De graven moesten vol

Tien jaar geleden werd in het CentraalAfrikaanse land Rwanda de grootste slachting aller tijden aangericht. Honderdduizenden burgers werden met kapmessen afgemaakt. De moordenaars waren buren, vrienden, soms zelfs eigen familie. Waarom?

Jeroen Corduwener bezocht Rwanda vele malen. Maar ook hij blijft gissen naar het antwoord.

Ze waren gekomen omdat hun dat was gevraagd, of liever gezegd: opgedragen. De directrice van de school had uit de kaartenbak zes namen gekozen en dus zaten op een namiddag zes jonge vrouwen aan een lange, rechthoekige tafel in een verlaten klaslokaal. De zon scheen door de schuine lamellen, maar had haar sterkste kracht verloren. De schooltijd was voorbij, vanaf de cour woeien stemmen van andere scholieren naar binnen. Maar hier, in de muffe geur van oude boeken, krijt en stof, heerste een stilte die me de keel dichtsnoerde.

Het was eind 1994, kort na de oorlog. Ik wilde weten hoe jonge mensen zich een nieuw leven voorstelden, een toekomst, in een land dat zojuist de hel had overleefd. Ik had daarover de afgelopen weken gepraat met wezen, weduwen, gevangenen, slachtoffers, overlevenden. Toonloos gaven ze antwoord op mijn vragen, met gezichten die geen gevoel uitdrukten en met holle blikken in lege ogen. Ze murmelden, alsof ze in zichzelf praatten en mijn aanwezigheid niet opmerkten.

Ze zaten tegenover me, maar ze waren niet aanwezig, ze leefden met hun doden. Ze hadden gezien, gehoord, geroken en gevoeld hoe hun familie, hun buren, hun vrienden werden afgeslacht. Langzaam, slag na slag met kapmessen, de machetes, tot het bloed en het leven uit hun lichamen verdwenen, tot gekrijs en gehuil verstomden, de stilte en de stank neerdaalden.

Dat was gruwelijk geweest. Maar nog gruwelijker was dat de moordenaars hun vrienden waren geweest, hun buren, een enkele keer zelfs familie.

In het lege klaslokaal stelde ik opnieuw dezelfde vragen. Mijn vragen klonken routineus, emotieloos. Wie heeft er familie verloren? Wie zijn er gedood? Wanneer gebeurde dat? Wie hebben dat gedaan? Hoe heb je kunnen ontsnappen? Hoe heb je kunnen overleven? Het waren verkeerde vragen, op een verkeerde plek, op een verkeerde tijd, gesteld door een verkeerde journalist.

De zes jonge vrouwen gaven machinaal antwoord.

Ze gaven feiten, cijfers. Ze regen uiteengereten families aaneen als bij een goed gedrilde overhoring. Vader dood, moeder verkracht, broer vermist, zus verloren. Elk antwoord sneed door mijn ziel. Ik schaamde me, omdat ik besefte dat Rwandezen niet graag vertellen over het verlies van hun vaders, moeders, zonen, dochters, broers en zussen. Het was hún verdriet, hún pijn en ze wilden die niet delen met bazungu (blanken) zoals ik.

Arcadisch land

Voor mij was de genocide een woord van acht letters. Het stonk niet naar de dood. Ik was er niet bij in die drie dramatische maanden van het regenseizoen, tussen 7 april en 7 juli. Toen ik enkele maanden later voor het eerst voet zette op Rwandese bodem, was er niets meer te zien van de Apocalyps. Rwanda oogde weer als een arcadisch land, het Zwitserland van Afrika, Land van de Duizend Heuvels. Voor mijn ogen ontrolde zich een schitterend groengrijs panorama van heuvels, tot op de toppen bewerkt en bezaaid met kleine bruine akkertjes, beige hutjes en huisjes, opgetrokken uit leem en rode baksteen. Het rook er naar smeulende houtskool en verse aarde en overal kwetterden zachte stemmetjes. Geen plek was onbewoond of verlaten, Rwanda is het dichtstbevolkte land van Afrika.

Ik reed vanuit de hoofdstad Kigali naar het noorden, naar Muramba. Een dorpje hoog in de bergen, op de flank van een heuvel, een brede straat vol stof en gaten met links en rechts schots en scheef gebouwde winkels en huisjes, een verlaten decor voor een western. De weg voerde langs adembenemende uitzichten, door diepe valleien, over steile heuveltoppen, met ver beneden wild stromende rivieren. Kinderen stonden langs de weg te zwaaien, jongens hoedden koeien en geiten, vrouwen zwoegden op de akkers en mannen rookten pijp naast grote kruiken bananenbier.

In Muramba wachtte de directrice van de middelbare school mij op. Zij had de tafel gedekt met soep, wortelen, bonen, aardappelen, vlees, tomaten, sla, pompoenen, bananen en huisgemaakte taart. Na deze welvoorziene dis bracht ze me naar de zes studentes van de hoogste klas. Het begon als een ijzige conversatie. Zes donkere, jonge vrouwen tegenover één witte verslaggever. Totdat een van hen de rollen omdraaide en míj vragen begon te stellen. Eerst zat Pauline er kapot en ineengedoken bij, maar plotseling veerde ze op. Haar verdriet maakte plaats voor woede, haar angst werd trots. Met haar eenentwintig jaar was Pauline een mooie vrouw. Ze had haar schooluniform witte blouse en groene rok een eigenzinnig cachet gegeven met een fleurig sjaaltje om haar hals. Haar ogen dwongen aandacht af.

'Moi, je suis déplacée.' Ze sprak het laatste woord uit met een cynische ondertoon. Plak iemand een etiket op en het probleem is opgelost, dat klonk door in haar stem. 'Ik heb vier maanden met mijn broertje door Rwanda gezworven. Ik was bang, natuurlijk was ik bang, doodsbang, want op mijn identiteitskaart stond dat ik een Tutsi was. Toen ik thuiskwam, was iedereen vermoord.'

Met een grimas probeerde ze haar tranen weg te duwen. 'Wat moet er gebeuren met de Interahamwe (Hutu-moordeskaders) die mijn moeder en mijn zusje hebben vermoord? Kunnen ze doorgaan met moorden, zoals nu het geval is? Mogen ze weer Tutsi's en Hutu's scheiden, zoals ze hier doen? Of moeten ze worden opgepakt door de soldaten? Maar zijn ze daarmee ook gestraft?'

Hoe kun je leven naast de moordenaar van je moeder, je broer, je zus, je familie? Pauline staarde naar een knoest in het hout van de tafel. 'Zijn er moordenaars van de genocide in Europa?', vroeg ze. 'Wat doen de mensen in Europa met die moordenaars? Worden ze gevangengezet? Is er ergens een oplossing voor de moordenaars van de genocide? Want wij kunnen dit niet alleen oplossen. We hebben hulp nodig', hamerde ze boos en wanhopig.

En om te laten zien dat de geschiedenislessen niet aan haar voorbij waren gegaan, vroeg ze ten slotte: 'Hoe leven jullie met de Duitsers, na ruim vijftig jaar? Vous n'aimez pas les Allemands, n'est ce pas? En hoe kunnen jullie dan van ons verwachten dat we hier gewoon de draad weer oppakken, na alles wat er is gebeurd?'

Het werd nog een lang gesprek. De zon had al plaatsgemaakt voor een helder brandend peertje aan het plafond van zachtboard. Alle zes wilden graag doorstuderen aan de universiteit en voor de diploma-uitreiking vroeg Pauline alvast een nieuwe rok en blouse, in de kleurviolet. Na uren praten gingen we naar de eetzaal, waar 104 andere scholieren op ons wachtten. De zes jonge vrouwen schoven aan en schepten wit-emaille borden vol rijst en bruine bonen, de maaltijd van elke middag en elke avond. Daarna studeerden ze in hun schoolboeken in het gele licht van de buitenlampen tot het tijd was voor de laatste avondmis van negen uur. In de schoolkapel las de directrice uit de bijbel en bij een volle maan zongen 110 stemmen zacht maar helder in de donkere nacht.

Paradijselijke enclave

Ondanks de aangrijpende verhalen kwam deze middelbare school in Muramba mij voor als een paradijselijke enclave in een verscheurd en gebroken Rwanda. Dat was vooral de verdienste van Griet Bosmans, de directrice, een kranige Vlaamse dame, aan wie niet te zien was dat ze de zestig al was gepasseerd. Griet woonde al meer dan 35 jaar in Rwanda, sprak de lokale taal vloeiend en was als een moeder én een hoedster voor haar 110 meisjes, die bijna allemaal intern zaten. Zo klein als ze was, haar ogen en haar stem stuurden de hele school en er was geen leerling die haar niet vreesde en aanbad.

Griet voedde hen op in een sfeer van verdraagzaamheid, solidariteit, geweldloosheid en een sterke christelijke naastenliefde. Ik woonde een les maatschappijleer bij, waar ze sprak over 'rechtvaardigheid, zoals Martin Luther King en Gandhi de wereld hebben geleerd'.

Griet legde de leerlingen van de hoogste klas uit dat sommigen geweld zien als oplossing tegen onderdrukking en racisme. De studentes keken stil voor zich uit naar het schoolbord, waar de directrice met wit krijt 'Répression' op had geschreven.

Er zinderde iets in de klas, alsof de directrice een zenuw had geraakt. Niemand zei wat, niemand deed iets en Griet bleef even vriendelijk naar haar studentes glimlachen als voorheen. De schoolbel luidde, de stoelen krasten over de vloer en enkele minuten later klonk alleen het gekwetter van vogels op het golfplaten dak.

Die middag reisde ik terug naar Kigali, met het adres van Pauline op zak. Enkele maanden later schreef ze zich in op de universiteit, ze haalde glansrijk het toelatingsexamen en koos voor de faculteit sociale wetenschappen. Ze werkte aan haar toekomst. We hielden contact.

Vriend of vijand

Pas jaren later hoorde ik wélke zenuw er die middag in de les maatschappijleer van de directrice was geraakt. In de intimiteit van haar studentenkamer groot woord voor een houten hok van spaanplaat met twee bedden voor vier meisjes vertelde Pauline me fluisterend over de donkere maanden die voorafgingen aan de genocide, toen dat woord nog niet bestond in Rwanda.

Op de middelbare school in Muramba jouwden Hutu-leerlingen Tutsi-vriendinnen uit. Op een avond slopen de Hutu-meisjes naar de keuken en stalen zij messen uit de rekken. Ze slepen die buiten in het grind. Over het doel van hun actie deden ze allerminst geheimzinnig. 'Ze zouden ons vermoorden', vertelde Pauline. De Hutu-meisjes wachtten tot de duisternis viel en kwamen bij elkaar in een van de slaapzalen. 'We waren doodsbang', zei Pauline. 'Het was geen grap, het was serieus. Ze wilden ons, Tutsi's, afmaken.'

Iemand slaagde erin de directrice te waarschuwen, die elders op het terrein sliep. 'Ze kwam onmiddellijk en is vreselijk tegen de Hutu-meisjes tekeergegaan. Alle messen heeft ze ingenomen. Ik weet niet wat er zou zijn gebeurd, als ze niet was gekomen.' Pauline keek naar de grond en toen naar mij. 'Je kunt je er geen voorstelling van maken hoe we in die tijd in Rwanda hebben geleefd. Vriendinnen met wie we gewoon in de klas zaten, waren plotseling vijanden. Niet zomaar vijanden, maar letterlijk doodsvijanden.'

Ik was verbijsterd. Om het verhaal dat Pauline vertelde, maar ook omdat ze dat jarenlang verborgen had gehouden. Zelfs nadat ik in Muramba was geweest, waar ze na de oorlog was teruggekeerd en waar dezelfde leerlingen die elkaar naar het leven hadden gestaan, weer in de rij wachtten, twee aan twee, om de klaslokalen binnen te marcheren, zoals in Rwanda gebruikelijk is.

Samen leven, samen lijden, samen strijden waren begrippen die in Rwanda een eigen betekenis hadden. Rwandezen leven van wat de grond opbrengt, hun urugo, het veldje of kraal, vaak niet groter dan honderd bij honderd meter. Daarop verbouwen ze hun maniok, hun bananen, hun bonen, hun aardappelen, soms wat koffie voor de verkoop, een enkele fruitboom. En daarvan eten ze het hele jaar door, hopend en biddend dat de regen op tijd komt en weer op tijd stopt, dat de droogte niet te kort maar ook niet te lang duurt, zodat de gezaaide gewassen groeien tot er geoogst kan worden. Soms ging het mis en dan leden ze honger. En dan deelden ze samen, de honger en het voedsel. Rwandezen waren arm, maar in samen delen waren ze rijk, héél rijk.

Deze ogenschijnlijk hechte samenleving spatte op 7 april 1994 uiteen. Alles wat levend en dierbaar was, werd verwoest in een feilloze militaire operatie, strak geleid en met duivelse precisie. De jeugdmilities, de paramilitairen, het reguliere leger, de gendarmerie, de legerleiding, de interim-regering, de gouverneurs, de burgemeesters en de wijkchefs, de verantwoordelijken op lokaal niveau, iedereen werkte mee en wie dat niet deed werd zelf vermoord.

Iedereen deed wat hem of haar was opgedragen. Met granaten, mortieren, geweren, pistolen en vooral met machetes, de hakmessen voor het werk op het land, die in de voorbije maanden met honderdduizenden extra waren ingevoerd, naïef gefinancierd door de Wereldbank wat een nijver agrarisch volkje toch, die Rwandezen. Het was de best georganiseerde en kortst durende massaslachting ooit. Burgers vermoordden andere burgers, omdat hun regering dat had bevolen en hun daarin voorging. Toen ik in 1994 voor het eerst door Rwanda reisde, had ik maar één vraag op zak: waarom? Uit westers perspectief was dat een logische vraag, maar in de tropische warmte van Rwanda klonk die vraag als een onbeduidend kreetje. In de tien jaar die volgden besefte ik gaandeweg dat 'waarom?' niet bestond. Niet dat de Rwandezen onwillig waren, integendeel.

De meesten putten zich uit in uitvoerige historische beschouwingen, die teruggingen tot in de vroegste koloniale tijd, en een enkeling waagde zich zelfs aan de periode vóórdat achtereenvolgens de Duitsers en de Belgen bezit hadden genomen van het hooggebergte in het hart van Afrika. Ze schetsten een geschiedenis waarin Hutu's en Tutsi's aanvankelijk vreedzaam naast elkaar leefden en hoe de koloniale machten die verhoudingen dooreen hadden geschud, waardoor náást elkaar ónder en bóven elkaar werd. De Belgische bazen karakteriseerden Tutsi's als een superras. 'Als het ons om het werkelijk belang van het land gaat', schreef de koloniaal resident Georges Morthean in de jaren '30 van de vorige eeuw, 'beschikken we met de Tutsi-jeugd over een instrument zonder weerga om vooruit te komen. Als geboren chefs bezitten zij de gave over het bevel.'

Zo werd de haat tussen Hutu's en Tutsi's geboren. Dat leidde tot spanningen, tot conflicten, de eerste moorden, de eerste vluchtelingen. Het geweld tegen de Tutsi's werd gewroken en daarna weer het geweld tegen de Hutu's, een gierende spiraal van angst, haat en doden. Dat ging zo decennia door tot de Hutu's op 7 april 1994 massaal afrekenden met alles en iedereen die Tutsi was of daarmee sympathiseerde.

Anderen zochten de verklaring voor de genocide in het meerpartijenstelsel dat Europa aan het begin van de jaren '90 aan Rwanda had opgedrongen François Mitterrand voorop, een persoonlijke vriend van de toenmalige president Juvénal Habyarimana. Door deze democratische opleving waren de tegenstellingen tussen Hutu's en Tutsi's aangescherpt. Politieke partijen werden geen afspiegeling van de bevolking, zoals de Europeanen hadden bedoeld en voorzien. Integendeel, de Rwandese elite gebruikte hen als dekmantel voor extremistische opvattingen, paramilitaire bewegingen, bewapende jeugdmilities.

De politici en de bevolking werden opgezweept door de vrije pers, die ook door datzelfde democratische Europa was afgedwongen onder dreiging van het intrekken van ontwikkelingshulp, het levensinfuus van Rwanda. Berucht werd in die dagen Radio Télévision Libre des Mille Collines. Later is het station veroordeeld om de racistische uitzendingen, die aanzetten tot haat, vervolging en uiteindelijk genocide op de Tutsi's: 'De graven moeten vol!!!'

Bij liters Primus-bier deden mijn Rwandese vrienden, kennissen en andere gespreksgenoten mij hun historische en politieke beschouwingen uit de doeken. We praatten uren aaneen, met schalen vol geitenbrochettes en geroosterde bakbananen, geserveerd met frites en veel mayonaise, een onuitroeibare erfenis uit de Belgische koloniale tijd. Ik luisterde, ik noteerde en in de jaren die volgden begreep ik dat hun verhalen weliswaar de werkelijkheid dienden maar haar tegelijkertijd verbloemden. Ik maakte gaandeweg kennis met de Rwandese vertelcultuur waarin de waarheid niet vooropstaat.

Duizend Leugens

Wantrouwige en gedesillusioneerde westerlingen

Belgen vooral hadden mij wel eens wat misprijzend en cynisch hun variant op 'Rwanda, Land van de Duizend Heuvels' gegeven: 'Rwanda, Land van de Duizend Leugens'. Ik had dat altijd als een wrokkig en wat racistisch trekje beschouwd en hoewel ik nog steeds slecht met dergelijke kwalificaties overweg kan, besef ik wel dat Rwandezen niet zo simpel te volgen zijn als Europese journalisten wel zouden willen.

In Rwanda is het de kunst om tussen de regels door te lezen en te luisteren. Niet alleen is het lokale kinyarwanda moeilijk te vertalen, want zelfs die enkele blanke die de taal wél verstaat, raakt verstrikt in dubbele bodems en andere betekenissen. Rwanda verschilt van andere Afrikaanse landen, omdat hier de vertelcultuur tot kunst is verheven. De werkelijkheid verhullen is geen schande maar een gave. Een bekend Rwandees spreekwoord luidt: 'Wat zich in de buik van de trom bevindt, is slechts gekend door de ritualist en de eigenaar.' Dat betekent: 'Alleen de spreker kent de betekenis van zijn woorden.'

Taal wordt niet gebruikt zoals wij in Europa gewend zijn. De meeste blanken in Rwanda begrijpen daar niets van. Dat verklaart waarom zij in de maanden voorafgaande aan de genocide niet in de gaten hadden wat zich rond hen afspeelde. Een Rwandees geeft nooit zomaar spontaan een antwoord op een vraag. Hij vraagt zich eerst af wat met die vraag wordt bedoeld, waaróm die vraag wordt gesteld. Van belang is dat zijn belangen niet worden geschaad, maar ook die van zijn gesprekspartner niet. De relatie tussen hen mag niet lijden onder woorden. Een vriend is even belangrijk als een vijand, beiden worden even vriendelijk bejegend en voor beiden kan dat iets anders betekenen.

Ik vond het maar ingewikkeld, vermoeiend en frustrerend. Wie moest ik nou nog geloven en wie niet? Als ik soms met kennissen aan bier en brochettes zat, en het gesprek in het zangerige kinyarwanda overging, riep ik voor de grap, maar ook geërgerd uit: 'Misschien plannen jullie nu wel een nieuwe oorlog. Ik zit erbij en luister, maar begrijp er niets van!' Zo moet het ook de buitenlandse diplomaten en vn-militairen zijn vergaan, aan de vooravond van 'les événements', zoals de Rwandezen de genocide eufemistisch noemen.

Op een stille avond onder een gitzwarte hemel met een stralende sterrenpracht zei Bernardine, een Rwandese vriendin, dat ik niet moest wanhopen. De complexe taalcultuur had alles te maken met de Rwandese sociale structuur en de hiërarchische organisatie van de samenleving. Tussen de heuvels hing niet alleen de ongedwongen gemoedelijkheid van het boerenleven, maar ook het onderhuids wantrouwen. Nee, corrigeerde Bernardine mij, dat is geen gevolg van de oorlog. Het is misschien eerder één van de oorzaken. Iedereen groet hier iedereen, maar in de ogen schuilt altijd angst en achterdocht en dat verdampt pas als er mwiriwe (hallo) gemompeld wordt. Elk jaar in april, als de Rwandese regering massaal en pompeus de genocide herdenkt, laaien angst en wantrouwen weer heftig op tussen de heuvels. Buren groeten elkaar nauwelijks en blijven liever op hun eigen erf.

Die angst wordt gevoed, omdat iedereen hier alles weet van iedereen. Rwanda is een strak georganiseerde samenleving. Alles gaat top-down, van de president naar de provincies, vandaaruit naar de gemeenten, naar de wijken, naar de 'cellules' en ten slotte via de laagste administratieve eenheid nyumbakumi naar de familie. Elke Rwandees heeft altijd te maken met meerdere chefs, die letterlijk en hiërarchisch dicht bij elkaar staan: die van de nyumbakumi, van de cellule, van de wijk enzovoorts. Wie zoveel heren dient, wordt welhaast gedwongen tot verschillende versies van de werkelijkheid.

Maar hoeveel bazen er ook zijn, er is er maar één de hoogste. Tot ver in de koloniale tijd had de koning, de mwami, absolute macht, niet alleen hier op aarde maar ook in het hiernamaals. Toen Rwanda in 1961, net vóór de onafhankelijkheid, een republiek werd, werd die almachtige positie overgedragen aan de president. Formeel wordt die gekozen, maar veel keus is er niet en dus zegevierden álle presidenten tot op heden met resultaten die de honderd procent naderden.

Toen president Paul Kagame in 2003 na een zege van 95,5 procent zijn overwinningsrede hield, hekelde hij de 4,5 procent die níét op hem had gestemd. Zijn voorgangers Juvénal Habyarimana en Grégoire Kayibanda hadden immers in hun dagen 99 procent van de stemmen binnengehaald. In dit autarkische klimaat past geen oppositie. In het lokale kinyarwanda bestaat het woord niet eens, de vertaling die het dichtst in de buurt komt is: 'mensen die tegen ons zijn' of 'mensen die een andere taal spreken'. Het verklaart hoe de machthebbers tegen opposanten aankijken.

Vlaamse tussen Rwandezen

Hoe vaker ik in Rwanda kwam, hoe langer ik er bleef en hoe dieper ik in de samenleving doordrong, hoe minder ik ervan begreep. 'Waarom?', durfde ik allang niet meer te vragen. Maanden vóór de genocide groeiden in Rwanda de spanningen. Voor de meeste mensen in het Westen begon de oorlog in Rwanda op 7 april 1994 en eindigde ze drie maanden en honderdduizenden doden later. Maar voor de Rwandezen zelf was de hel begonnen op 1 oktober 1990, toen het Rwandese Patriotic Front (rpf) het land binnenviel en plek opeiste voor de verdreven Tutsi's, die toen al sinds 1959 in vluchtelingenkampen buiten Rwanda, vooral in Oeganda, woonden. De Tutsi-guerrilla's van de rpf vermoordden duizenden Hutu-burgers en dat was voor de Huturegering in Kigali het sein om op haar beurt duizenden Tutsi's af te slachten.

Het etnische conflict werd decennia lang genegeerd. Het Hutu-regime, corrupt, machtsbelust en gewelddadig dictatoriaal, had de zweer verwaarloosd door de Tutsi-vluchtelingen te verbieden naar hun vaderland terug te keren. En gevoed door de eigen bevolking meer dan 80 procent was Hutu op te zetten tegen de Tutsi's in het buitenland en daarmee natuurlijk ook tegen hun broeders in Rwanda zelf.

De haat tussen Hutu's en Tutsi's was geen eliteaangelegenheid, ze sijpelde door naar de samenleving. De boerenbevolking, voor tweederde analfabeet, liet zich gemakkelijk beïnvloeden. In haar studentenkamertje vertelde Pauline me hoe ook de middelbare school in Muramba werd geïnfecteerd door deze etnische tweespalt. De innemende directrice trad er met harde hand tegen op, maar ze legde het af tegen de haat die vanuit de heuvels het schoolplein opkroop. Voor het eerst in haar decennialange verblijf in Rwanda voelde Griet zich buitenstaander, een Vlaamse tussen Rwandezen. Daar kon ook haar perfecte kinyarwanda niet tegenop. In de les en in de kapel had zij het voor het zeggen, maar wat zich daarbuiten afspeelde, ontglipte aan haar gezag.

Op 23 oktober 1993 werd in de Burundese hoofdstad Bujumbura president Melchior Ndadaye vermoord door zijn eigen Tutsi-lijfwacht. Drie maanden eerder was Ndadaye als de eerste Hutu-president gekozen in de eerste vrije verkiezingen van het land. Zijn dood leidde niet alleen in Burundi tot etnische slachtingen tussen Hutu's en Tutsi's, ook in het naburige Rwanda liepen de spanningen hoog op.

En dus slepen de Hutu-leerlingen in Muramba de messen die ze 's nachts uit de keuken hadden gestolen om hun Tutsi-vriendinnen te vermoorden, naast wie ze enkele uren daarvoor nog gewoon in de schoolbanken hadden gezeten. De angst om zélf vermoord te worden won het van de redelijkheid, van de vriendschap en van alle andere woorden die ze van hun directrice hadden geleerd: rechtvaardigheid, solidariteit, christelijke naastenliefde.

De gealarmeerde Griet wist in 1993 ternauwernood een slachtpartij te voorkomen. Ze redde de Tutsi-meisjes het leven en onder de strenge blik van de directrice schoven ze daags daarna weer twee aan twee in de banken. Toen Pauline me het verhaal vertelde, dacht ik aan de woorden van Bernardine: 'Een vriend is in Rwanda net zo belangrijk als een vijand, beiden worden met dezelfde vriendelijkheid bejegend en voor beiden kan dat iets anders betekenen.'

Langzaam besefte ik dat Pauline me iets heel intiems had toevertrouwd. Dit ging over haarzelf, haar angst, haar haat, de bedreigingen, de redding. Maar ook over de sfeer op haar middelbare school in Muramba. En daarmee over heel Rwanda, al werd er in die maanden voorafgaande aan de Apocalyps nog niet gesproken over een genocide. Maar het geweld raasde al door het land en voor de slachtoffers maakte het geen verschil of dit de prelude was van iets nóg gruwelijkers.

Enkele weken na de mislukte aanslag op de school van Pauline werd haar moeder vermoord. Haar jongste zus, elf jaar, zag hoe mannen haar moeder bij de keel grepen en haar schedel insloegen met een houten knuppel met spijkerkoppen. Ze stierf enkele dagen later. Pauline kwam te laat voor haar sterfbed. 'Ik weet niet of ik dat eigenlijk wel erg vind', vertelde ze me. 'Ik heb haar niet meer levend gezien en geen afscheid kunnen nemen. Maar ik heb haar ook niet hoeven zien lijden.'

De vijf vulkanen

Na de moord op haar moeder ging Pauline terug naar school. Ze pakte de draad weer op, schijnbaar onbewogen, onverstoorbaar. Maar achter haar starende ogen gloeide en borrelde het. Soms spuwde ze vuur, om iets schijnbaar onbenulligs, maar dat had dan wel net per ongeluk die ene open zenuw geraakt.

Rwandezen kunnen hun emoties uitstekend verbergen. Goed of slecht nieuws, je loopt er niet mee te koop. Een Congolees die ik jaren later sprak, meende de genocide zo psychologisch te kunnen verklaren. 'Rwandezen zijn als hun vulkanen', sprak hij. In het noorden van Rwanda liggen vijf majestueuze vulkaantoppen, waarvan de hoogste tot 4.500 meter reikt. Ze zijn beroemd om de berggorilla's die daar leven. 'Jarenlang lijken ze gedoofd of misschien zelfs dood, maar dan opeens barsten ze uit, met gruwelijk geweld en lawaai en ze vernietigen alles om zich heen. Dat zijn Rwandezen.' Nee, dan Congolezen, snoefde hij, die schreeuwen, lachen, huilen en tieren, maar ze waren hun emoties tenminste wel direct kwijt.

Misschien heeft zijn psychologische theorie wel een kern van waarheid. Net als de theorie dat Rwandezen zo wantrouwend en gesloten zijn, omdat ze in een land met uitsluitend bergen leven. Wie in Rwanda van de ene kant van de heuvel naar de andere kant wil, moet er altijd omheen lopen. En je weet nooit wat je aan de andere kant aantreft. Roepen heeft geen zin. 'Het is een land zonder horizon', zei de Europese hoogleraar en mensenrechtenspecialist prof. dr. Hans Graus me eens, na een wekenlang bezoek aan Rwanda. Volgens hem was Rwanda daarom ook het enige land in Afrika zonder eigen maskercultuur. 'Die hebben ze niet nodig', zei hij fijntjes glimlachend.

Het zijn bespiegelingen en theorieën, soms met de beste bedoelingen. Maar vaker zijn ze geboren uit onmacht, frustratie en onbegrip, omdat ze de massamoord in Rwanda niet kunnen verklaren. Bibliotheken zijn er over volgeschreven, maar alle deskundigen hebben het van horen zeggen. Zij waren er niet bij, tussen april en juli 1994. En de enkeling die er in die periode wél bij was, was toeschouwer, geen dader of slachtoffer. 'Onze pijn is voor jullie alleen maar een verhaal', beet Pauline me eens toe. Cynisme kent geen grenzen. Een van de leidsters van de 'nacht van de messen' in Muramba kwam ik veel later tegen in Nederland. Ze had politiek asiel aangevraagd.

Cijferfetisjisme

Op een hete middag stelde ik de vraag voor de zoveelste keer in de stinkende cel van een gevangenis. Waarom? vroeg ik aan Gaspard, een gedetineerde, verdacht van deelname aan de genocide. Hoe hadden mensen honderdduizenden andere mensen kunnen vermoorden, met hun handen, met messen, hakkend, slachtend, met bloed in hun ogen, met bloed aan hun handen. Het ging me niet eens zozeer om de kleur van dat bloed en al helemaal niet om de rol van Gaspard.

In de bedompte ruimte viel een pijnlijke stilte. Toen begon Gaspard te dicteren: cijfers en feiten. Gaspard maakte er getallen van, en zo werd de massamoord tot cijferfetisjisme. Een droge opsomming van minuscule puzzelstukjes, die elk met elkaar in verband stonden, zonder ooit één complete puzzel te worden. Gaspard praatte in zichzelf, een mompelend en zangerig Frans. Hij probeerde mij nergens van te overtuigen, hij legde zijn eigen puzzel. De details verdrongen de werkelijkheid, maar welke werkelijkheid? Ik luisterde, maar hoorde steeds minder.

Op 28 april 1997 rolde een telexbericht binnen op het Nederlandse redactiekantoor waar ik die avond werkte. 'Extremisten hebben in de nacht van zaterdag op zondag een bloedbad aangericht in het Rwandese dorp Muramba', las ik. 'Zeventien leerlingen, de Belgische directrice en vier buren kwamen om het leven. De vermoorde directrice van de school is volgens de Rwandese autoriteiten de 62-jarige non Griet, die sinds 1960 in Rwanda woont.'

Volgens ooggetuigen stierf de Vlaamse, omdat ze zich letterlijk voor de kalashnikovs had geworpen die haar studentes bedreigden. Weer was ik verbijsterd. Om de dood van Griet. Om de moed van die kleine, grijze, kranige, bejaarde dame. Vergeefs predikte ze rechtvaardigheid en geweldloosheid, hoewel zij de laatste zou zijn om te erkennen dat het vergeefs was geweest. Ze werd begraven op het terrein van haar school in Rwanda, zoals ze had vastgelegd in haar laatste wil.

In 1997 was de genocide al drie jaar voorbij, maar in Rwanda gaat het moorden gewoon door. Honderdduizenden doden het juiste aantal is nog steeds niet bekend, maar schommelt tussen 800.000 en één miljoen hebben Rwanda in 1994 herschapen in een immense dodenakker. Niets en niemand bleef hetzelfde, behalve het moorden, dat gaat onverminderd door, tot op de dag van vandaag.

De genocide was een heftig, massaal en macaber intermezzo in een lange geschiedenis van moorden en vermoord worden. Misschien is dat wel het antwoord op de machteloze vraag: Waarom?

Jeroen Corduwener is freelance journalist. Hij reisde de afgelopen tien jaar frequent naar Rwanda, publiceerde daarover onder meer in NRCHandelsblad. Dezer dagen verschijnt van hem het boek 'Doodsangst, Levenskracht Rwanda tien jaar na de genocide in tien portretten', met foto's van Petterik Wiggers.

Petterik Wiggers is freelance fotograaf en reist al meer dan twee decennia door Afrika. Hij werkt regelmatig voor NRC Handelsblad.

[streamers]

Voor mij was de genocide een woord van acht letters.

Het stonk niet naar de dood.

Op een avond slopen Hutu-meisjes naar de keuken en stalen zij messen om de Tutsi's te vermoorden.

Bij liters Primus-bier deden mijn Rwandese vrienden en kennissen mij hun historische beschouwingen uit de doeken.

Langzaam besefte ik dat Pauline me iets heel intiems had toevertrouwd.

Volgens ooggetuigen stierf de Vlaamse directrice, omdat ze zich letterlijk voor de kalashnikovs had geworpen die haar studentes bedreigden.