OPEC laat Bush oude plaat draaien

De voortdurend stijgende olieprijzen zijn in de Verenigde Staten een prominent politiek thema geworden, nu de beoogde presidentskandidaat van de Republikeinen en de Democraten elkaar verwijten de kiezer de dupe te laten worden van OPEC respectievelijk benzineaccijns.

President Bush kwam deze week klem te zitten tussen twee instincten: goedkoop autorijden en buigen voor de vrije markt. Het oliekartel OPEC probeerde hem te laten kiezen. Bush weigerde en koos voor een andere vaste benadering uit zijn arsenaal: een oud plan aanbevelen in een nieuwe situatie.

Ook voordat de elf olieproducerende landen die lid zijn van OPEC in Wenen hadden aangekondigd dat zij hun productie gaan verlagen met 4 procent, zat de Amerikaanse president al met de hoge benzineprijzen in zijn maag. Het risico dat de steeds duurdere olie de magere banengroei verder zou drukken doemde op geen goed nieuws voor een president die toch al kwetsbaar is op het economische front.

John Kerry, zijn waarschijnlijke Democratische tegenstander bij de presidentsverkiezing in november, viel Bush er al op aan voordat OPEC toesloeg. Hij beloofde voortvarend alternatieve energiebronnen te zullen ontwikkelen en daarmee massaal werk te scheppen. Dat zou de afhankelijkheid van ingevoerde olie verminderen. Bovendien zou een president Kerry de OPEC bewegen tot minder prijsopdrijvend gedrag.

Die laatste toezegging leek een regelrechte echo van wat de kandidaat Bush in de aanloop naar de verkiezingen van najaar 2000 zei, toen hij beloofde dat hij de OPEC-leden onder druk zou zetten en zou vertellen: `gooi de kranen maar open'. Democratische Congresleden herinnerden de president gisteren aan die ferme taal en vroegen waar de druk bleef.

Het Witte Huis reageert op dit soort verwijten steevast dat `stille diplomatie' effectiever is. Op een moment waarop de burgers in sommige staten morrend meer dan 2 dollar per gallon (1,63 euro voor 3,78 liter) aan de pomp betalen, overtuigt dat werk achter de schermen niet zo. 2 dollar per gallon betekent overigens 0,43 euro per liter, eenderde van de Nederlandse prijs van ongeveer 1,22 euro.

De olieprijs is een gevoelig onderwerp in ieder land, maar de burgers van de Verenigde Staten zijn al zo lang gewend aan een wereldwijd gezien zeer lage benzineprijs, dat iedere bedreiging van dat privilege regelrecht promoveert naar de topdrie van politiek ultragevoelige thema's, zeker in een verkiezingsjaar.

De Bush-campagne kwam onmiddellijk met tv-reclames (te zien op http://www.georgewbush.com/tvads/) waarin John Kerry wordt afgeschilderd als een structurele belastingverhoger die binnen honderd dagen 50 dollarcent op de benzineprijs legt. Die laatste mededeling is gebaseerd op een voorstel van die strekking uit 1993 waar Kerry voor voelde als onderdeel van een plan om het (door de Republikeinen Reagan en Bush senior nagelaten) tekort op de begroting in te lopen; de 50 centsverhoging werd nooit wet.

Kerry stelt op zijn beurt (http://blog.johnkerry.com/dbunker/) dat Bush de benzineprijs heeft laten oplopen en de Amerikaanse burger daarmee dit jaar alleen al een belastingverhoging van 24 miljard dollar heeft opgelegd.

Verder laat Kerry niet na te wijzen op de banden van de president en de vice-president met de olie-industrie, die ook voor de verkiezingen van dit jaar tot de grootste contribuanten van de Bush-campagne behoort.

De regering heeft de huidige olieprijscrisis aangegrepen om opnieuw bij het Congres aan te dringen op het aannemen van haar Energiewet, die al drie jaar geen meerderheid heeft kunnen halen. Bush en de zijnen kwamen met dit nauwelijks verrassende idee ondanks de steeds weer opduikende beschuldiging dat zij onder één hoedje speelt met de grote energiebelangen.

Door onafhankelijke economen en energiedeskundigen is al meer dan eens voorgerekend dat meer gas, steenkool en olie boren in Alaska en de Rocky Mountains een druppel op een gloeiende plaat oplevert die de groei van de olie-invoer slechts minimaal vertraagt. Zolang de onzuinige Amerikaanse auto op benzine rijdt, is Amerika kwetsbaar voor gijzeling door olieproducerende landen.