensen die geen boeken lezen.''

Blokker: ,,En rechts? Waar zitten zij?'' Hij schaterlacht. ,,Zeker in de hel!''

Petrus: ,,Overal. Begin maar bij Christus. Hij zei namelijk dat hij aan de rechterkant van de Vader zal zitten. God is gewoon rechts, dat geldt ook voor Mohammed, hij sliep namelijk op zijn rechterzij.''

Blokker: ,,Ik heb een eredoctoraat bij me, kan ik dan naar de filosofische afdeling gaan? En hoe zit het overigens met die moslimhemel?''

Petrus: ,,Hier laat de filosofische faculteit alleen de gediplomeerde filosofen toe en een eredoctoraat telt niet mee, want Arafat en de sjah van Perzië hebben ook een dozijn van dit soort oorkondes. Naar de moslimhemel kan je niet, die is overvol en gevaarlijk. Sjeik Yassin is een paar dagen geleden aangekomen en op bevel van Mohammed moet hij in een aparte tent verblijven waar hij door de voormalige strijdmakkers van Mohammed wordt bewaakt. Al die arme donders (de martelaren), die hij de dood heeft ingejaagd, mogen namelijk de hemel niet in. Ze zijn boos op Yassin. Mohammed verlangt van de martelaren dat ze eerst de hemel van de joden moeten veroveren. Het leven en zelfs de dood is een permanente jihad.''

Blokker:,,In Nederland nemen de Jihad en het racisme toe.''

Petrus: ,,Ja, ik heb recentelijk gelezen dat een paar buitenlanders proselieten maken onder blanke Nederlandse intellectuelen. De schrijver van die tekst vroeg zich dan ook af: wie deelt in Nederland überhaupt nog de lakens uit?''

Blokker: ,,U ziet het, de jaren dertig komen weer terug! Onbeschofte fascisten!''

Petrus: ,,In diezelfde tekst staat geschreven dat een geboren Iraniër, een geboren Algerijnse Fransman en een geboren Somalische daar de meeste aanspraak op maken, en dat is maar goed ook als je nagaat hoe wij autochtonen het er vóór, tijdens en na Paars bij hebben laten zitten.''

Blokker: ,,Het kan niet anders of deze tekst is van de hand van onze eigen Mussolini, de verschrikkelijke Pim Fortuyn.''

Petrus: ,,Welnee, deze tekst is van u afkomstig! Waarom heeft u nooit een loftekst geschreven over Folkert van der G?''

Blokker: ,,Maar meneer, ik ben noch een schrijftafelheld, noch een activist. Ik ben gewoon verslaafd aan de jaren dertig, het is de zin en zaligheid van mijn ziel! Ik ben de ridder, de aristocraat van de jaren dertig. Ik ben de jaren dertig, zoals Harry Mulisch de Tweede Wereldoorlog is.''

Petrus: ,,Goede genade! Als u alles reduceert tot het fascisme, wat heeft u dan tegen die Algerijnse man Ephimenco? Die heeft daar toch niets mee te maken?''

Blokker: ,,Hij is irritant lang. Althans langer dan ik.''

Petrus:,,Nou, hier baal ik van! Dit is precies jullie probleem: de een is langer; de ander gediplomeerder; de een moediger en de ander ziet er knapper eruit. Dat is rancune. Ik ben jullie, het besodemieterde rancuneuze volk meer dan zat. Ondraaglijke hypocrieten zijn jullie! En nu komt mijn vonnis: U kunt, óf naar de afdeling jaren dertig gaan, waar de echte Mussolini's en Hitlers rondlopen. Of terugkeren naar uw wraakzuchtig nest. Nederland is een rancuneus oord voor Jan en alleman!''