Zwakte vraagt om haat

De deur staat open, ze ligt in de slaapkamer op een chaise longue met een uitgedoofde sigaret in haar hand. In de woonkamer slaapt de nieuwe huisknecht, een Ecuadoriaan van begin dertig, op een matje. Telefonisch had ze me al op de hoogte gesteld van zijn aanwezigheid.

Te lang ben ik hier niet geweest, ik had het druk met mijn eigen lijden.

De telefoontjes in de nacht waren verminderd, af en toe kwam er nog een fax van haar binnen, die ik vluchtig las. De waanzin was routine geworden en routine verveelt, vooral die van anderen.

Haar gezicht is verder ingevallen, ,,Elayne'', zeg ik, ,,ik ben het.''

De tv staat op BBC News, ik zet haar uit.

Zachtjes schud ik aan haar schouders. Ik herhaal, Elayne, ik ben het, wakker worden, we hadden afgesproken.

Eindelijk gaan de ogen open, bijna tegelijkertijd valt de sigaret uit haar hand.

,,Oh, jij bent het'', zegt ze, ,,ik had je niet horen komen. Heb je mijn huisknecht al ontmoet?''

Ik heb hem zien liggen op een matje in de woonkamer, maar zien liggen is nog geen ontmoeten.

Ze pakt een bel van een vol bijzettafeltje en rinkelt er hartstochtelijk mee. Naast een overvolle asbak staat een glas cola met afdrukken van haar lippenstift.

Op het gebel komt geen reactie.

Ze belt nog een keer, nu langer.

Overal staan beesten die kunnen zingen. Beren bijvoorbeeld die als je op een knopje drukt, merry christmas zingen, rendieren die kunnen zingen, engelen, hazen, kerstmannen, in haar huis is het nog altijd Kerstmis, in haar huis zal het altijd Kerstmis blijven.

,,Dit is mijn nieuwste aanwinst'', zegt ze, en ze wijst op een beer die op een krukje staat. ,,Je moet hem maar even aanzetten.''

Ik pak de beer, nog een behoorlijk groot beest, en zet hem aan. ,,Ik noem hem Kleine Arnon'', zegt ze.

De beer zingt in mijn armen. Haar huis is veranderd in een museum van zingende troeteldieren.

Een derde keer wordt er nu gebeld, en als de huisknecht weer niet verschijnt, verheft ze zich uit de chaise longue en schuifelt naar de woonkamer. Op haar buik zit een instrument dat dienst doet als pijnstiller. De rijkelijk aanwezige kerstverlichting knippert wellustig.

's Nachts kan ze niet slapen van de pijn en dan moet ze lopen. Om te zorgen dat ze niet omvalt is de Ecuadoriaan in huis gehaald. Hij spreekt geen Engels.

Ik doe mijn jas uit.

Nadat ze met mij in juni 2003 te zien was in een programma van de Nederlandse televisie is ze in augustus op eigen gelegenheid nog een keer naar Amsterdam gereisd om te genieten van haar roem.

Ze beweerde in Amsterdam geregeld herkend te worden en Hotel The Grand behandelde haar als een beroemdheid. Bij haar weet je niet waar werkelijkheid begint en verzinsel ophoudt.

Niet lang na terugkeer van haar laatste reis, eind augustus 2003, trad het verval definitief in. Hoewel ze nog wel beweerde dat Uitgeverij Atlas haar een contract wilde aanbieden voor haar memoires. ,,Maar'', zei ze, ,,ik denk dat ze vooral hopen op sappige details over jou.''

Op haar computer, die binnen handbereik van de chaise longue staat, noteert ze invallen voor haar boek. De ergste pijnaanvallen schijnen gepaard te gaan met de beste invallen. Ze zegt ook: ,,Vlak voor je dood ben je het vruchtbaarst.''

Na een paar minuten keert ze terug uit de woonkamer met de huisknecht, die ze aan mij voorstelt als Benito. We schudden elkaar de hand.

Hij komt 's avonds, zegt ze, en 's ochtends gaat hij weer naar huis, want 's nachts mag ik niet alleen zijn. Nu heb ik eindelijk de huisknecht die ik altijd wilde.

De huisknecht verwijdert zich zwijgend. ,,Wil je iets eten?'' vraagt ze. ,,Ik heb niets in huis, maar we kunnen Sarges bellen en een gebraden kip laten bezorgen.''

De laatste keer dat ik hier was, at ik ook al een gebraden kip van Sarges. ,,Dank je'', zeg ik, ,,ik heb al gegeten.''

Vroeger ging ze het huis uit voor langdurige diners, nu gaat ze alleen nog op betere dagen de straat op om knuffelbeesten te kopen die kunnen zingen.

,,Het is hier zo mooi'', zeg ik, ,,met al die speciale verlichting.''

,,Ja'', zegt ze, ,,iedereen die hier komt vindt het prachtig, vooral kinderen.''

Ik vraag niet welke kinderen hier komen.

Zoals het absolute goed en het absolute kwaad niet bestaan, zo bestaat ook het absolute verzinsel niet, zeker niet in haar universum.

,,Als ik me weer beter voel'', zegt ze, ,,maak ik een afspraak met Emile Brugman, maar ze moeten bij Uitgeverij Atlas niet denken dat ze me voor een paar duizend euro kunnen kopen.''

Omdat haar aderen te broos zijn voor injecties hebben ze een gat gemaakt, iets boven haar borst, maar ze is nu helemaal te zwak vooor injecties. Zo ga je dood: omringd door knuffelbeesten die over een witte Kerstmis zingen, knipperende rode lichtjes en een Ecuadoriaan op een matje in de woonkamer.

Ze steekt een sigaret op en geniet. Dan belt ze, en dit keer komt de huisknecht wel. Ze vraagt om een glas cola. Dat woord verstaat hij uitstekend. W.F. Hermans parafraseerde in een documentaire een Franse schrijver: `Een priester die de angst voor de hel er goed in weet te stampen is meer waard dan duizend politieagenten.'

De angst voor de hel is nog nooit zo groot geweest en toch verschijnen er steeds meer politieagenten op straat.

,,Ik ga weer'', zeg ik, ,,ik moet nog werken.''

Een vluchtige handkus. De dood is walgelijk en zwakte roept haat op.

De Ecuadoriaan wil van zijn matje opstaan, maar ik zeg: ,,Blijf maar liggen, ik kom er wel uit.''

Achtenveertig uur later bevind ik mij in Amsterdam, in de etalage van de Bijenkorf.

Dat is mijn andere kant: gedienstig en charmant, tot alles bereid. Ik signeer ook het telefoonboek van Haarlem en vraag: ,,Hebben ze u al witte wijn aangeboden?''

In de ontbijtzaal van Hotel Ambassade komt ik Gerrit Komrij, Paul Verhoeven en een Engelse schrijfster tegen die iedere ochtend om twee gebakken eitjes met goed uitgebakken spek vraagt.

De rituelen van anderen zijn mijn goudmijn, dat eigen ongeluk is versiering.

Welwillende journalisten zijn benieuwd naar mijn privé-leven, wat ik goed kan begrijpen. Of mijn relatie met een oudere dame voortkomt uit een moedercomplex, of meer een publiciteitsstunt is.

Wat valt eigenlijk niet onder een publiciteitsstunt? Alleen dat wat geheim blijft.

Op een vrije ochtend laat ik me met een taxi naar mijn moeder brengen.

Er liggen kleedjes op het parket om het tegen de hakken van gasten te beschermen, kleedjes waarover je je nek kunt breken.

,,Je brengt me het graf in'', zegt mijn moeder, ,,nu lees ik weer dat je een christen bent. Waarom doe je me dit aan? Wat moeten de joden hiervan denken? Die lezen allemaal NRC Handelsblad. Dat je altijd over je piemel schrijft waarin niemand geïnteresseerd is, moet je zelf weten, maar waarom moet je je zus en mij voor alle joden belachelijk maken?''

Ik neem plaats aan de eettafel, een geschilde appel ligt al op me te wachten. Ik heb hier weinig geduld voor, ik word ook ouder. ,,Ik ben een christen'', herhaal ik, ,,ik doe niet mee aan de Neurenbergse rassenwetten, daarom ben ik een christen. Jezus is ook voor mij gestorven, en jij lijkt op Jezus, mama, al heb je het zelf nog niet door.''

Ze begint te jammeren: ,,Ik heb nog liever dat je de paus doodschiet dan dit. Je zus zegt, Hitler wilde het jodendom vernietigen en jij wilt dat ook.''

Het wordt tijd voor kalmte. Ik moet wat bedenken.

,,Mama'', zeg ik, ,,Wim Noordhoek schreef mij: had ik maar zo'n moeder als jij.''

Haar ogen beginnen te glinsteren.

,,Dan moet hij maar eens hier komen'', zegt ze, ,,ik zag hem al zo naar me kijken.''