`China is niet noodzakelijkerwijs een bedreiging'

Nergens ter wereld groeit de economie al zo lang zo hard als in China. In 25 jaar zijn 500 miljoen Chinezen geïndustrialiseerd. Hun lage lonen zullen decennialang de werkgelegen-

heid van de rijke industrielanden onder druk zetten. Eerste deel van een serie over de kracht en de risico's van China's nieuwe `sprong voorwaarts'.

Tienbaans is de autosnelweg naar Shenzhen. Dit is Californië niet, dit is China. Aan de rechterkant, gescheiden door palmbomen en strand, schittert de Zuid-Chinese Zee. In de verte ligt een vloot mammoetschepen, hoog opgetast met containers. Op deze zondagmorgen is het druk op de weg, vrijwel allemaal gloednieuwe auto's. Dit is Guangdong, China's rijkste provincie, waar bijna een kwart eeuw geleden het `socialisme met Chinese karakters' aan zijn expansie begon. Een expansie die als een vloedlijn langzaam maar onweerstaanbaar over het land optrekt, eerst naar het noorden, dan, zo wensen de Chinese machthebbers, naar het uitgestrekte, nu nog straatarme westen.

Ontelbare bouwkranen bewegen hun armen boven een voorstad in aanbouw: in China wordt zeven dagen per week gebouwd. Meer en meer viaducten kruisen de weg, soms twee, drie boven elkaar. Wolkenkrabbers doemen op. Langs brede boulevards houden modieus geklede Chinezen pantoffelparade. Hier en daar rijdt een enkele Chinees op een fiets.

Opeens is zijn lachende hoofd te zien. Bij een park in het centrum prijkt de kleine man in blauw Maopak op een groot billboard met achter hem de skyline van de stad. `Volg de Partijlijn, voor 100 jaar stabiliteit' staat er in het Chinees. Deng Xiaoping is nog altijd zeer populair onder de Chinezen, want aan hem danken zij hun welvaart en vrijheid, zeggen ze, al is die vrijheid natuurlijk ook één met Chinese karakters.

Shenzhen met zijn ruim 7 miljoen inwoners ligt tegen de kont van het hoogkapitalistische Hongkong. Die nabijheid deed de machthebbers in 1980 besluiten om van Guangdong en de aangrenzende provincie Fujian de drijvende kracht van China's economische expansie te maken. Hier werden de eerste buitenlandse investeerders verwelkomd. Tien jaar later waren er rondom de Parelrivierdelta in Guangdong 25.000 Hongkongse fabrieken neergestreken, nog weer tien jaar later bijna drie keer zo veel. ,,En al zijn volgens de statistieken veel van deze bedrijven Chinese bedrijven, in feite zijn het door Hongkong met design, R&D en kapitaal gesteunde bedrijven', zegt econoom Pansy Yau van de Hongkong Trade and Development Council. In het voetspoor van die Hongkongse fabrieken kwamen de investeerders uit de `afvallige provincie' Taiwan, dat net als Hongkong inmiddels hecht met de Chinese economie is vervlochten. Hongkong, Taiwan en, in iets mindere mate, ook Singapore, hebben de Chinese economische expansie op gang gebracht, later aangevuld met de multinationals en de eigen, gemoderniseerde Chinese bedrijven, waardoor China nu al bijna een kwart eeuw lang jaarlijks fenomenaal groeit en intussen de sterkste groeimotor van de wereldeconomie is geworden.

De hogesnelheidstrein van Shenzhen naar de noordwestelijk gelegen provinciehoofdstad Guangzhou (Kanton) glijdt door een heuvelachtig landschap waarboven de zon hoe langer hoe meer schuilgaat achter lichtbruine sluiers. Hier wordt zichbaar wat China voor zijn socialisme met Chinese karakters betaalt. Als een slagschaduw hangt de luchtverontreiniging boven de meer dan 2000 jaar oude stad, waar kinderen nog nooit de zon hebben gezien. Elke dag verdwijnen de toppen van de wolkenkrabbers in de smog. Het autopark is ultramodern. Chique winkels zijn er bij de vleet. Toch gaan de mensen op straat hier minder modieus gekleed dan in Shenzhen, eerder boers, alsof de vloedlijn van de modernisering nog niet helemaal Guangzhou heeft bereikt. Misschien gebeurt dat over anderhalf jaar. Zo goed als nog maar anderhalf jaar terug in Shanghai, de op een na rijkste agglomeratie van China, voornamelijk oude modellen Volkswagens (en ontelbare fietsers) reden, maar intussen het autopark ook ultramodern is en de milieuverontreiniging niet minder catastrofaal.

En catastrofaal is die verontreiniging in heel China. Van alle middelgrote en grote Chinese steden is 80 procent zwaar vervuild. Eenderde van het land is door zure regen aangetast, niet het minst door de kolengestookte elektriciteitscentrales. Wegens de welvaartsstijging is niet meer de industrie, maar zijn de huishoudens nu de grote watervervuilers geworden (130 steden kampen met ernstige schaarste aan schoon drinkwater). En behalve de lucht en het water is in China ook de grond zwaar vervuild. De economische expansie gebeurt op zo'n reusachtige schaal, gaat met zo'n reusachtige snelheid – in de afgelopen 25 jaar zijn 500 miljoen Chinezen `geïndustrialiseerd', dat is in de wereldgeschiedenis nog nooit eerder gehaald – dat het deel van het bbp dat de machthebbers aan de bestrijding van de milieuverontreiniging besteden (1 procent, 11,5 miljard euro) nooit effectief kan zijn. ,,Het vergt een lang gevecht, eindeloos onderricht, afdwingen van maatregelen en, niet op de laatste plaats, sociale druk', zegt Xingdong Chen, econoom bij de Franse zakenbank Penigrine BNPParibas (per e-mail) vanuit Peking.

Die geïndustrialiseerde bevolkingsexplosie wordt aan de gang gehouden door de massale toestroom van de plattelandsbevolking naar de steden en werkt als een deflatoire kracht zonder weerga op de Chinese economie, ja op de hele wereldeconomie. ,,Er zijn gewoon te veel mensen die de lonen laag houden en dat gaat nog decennia zo door', zegt Andy Xie, managing director bij de Amerikaanse zakenbank Morgan Stanley in Hongkong. Dat onderscheidt het Rijk van het Midden wezenlijk van de vroege, naoorlogse fase in de economische ontwikkeling van Japan en de andere Aziatische tijgers. Sterker, zegt Xie, dat maakt de Chinese arbeidsmarkt uniek.

Volgens hem is er een groep van inmiddels zo'n 40 miljoen Chinezen die echt profiteert van de expansie, die werken voor de multinationals, de financiële en de onroerendgoedsector, die een BMW of een Honda kunnen kopen. Maar de overgrote meerderheid `geïndustrialiseerde' Chinezen staat volgens Xie ,,bloot aan onophoudelijke concurrentie op de arbeidsmarkt' wegens de onophoudelijke toestroom van nieuwe arbeiders die zich melden en die als een tweede vloedlijn van west naar oost optrekt. En deze deflatoire kracht werkt als een natuurverschijnsel waartegen geen kruid is gewassen, ook al zouden de Chinese machthebbers, die de ontwikkelingen uit een oogpunt van sociale stabiliteit nu eenmaal graag beheersen, dat willen.

Die kracht zet niet alleen de prijzen in de wereld op hun kop, ze beukt ook in op de werkgelegenheid in de rijke landen. Zelfs een krachtige revaluatie van de yuan – de Chinese munt is nu op 8 dollarcent aan de dollar gekoppeld – zal de rijke industrielanden niet helpen, zegt Dong Tao, topeconoom bij de Zwitserse zakenbank CSFB in Hongkong. ,,Als de yuan met 40 procent zou revalueren, helpt dat Maleisië, Mexico, niet Milwaukee', zegt hij. Het loonverschil is te groot: 40 procent hoger in de VS, 43 procent hoger in Duitsland. In Europa – dat veel meer dan de VS zijn handel met China met quota probéért te managen, maar waarschijnlijk tevergeefs – zal met name Duitsland wegens zijn grote industrie worden getroffen.

[Vervolg CHINA: pagina 24]

CHINA

Made in China: goedkope producten, hoge kwaliteit

Japan zal zelfs hard worden getroffen. China's lage lonen zullen voor de rijke industrielanden tientallen jaren lang zeer problematisch worden, voorspelt Andy Xie. Om het scherper te stellen: ,,Tien jaar geleden stond China voor goedkope producten en lage kwaliteit, nu voor goedkope producten en hoge kwaliteit.'

Wie profiteren, zijn de westerse consument en de producent. Zo betaalt de Amerikaanse consument volgens Xie 4 dollar op elke Chinese invoerdollar naar Amerika. Hij is dan nog aanzienlijk goedkoper uit dan met producten van puur Amerikaanse makelij. De Nike's en de Wal-Marts strijken dan 3 dollar op. En wat de consument overhoudt, kan hij aan andere producten besteden, waarvan dan weer andere producenten profiteren. En aan Chinese zijde profiteren de gewezen plattelandsarbeider en de achterblijver die zich opmaakt om naar het oosten te trekken: al blijft hun loon wegens de deflatoire concurrentie achter bij de productiviteit.

Toch is China niet alleen maar een schier onuitputtelijke deflatiebron met wereldwijde zegeningen – op de gevolgen voor de industriële werkgelegenheid in de rijke landen na. Het is complexer, zegt Dong Tao. ,,China heeft ook het vermogen de inflatie op te drijven.'

Wegens zijn expansie zal China dit jaar Japan passeren als de op een na grootste olieconsument ter wereld. China consumeert al een vijfde van alle koper, een vijfde van alle nikkel, een vierde van alle staal, de helft van alle cement in de wereld. Olie, de belangrijkste grondstof ter wereld, zal volgens hem structureel duurder worden. Staal is in een jaar 17 tot 33 procent (afhankelijk van het soort staal) duurder geworden, koper 15 procent, aluminium 35 procent, kolen 35 procent, ijzererts 36 procent. Dong Tao: ,,Dat is geen hype, dat is echt.'

Volgens Xie komt die prijsopdrijving door de Chinese huizenmarkt, die in 1998 aan zijn take off is begonnen. De overinvesteringen in die markt drijven volgens hem alles op, tot en met de Chinese bankkredieten. ,,Momenteel is in China meer dan 1,1 miljard vierkante meter onder constructie, meer dan de rest van de wereld bouwt.'

Overinvesteringen. Het woord ligt in het financiële centrum van Hongkong menigeen in de mond bestorven. China investeert van zijn bbp 43 procent. ,,Voor de langere termijn is dat onhoudbaar', zegt Yiping Yuan, econoom bij de Amerikaanse Citigroup in Hongkong. En al zie je volgens hem nu dezelfde problemen als waarmee de Aziatische tijgers bij hun ontwikkeling worstelden (zwakke banken, ondoorzichtig ondernemingsbestuur, en inderdaad zwaar leunen op investeringen) toch is China in een belangrijk opzicht een uitzondering, zeker vergeleken met Japan. China stelt zich open voor het buitenland (,,China is deel van de wereldeconomie geworden zonder eigen technologie of eigen merken, zoals het mercantilistische en het veel nationalistischer Japan of Zuid-Korea', zegt Andy Xie van Morgan Stanley). En behalve die openheid is er volgens Yuan van Citigroup bij de Chinese machthebbers een grondig besef van de economische problemen waarmee China kampt en de vastberaden wil om veranderingen door te voeren. Een mening die iedereen in Hongkong deelt. Al voegt hij eraan toe, net als iedereen in Hongkong, niet zeker over de goede afloop te zijn.

Dong Tao somt de problemen op, hamerend met zijn hand op het bureaublad, hoog boven de stad: in de komende drie jaar een verdubbeling van de Chinese productiecapaciteit bij staal, mobiele telefoons, auto's, textiel, scheepsbouw, containerhavens. ,,Een fenomale uitbreiding.' En die verdubbeling betekent volgens hem dat er acute knelpunten zullen ontstaan bij de stroomvoorziening, bij het transport, bij de infrastructuur. Nu al wordt in veel steden de stroom gerantsoeneerd. Als dat allemaal fout afloopt, zul je volgens hem een vulkaanuitbarsting aan slechte bankleningen zien, die nu al officieus 40 procent (600 miljard dollar) van het hele Chinese bbp uitmaken. Bedrijven zullen hun leningen niet meer kunnen terugbetalen, niet op de laatste plaats de bouwbedrijven die nu ontdekken dat de koopkrachtontwikkeling hun bouwwoede niet kan bijhouden. En die slechte leningen bedreigen op hun beurt de staatsfinanciën.

Hoewel de misallocatie van bankkredieten naar investeringen vooral bij de staatsbedrijven het achterliggende probleem van de slechte leningen vormt (wegens professionele onkunde bij risicoanalyse, zeggen ze in Hongkong), beginnen de vier grote staatsbanken nu toch hun bakens te verzetten. Privé-bedrijven worden niet langer meer door hen gediscrimineerd zoals dat in het verleden het geval was. Daarbij gaat het niet om de puur particuliere bedrijven, die nog volop het leven zuur wordt gemaakt en, klein als ze meestal zijn, nog geen 10 procent van de Chinese economie uitmaken. Het gaat juist om de deels staats-, deels particuliere ondernemingen, waar het management naar winst streeft, marktgeoriënteerd is en de volledige controle over de bedrijfsstrategie heeft. Zij hebben dan ook de gedaante van privé-bedrijven aangenomen. Zij zijn samen met de buitenlandse investeerders de drijvende kracht van de Chinese expansie geworden. ,,Zij bewerkstelligen de meeste dynamiek, scheppen vrijwel alle nieuwe banen', zegt Dong Tao.

Het gaat daarbij om ondernemingen in de telecomsector, petrochemie, olieindustrie, auto-industrie, staal- en aluminiumsector. Voor een kwart zijn ze aan de Chinese beurs genoteerd, voor 75 procent nog in overheidshanden (inclusief lokale overheden). Met buitenlandse bedrijven hebben ze vaak joint ventures gesloten. Zij zullen straks de Chinese wereldmerken genereren. Zij zijn bovendien de lieveling van de buitenlandse belegger, al was het maar omdat de schaduw van de staat als een financiële garantie wordt gezien dat ze niet zullen omvallen. Zij oogsten met hun beursgang in Hongkong en New York succes, hoewel de liefde van de belegger soms ver gaat.

Gezond zijn die bedrijven niet allemaal, zegt Andy Xie van Morgan Stanley. De buitensporig grote belangstelling voor de aandelenemissies begin dit jaar was ,,je reinste hype', zegt de Taiwanees Patrick Poon in Hongkong, voor de Nederlandse bankverzekeraar ING de hoogste man verantwoordelijk voor China, Hongkong en Taiwan.

Die belangstelling van de buitenlandse belegger gaat zelfs uit naar de staatsbanken, ondanks hun wankele toestand wegens de berg aan slechte leningen waaronder ze gebukt gaan. ,,Een tijdbom, absoluut de achilleshiel van de Chinese economie', zegt Dong Tao over de banken. Als in China een bankencrisis zou uitbreken, zegt Xiping Yuan van Citigroup (,,Ik wil niet suggereren dat dit erg waarschijnlijk is'), bijvoorbeeld doordat de uiterst spaarzame Chinezen hun bank niet meer vertrouwen en hun geld van de bank afhalen, zodat die in acute liquiditeitsproblemen terechtkomt, zal ook de wereld daarvan de gevolgen ondervinden. Zo zullen de grondstoffenmarkten instorten, zal China als prominente schakel in de Aziatische aanbodketen van elektronica de rest van Azië gevoelig treffen. Maar niemand in Hongkong die in dit scenario gelooft. De staat zal de banken altijd te hulp schieten. En de Chinese staat is rijk genoeg. Zo worden bijvoorbeeld de door de communisten in 1949 geconfisqueerde koloniale huizen met grond in Shanghai nu voor duizelingwekkende bedragen verkocht. Andy Xie schat de rijkdom van de Chinese staat op meer dan 1.000 miljard dollar. Evenveel als er volgens hem aan slechte bankleningen en pensioenaanspraken zijn. Xie: ,,Ze moeten de slechte leningen alleen niet verder laten oplopen.'

Al nemen de machthebbers nu de ene na de andere monetaire maatregel, mogen bedrijven zelfs een deel van hun dollartegoeden in het buitenland spenderen (om bijvoorbeeld overnames te doen) in plaats van tegen yuans om te ruilen bij de centrale bank – het laatste doet de geldgroei verontrustend aanwakkeren – toch is alleen de arbeidsmarkt van vitale betekenis voor China. Want de noodzaak van sociale stabiliteit (werkgelegenheid) legt tegelijkertijd politieke druk op de banken om toch weer massaal geld uit te lenen. ,,Het zijn staatsbanken tenslotte', zegt Xie.

Daarbij verkeert de centrale bank in een niet bepaald benijdenswaardige positie, want haar belangrijkste wapen, de rente, is stomp geworden. Verhoogt de centrale bank namelijk de (zeer lage) rente om de economie af te koelen – dat laatste houdt iedereen voor wenselijk – dan stroomt er speculatiegeld naar China in overvloed toe, wat de kredietverlening verder zal opjagen.

Intussen verdampen de winsten van veel Chinese bedrijven. Door de explosief gestegen grondstoffenprijzen stijgen de producentenprijzen. Maar de producenten hebben wegens de overcapaciteit in veel sectoren geen macht om de gestegen prijzen aan de consument door te berekenen. ,,Anders hadden ze dat zeker al gedaan', zegt Yiping Yuan van Citigroup. De consumentenvraag is niet groot genoeg om de kosten af te wentelen, aangezien er in China wegens het vele sparen sprake is van onderconsumptie. Revaluatie dan? ,,Dat zal goed voor China zijn', meent Dong Tao. Want nu schaadt volgens hem de vaste, ondergewaardeerde munt niet alleen het buitenland, ook China zelf. En wat als de machthebbers blijven weigeren aan de (internationale) druk toe te geven? ,,Dan zullen de knelpunten bij de infrastructuur, de stroomvoorziening, het transport wel voor afkoeling zorgen', klinkt het grimmig.

Het dubbeldekse trammetje op Hongkong-eiland nadert de halte aan Kennedy Town Praya. De wolkenkrabbers van het financiële centrum zijn dan al niet meer te zien. Veel studenten wurmen zich naar de uitgang. Vlakbij, tegen de bergen aan, ligt de universiteit. Uit open ramen klinken flarden Bach. Het studentenorkest repeteert. Op de economische faculteit is het even zoeken naar de kamer van professor Chong-En Bai. Een vriendelijke dertiger die vervolgens in een college van veertig minuten alle problemen van China van tafel veegt. Revaluatie van de yuan? Niet doen, moedigt de speculanten nog meer aan. De yuan ondergewaardeerd? Onzin. De export groeit nauwelijks minder hard dan de import en het betrekkelijk kleine handelsoverschot zal dit jaar omslaan in een tekort. Inflatie? Komt door de gestegen voedselprijzen. Puur `varkenscyclus'. Wegens de lage prijzen verbouwden de boeren niet meer. Nu stijgen de prijzen en gaan ze weer verbouwen. Overcapaciteit? China zal gewoon met nog meer kracht de wereldmarkt opgaan. Let maar op: het buitenland zal straks gaan klagen dat China hun `autobanen' opeet. De Chinese investeerders zijn niet krankzinnig. Zij verwachten dat de vraag zal blijven groeien.

De professor glimlacht. In China is de markt nog lang niet verzadigd. Guangdong met zijn 42,8 miljoen inwoners groeit na 25 jaar nog aldoor sneller dan de regio Shanghai met zijn 78,5 miljoen inwoners. Een zesde van de wereldbevolking komt de wereldmarkt op, doceert de hoogleraar. Het Westen zal moeten leren wegens het reusachtige banenverlies zich aan te passen.

China zal met name in Europa de sanering van de verzorgingsstaat afdwingen en een eind maken aan de ,,droevige' onderbenutting van zijn potentieel. De VS zijn veel verder, zij maken van China gebruik. En al is het altijd moeilijk mensen ervan te overtuigen dat ze zich geen zorgen hoeven te maken, uiteindelijk profiteert iedereen. China neemt al bijna de helft van de mondiale economische groei voor zijn rekening. ,,China is niet noodzakelijkerwijs een bedreiging.'

Gerectificeerd

Lonen China

In het artikel `China is niet noodzakelijker wijs een bedreiging' (3 april, pagina 23) staat dat de lonen in de VS en Duitsland respectievelijk 40 en 43 procent hoger zijn dan in China. Dat moet zijn 40 en 43 keer zo hoog als in China.