Stuurman zonder zeebenen

Hendrikus Colijn, de belangrijkste Nederlandse politicus van het interbellum, geniet een reputatie als `sterke man'. Maar hoe terecht is dat? In het tweede deel van een uiterst grondige studie, maakt Colijns biograaf de balans op.

In 1969 werd, ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Hendrikus Colijn, de dominerende Nederlandse politicus in het interbellum, die precies een kwart eeuw eerder was overleden, aan Drees, die eerst als Kamerstenograaf en later als sociaal-democratisch Kamerlid hem van nabij had meegemaakt, gevraagd wat hij als Colijns grootste verdienste beschouwde. Zijn politieke tegenstander en opvolger als minister-president antwoordde: `Zijn duidelijke verzet tegen het nationaal-socialisme in de moeilijke jaren die we reeds vóór de Tweede Wereldoorlog doormaakten. Het is mede aan hem te danken geweest dat de NSB in ons land in aanhang achteruit ging' (interview in de Nieuwe Rotterdamse Courant van 21 juni 1969).

Dit antwoord zal een later geslacht misschien verbazen, dat, als het iets van Colijn weet, waarschijnlijk denkt aan de autoritaire persoonlijkheid, de `sterke man' van de jaren dertig – de jaren van crisis en massale werkloosheid – en, als het het eerste, in 1998 verschenen, deel van Colijns biografie van Herman Langeveld gelezen heeft, zich vermoedelijk de jonge officier herinnert die tijdens de Lombokexpeditie van 1893 zich omdraaide en rustig een sigaar opstak, terwijl zijn Ambonese soldaten vrouwen en kinderen, die door de tegenstander in het vuur geworpen waren, `met genot aan hun bajonetten regen'. Colijn de antifascist?

Toch zit er iets waars in Drees' opmerking. De NSB, die bij de Provinciale-Statenverkiezingen van 1935 in één klap 7,94 procent van de stemmen had verworven, viel bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1937 – en na vier jaar regering-Colijn – terug op 4,2 procent. Ongetwijfeld was deze bijna-halvering voor een deel te danken aan Colijn, in zoverre als vele kiezers aan de `sterke man' die ze kenden, de voorkeur gaven boven Mussert, die zijn kracht nog moest bewijzen. Opnieuw een bewijs dat rechts betere kansen maakt ultrarechts te verslaan dan links?

Maar zo eenvoudig is het niet. Uit het tweede deel van Herman Langevelds biografie, dat deze week, zes jaar na het eerste, verscheen en onder de titel Schipper naast God de jaren 1933-1944 bestrijkt, blijkt dat Colijn wel enige sympathie had voor het Italiaanse fascisme en de Nederlandse nabootsers ervan in de jaren twintig (dus voordat de NSB op het toneel verscheen). Hij was bevriend met prof. F.C. Gerretson (de dichter Geerten Gossaert), die zijn secretaris was geweest en zich een tijdlang openlijk `fascist' noemde. Ook stond hij `bepaald niet kritiekloos tegenover het democratisch-parlementair stelsel' of, zoals hij het noemde: het `individualistisch-liberalistisch stelsel' met zijn stelsel der evenredigheid. Maar de in Italië gehanteerde methoden wees hij voor Nederland af. In feite vond hij, zegt Langenberg, een fascistische beweging voor Nederland overbodig, `omdat deze hem alleen maar kon hinderen in zijn pogingen een machtsverschuiving [...] via de bestaande partijen te realiseren'. Hij bleef dus `volledig opereren binnen de spelregels van het bestaande parlementair-democratische systeem', ondanks zijn bezwaren ertegen. Dat was ook dáárom verstandig of, zo men wil, realistisch omdat hij, als voorman van de Antirevolutionaire Partij, zijn machtsbasis vond in dat systeem en omdat hij zeker niet de hele partij achter zich had gekregen als hij geprobeerd had er wezenlijke veranderingen in aan te brengen. Die kwamen er tijdens zijn zesjarige regime (1933-1939) dan ook niet.

Heel anders stond Colijn tegenover het nationaal-socialisme. In 1934 schreef hij aan Gerretson (die er ook zo over dacht) dat `ik van het Duitsch gekleurde nationaal-socialisme niets hebben moet'. Vooral wees hij iedere vorm van antisemitisme af. Voor hem waren `[...] alle Israëlieten Nederlanders [...] even goed als alle andere Nederlanders.' Ook het paganisme van het nationaal-socialisme kon uiteraard niet op de sympathie van de gereformeerde Colijn rekenen. Voor de agressieve kant ervan had hij daarentegen lange tijd geen oog. Zelfs vond hij het een nogal rustige gedachte dat die agressie in de eerste plaats naar het oosten gekeerd was. Dan was Nederland tenminste veilig. Ook had hij, als dogmatisch antimarxist, niet zo'n bezwaar tegen Hitlers scherpe bestrijding van communisten en zelfs sociaal-democraten.

In al deze opzichten verschilde Colijn waarschijnlijk niet zo heel veel van vele landgenoten, die, evenals hij, het fascisme wel een geschikt systeem voor een operettevolk vonden en die in Hitler lange tijd niet veel meer dan een soort reprise van Wilhelm II zagen. Bovendien moeten we niet vergeten dat het onbehagen over de democratie in die jaren niet beperkt bleef tot hele of halve fascisten. De Nederlandse Unie, die in het eerste bezettingsjaar zo'n grote aanhang zou krijgen, had haar vooroorlogse, eveneens fatsoenlijke, voorgangers. En onder de Londense ballingen, bij koningin Wilhelmina in de eerste plaats, zou de parlementaire democratie evenmin onverdeelde steun vinden.

Wat in Langevelds boek vooral opvalt, is dat Colijn, toen hij in 1933 zijn lange kabinetsperiode aanving, eigenlijk al een man van het verleden was. Hij was gevormd door zijn ervaringen in het Indië van de eeuwwisseling, eerst als officier, later als adjudant van gouverneur-generaal Van Heutsz. Ruim een jaar na zijn terugkeer in Nederland werd hij, in 1911, minister van Oorlog, als hoedanig hij een legerreorganisatie tot stand bracht, waarin zijn voorgangers niet waren geslaagd. Dit droeg niet weinig bij tot zijn reputatie van doortastend politicus en tot zijn zelfverzekerdheid, zo niet zijn gevoel van onfeilbaarheid. Wanneer Langeveld spreekt over `Colijns neiging zijn eigen Indische ervaringen van vóór 1914 min of meer normatief te beschouwen' voor het Indische beleid dat onder zijn verantwoordelijkheid werd gevoerd – hij combineerde lange tijd het premierschap met het ministerschap van Koloniën – dan geldt dat ook voor zijn ander beleid: `Colijn benaderde de Europese werkelijkheid nog steeds vanuit het perspectief van de Eerste Wereldoorlog', toen Nederlands neutraliteit gerespecteerd was gebleven. Dit maakte hem blind voor het opkomend nationalisme in Indië en het werkelijke gevaar dat Hitlers demonie en irrationalisme uitmaakten. Ook hier stond hij niet alleen in Nederland, maar hij was wèl de minister-president. Opmerkelijk is ook dat zijn hart eigenlijk uitging naar Indië, welks defensie hij belangrijker vond dan de Nederlandse. Japan duchtte hij blijkbaar meer dan Hitler.

Ook op economisch gebied ging zijn wijsheid in feite niet verder dan het huishoudboekje. Van nieuwe inzichten van de theoretische economie, zoals die van Keynes, nam hij niet of nauwelijks kennis. De sluitende overheidsbegroting was voor hem het alfa en omega. Maar dat was bij anderen lange tijd niet veel anders. Nog in 1933 – de grote economische crisis was al twee jaar aan de gang – zei de fractievoorzitter van de SDAP in de Tweede Kamer: `Het zou een ramp zijn voor de groote volksmassa van ons land indien niet voor een behoorlijk begrootingsevenwicht werd gezorgd [...]', en twee jaar later voorzag ook het Plan van de Arbeid, waarin wèl de ideeën van Keynes hun weerslag vonden, nog in een sluitende overheidsbegroting.

De handhaving van de gouden standaard, lang nadat Engeland al overstag was gegaan, verdedigde Colijn, merkwaardig genoeg, uitsluitend met bancaire argumenten. Verwacht had kunnen worden dat hij, een streng gelovig man met een achterban van kleine luiden, ook het morele argument zou hebben gehanteerd dat het onfatsoenlijk is de kleine spaarders voor hun zuinigheid te straffen. Maar nee, dat argument kwam eerder van de president van De Nederlandsche Bank, Trip, die van `muntvervalsching' sprak, en van de vrijzinnig-democratische minister van Financiën, Oud, die de mening uitsprak dat devalutatie `den toetsch van de eisen der moraliteit niet kan doorstaan'.

Het verwonderlijke is dat de mislukking van Colijns hele crisisbeleid (`aanpassingspolitiek' heette dat) en zijn vasthouden aan de gouden standaard, die tot een nationaal icoon verheven was (niet ongelijk aan de latere iconen KLM, Fokker en Philips), geen electorale gevolgen had, en dat terwijl het werkloosheidspercentage verre het gemiddelde van de omringende landen oversteeg. Het tegendeel was waar: Colijns partij, die in 1933 al van 11,6 op 13,4 procent was gestegen, behaalde in 1937 16,4 procent van de stemmen, terwijl de grootste oppositiepartij, de SDAP, slechts van 21,5 naar 21,9 procent kroop. Ook hier geldt dat linkse partijen niet noodzakelijkerwijs van een economische crisis profiteren, zelfs niet wanneer ze in de oppositie zijn.

Hoe is dit succes van Colijn te verklaren? Langeveld doet er een poging toe. In de eerste plaats kon, zegt hij, Colijn zich in de jaren dertig zeer lang staande houden als gevolg van de zwakte van de katholieke politiek, die geen leider van even groot formaat kon leveren. Dat is zeker zo, maar toch meer toeval dan dat het de eigenlijke oorzaak is. Die is dat Colijn gezien werd (en zichzelf zag) als de sterke man, waaraan een aanzienlijk deel van de kiezers in die onzekere tijden behoefte voelde – veel meer kiezers dan waarop de antirevolutionairen gewoonlijk konden rekenen. Veel liberalen stemden op Colijn, en het dramatische verlies van de NSB is mede toe te schrijven aan een terugkeer van veel van haar kiezers van 1935 naar een democratische partij die tegelijkertijd een sterke leider scheen te bieden.

Eigenlijk verdient Colijns min of meer paradoxale succes een diepere analyse van de gemoedstoestand van het Nederlandse volk tijdens de crisisjaren, die kennelijk anders was dan men zou kunnen verwachten. Is het, bijvoorbeeld, vanuit het clichéperspectief, niet verrassend dat bij het oproer van 1934 in de Amsterdamse Jordaan wegens de verlaging van de werklozensteun – een oproer waarbij zes doden vielen – `er geen enkele steun kwam van de arbeiders die nog wèl werk hadden'? Vergeten wordt wel eens dat het in de jaren dertig nog altijd een – weliswaar veel te grote – minderheid was die geen werk had en dat de meerderheid vrij behoorlijk leefde. Per slot van rekening waren die jaren ook de jaren van de Bonte Dinsdagavondtrein, die honderdduizenden wekelijks dolle pret gaf, en van `Wij gaan naar Rome' (dat het Nederlandse voetbalelftal overigens nooit bereikte, want het werd in Milaan door de Zwitsers met 3-2 verslagen, het volk in diepe rouw dompelend).

Wat ook wel vergeten wordt is dat Nederland buiten de Eerste Wereldoorlog was gebleven, wat volgens de historicus Maarten Brands weliswaar `natuurlijk een onschatbaar privilege en voordeel' was geweest, maar tevens tot gevolg had gehad dat ons land `een cruciale wissel van de moderne geschiedenis van ons continent' had gemist. In zekere zin begon voor Nederland de twintigste eeuw pas met de Tweede Wereldoorlog, terwijl onze buren al in 1914 beseften dat een `nieuw tijdperk van Europese instabiliteit was begonnen: instabiliteit van machtsverhoudingen, van nationale grenzen, van sociale en politieke regimes'. Als Colijn inderdaad de man was wiens denkbeelden al voor 1914 waren gevormd, dan sloten die goed aan bij het bedaarde en enigszins conservatieve wereldbeeld van zijn landgenoten, dat nauwelijks geschokt was geweest door de Eerste Wereldoorlog en zijn gevolgen.

In zijn boek komt Langeveld niet toe aan een onderzoek van de wisselwerking tussen de collectieve psyche en een figuur als Colijn. Dat hij die psyche goed wist te bespelen is zeker. Toen de Duitsers, in strijd met het pact van Locarno, in 1936 het gedemilitariseerde Rijnland bezetten, zei hij tot de Nederlanders dat zij `even rustig (moesten) gaan slapen als zij dat ook andere nachten doen' (mythevormging heeft dit advies gedateerd op een tijdstip – namelijk vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog – toen Colijn helemaal geen minister meer was). Hoe dit ook zij, deze vaderlijke geruststelling was alles wat de Nederlanders wilden horen. De mythe-Colijn is ook door het Nederlandse volk gemaakt.

Want Colijn was, behalve een man, ook een mythe. Was hij werkelijk de sterke man waarvoor velen hem hielden en hij zichzelf hield? Uit de in 1986 uitgegegeven brieven van minister van Buitenlandse Zaken De Graeff aan Van Limburg Stirum, gezant in Berlijn, verbaast de eerste zich herhaaldelijk over Colijns aarzelingen en besluiteloosheid. Vooral de nukken van koningin Wilhelmina kan hij helemaal niet aan. En ook in Langevelds boek worden voorbeelden gegeven dat de sterke man uit zijn evenwicht is. Zo tijdens de crisis om Hella Schultz (een dame van niet onbesproken levenswandel, die hij financieel had geholpen) tijdens de gebeurtenissen van de zomer van 1939 (toen hij zijn laatste kabinet vormde, dat het slechts twee dagen zou uithouden) en natuurlijk tijdens de eerste maanden van de Duitse bezetting.

Ook toen heeft hij een ogenblik gedacht dat hij onmisbaar was en met de gedachte gespeeld zelf een regering te vormen. Een gesprek met Seyss-Inquart liep echter op niets uit. Deze rapporteerde naar Berlijn dat hij `de westers-liberale opvattingen volkomen is toegedaan en als uitgesproken calvinist niet te krijgen is voor nationaal-socialistische gedachtengangen.' Maar dat betekende niet dat Colijn zichzelf rijp achtte voor een `innere Emigration'. In zijn beruchte brochure Op de grens van twee werelden van juli 1940 ging hij ervan uit dat `een nederlaag van Duitschland niet langer binnen de grens der mogelijkheden mag worden gerekend' en dat `op het vasteland van Europa de Duitsche invloed voortaan overheerschend zal zijn.' Weliswaar schreef hij ook `dat ons verlangen blijft uitgaan naar de constitutionele monarchie onder het Huis van Oranje', niettemin: `er moet iets gedaan worden! [...] Eén moet daarmee beginnen.' En daar bedoelde hij zichzelf natuurlijk mee.

Maar hij schijnt al vrij gauw spijt te hebben gekregen van deze defaitistische brochure. Begin september al herriep hij haar op min of meer bedekte wijze. Van de Nederlandse Unie, die een soort collaboratie bepleitte (en waarvan ten minste één lid van het driemanschap zelfs zei een Duitse overwinning te wensen), moest hij niets hebben. Dan liever samenwerken met Arnold Meijer van het Nationaal Front – waaruit blijkt dat hij zijn geestelijke inzinking nog niet helemaal te boven was. Pas in de loop van 1941 hernam hij zichzelf geleidelijk. Hij trok het land in om in kleine bijeenkomsten op te roepen tot een houding van verzet tegen de Duitse maatregelen. Hiermee legde hij volgens Langeveld de basis voor de illegale organisatie van de Antirevolutionaire Partij, die op den duur van groot belang zou worden voor het gereformeerde verzet. De bezetter wist dus wat hij deed toen hij hem in 1941 arresteerde en in ballingschap wegvoerde, waar hij drie jaar later zou overlijden. Colijns houding tegenover de Duitse bezetter mag dus niet uitsluitend gemeten worden naar die ongelukkige brochure, maar een sterke man zou deze niet geschreven hebben.

Niettemin werd hij als zodanig gezien, en niet alleen in Nederland. Ook in het buitenland was zijn reputatie groot – groter waarschijnlijk dan die van enige opvolger. In zijn tijd pleitte voor zijn grote gezag méér dan de verering waarop hij in eigen land kon rekenen. Typerend is wat de Britse gezant bij het bericht van Colijns overlijden aan zijn chef, Anthony Eden, rapporteerde: `[...] whatever his shortcomings, he had the makings of a great man', wat vertaald zou kunnen worden als: wat zijn tekortkomingen ook mogen zijn geweest, hij had alles in zich om een groot man te worden. Een groot compliment, maar tegelijk neerbuigend: naar maatstaven van het kleine Nederland was hij een groot man, naar die van het Britse rijk net niet. En dat was waarschijnlijk ook zo.

Met Langevelds boek ligt nu, na de hagiografieën die over Colijn geschreven zijn, een biografie op tafel waar de geschiedwetenschap niet onderuit kan. Geen detail lijkt te ontbreken. Er is een portret getekend zoals Cromwell dat van zichzelf wilde: warts and all ...Soms krijg je de indruk dat de auteur, die als historicus werkt aan de Vrije Universiteit, achterover leunt om maar niet de indruk te vestigen dat hij onkritisch mocht zijn, en dat zal hem dan door niet al zijn gereformeerde collega's in dank afgenomen worden, want daar zijn er nog altijd onder die van Colijn weinig kwaad willen horen. Een beschouwing over wat ik noemde de `wisselwerking tussen de collectieve psyche en een figuur als Colijn' verdient een aparte studie, die veel kleiner mag uitvallen. Misschien kan Langeveld zich daar nog eens aan wagen.

Herman Langeveld: Schipper naast God. Hendrikus Colijn 1869-1944. Deel II (1933-1944). Balans, 688 blz. €37,50

Naschrift: Een van de meest geciteerde bronnen in Langevelds boek is het in 1970 verschenen dagboek van Ernst Heldring (1871-1954), een liberale tijdgenoot van Colijn. De lezer zal er wellicht begrip voor hebben dat deze bespreker de verleiding heeft weerstaan eveneens uit deze bron te putten.