Laat duizend kikkers kwaken!

Op 19 april presenteert de Raad voor Cultuur zijn advies voor het kunstenplan 2005-2008. Het Cultureel Supplement voorziet Medy van der Laan van vooradviezen. Aflevering 2 en 3: het toneel en de regio.

`Hoop tegen beter weten in.' Zo luidt de laatste zin van de subsidieaanvraag van Annette Speelt, een piepjonge, veelbelovende groep die graag vaste steun van het rijk zou willen krijgen. Die laatste zin is bedoeld als het credo van de spelers; hun werk moet een pleidooi voor de hoop zijn. Maar de zin kan ook slaan op hun hele subsidieaanvraag: de kans is klein dat Annette Speelt rijkssteun gaat krijgen. De zaak zit namelijk potdicht.

Over twee weken brengt de Raad voor Cultuur zijn advies uit aan staatssecretaris Medy van der Laan (Cultuur) over de Cultuurnota 2005-2008, waarin staat wie voor vier jaar rijkssteun krijgen. Toelating dient ook als kwaliteitsmerk. Wie in de Cultuurnota zit, behoort tot de eredivisie. Dit keer zullen eerder groepen verdwijnen dan dat er bijkomen, want Van der Laan moet bezuinigen. Dat heeft velen er niet van weerhouden om weer eens een gokje te wagen: 170 theaterinstellingen hebben samen 81 miljoen euro subsidie aangevraagd. Waarschijnlijk minder dan de helft zal die inspanning beloond zien, en iedereen zal veel minder krijgen dan gewenst.

Dat de kansen voor nieuwe groepen zo gering zijn, ligt ook aan Van der Laans voorganger Van der Ploeg. Om doorstroming te bevorderen liet hij vorige keer vijfendertig nieuwe theaterinstellingen toe tot zijn Cultuurnota. Als Van der Laan die groepen er nu weer uitgooit, levert dat allerlei heisa op: grote onrust in de sector, eindeloze juridische gevechten, en flinke kosten om de groepen een beetje netjes te ruimen. Doorgaan met subsidiëren is eigenlijk goedkoper, alleen al doordat je de betrokken acteurs uit de WW houdt. De oude blijven zitten, de nieuwe kunnen er niet meer bij. Zo veroorzaakt de doorstroming van Van der Ploeg de verstopping van Van der Laan.

Kweekvijver

Doorstroming is een mooi woord, maar wat betekent het eigenlijk? Het achterliggend idee is dat de bewoners van de theatervijver een beperkte levensduur hebben. Ze beginnen als enthousiaste, snelle kikkervisjes, dan groeien ze uit tot prachtige, grote kikkers, tot ze zo vet zijn dat ze nauwelijks meer van hun plompenblad afkomen, onevenredig veel vliegjes opslurpen, en door nieuwkomers moeten worden verjaagd. Deze theorie van de permanente revolutie is bepalend sinds de Aktie Tomaat van 1969, toen tientallen nieuwe kikkervisjes uit het dril kropen en er een paar oude dikke kikkers net zolang onder water werden gehouden tot er geen belletjes meer uitkwamen.

De doorstroming stokt nu omdat regisseurs die in de kleine zaal beginnen, daar ook blijven zitten. Dat, terwijl er nieuwe regisseurs nodig zijn om de schouwburgen te vullen. Het is echter onzin om de kleine zaal louter te zien als kweekvijver voor de grote zaal. De meeste bespelers van de kleine zaal wíllen helemaal niet naar de grote zaal. Het kleine-zaalcircuit is een op zichzelf staande sector met een eigen publiek, dat vaak nooit in de schouwburg komt. Voorstellingen voor de kleine zaal doen zeker niet onder voor dat wat in de schouwburgen wordt vertoond. Vaak leidt juist de intimiteit en de persoonlijke benadering tot een indringender ervaring.

Het is niet de taak van de kleine groepen om regisseurs voor de grote zaal te leveren. De grote gezelschappen moeten zelf zorg dragen voor een eigen kweekvijver. De eerste stappen daartoe zijn al genomen. Groepen als de Theatercompagnie, Toneelgroep Amsterdam en het Nationale Toneel willen hun kweekvijvertje uitbreiden of willen er een aanleggen. Toen regisseuse Ola Mafaalani enkele jaren geleden opkwam, kon ze vrij snel aan de slag bij Toneelgroep Amsterdam. Jong talent Olivier Provily werd na zijn afstuderen vrijwel meteen gevraagd door het Nationale Toneel en Toneelgroep Amsterdam. In de nieuwe Cultuurnota-periode gaat hij voor Het Zuidelijk Toneel werken.

Los van het doorstroomprobleem is er in de kleine zaal meer mis. Hoewel het algemene theaterbezoek, vooral dankzij cabaret en musical, de afgelopen tien jaar is verdubbeld, schommelt het bezoek aan het gesubsidieerde toneel al vijfentwintig jaar net onder de miljoen bezoekers per jaar. Dat stagnerende aantal moet naar steeds meer voorstellingen van steeds meer groepen kijken, die steeds korter te zien zijn. De grote groepen hebben een stabiele, zelfs iets teruglopende productie, de explosieve productiegroei geschiedt in de kleine zalen. De raad spreekt zijn zorg uit over deze versnippering en overproductie.

Is versnippering een probleem? Financieel in ieder geval niet, omdat al die ukkies heel weinig overheidssteun vergen. Wat publieksbereik betreft is versnippering wél problematisch. Het publiek verliest het overzicht, loopt grotere kans op een slecht toneelstuk, en mist vaker de hits omdat die maar zo kort te zien zijn. Artistiek gezien zou je van een ongekende bloei kunnen spreken. Wie duizend bloemen laat bloeien heeft in de zomer meer kans op een mooi boeket. Maar er verwelkt veel voortijdig. En veel klein theater wordt voor een piepklein en vast groepje toeschouwers gemaakt, vaak bestaande uit voornamelijk de vrienden en de collega's van de makers.

Het probleem is dat iedere regisseur of collectief tegenwoordig een eigen zaak wil beginnen. Vaak is dat ook noodzakelijk, want het is de enige manier om er tussen te komen.

Er zou een systeem moeten komen waarin de toneelgroepen niet meer rond één regisseur zijn gebouwd. Er zouden grote toneelhuizen moeten komen met vele kamers, waarin jonge regisseurs het hele traject kunnen doorlopen. De wildgroei aan producties is dan beter in de hand te houden.

Bij de grote groepen stroomt er niet zoveel door deze keer. Vier jaar geleden gebeurde er juist van alles, maar dit keer blijven de meeste dikke kikkers gewoon zitten. Alleen Johan Simons van ZT Hollandia en Guy Cassiers van het Ro Theater vertrekken naar Antwerpen. Het idee dat een toneelgroep staat of valt met haar leider is inmiddels wat achterhaald; hun gezelschappen blijven bestaan. Het Ro Theater gaat verder onder een nog te benoemen intendant, een niet-regisserende directeur.

Toneelschrijfkunst

Er hebben zich twee nieuwe dikke kikkers gemeld: Matthijs Rümke wil de boedel van ZT Hollandia overnemen en verdergaan onder de oude naam Het Zuidelijk Toneel. Het Toneel Speelt van Ronald Klamer solliciteert naar een plaats in de Bovenste Twaalf en heeft 1,75 miljoen euro aangevraagd, het tienvoudige van de huidige subsidie.

Beide toneelleiders hebben grote plannen voor een ándere, misschien wezenlijker doorstroming: niet die van de regisseurs, maar van de toneelschrijvers. Lange tijd wordt het gesubsidieerde theater al gedomineerd door het experimentele regisseurstoneel: voorstellingen waarin het vernieuwende regieconcept vooropstaat. Daarbij is de toneelschrijfkunst in Nederland ondergesneeuwd geraakt. Regisseurs schrijven zelf hun teksten of laten deze toesnijden op de voorstelling die ze voor ogen hebben.

Ronald Klamer wil dit tij keren. Hij promoot nieuwe Nederlandse toneelteksten voor een groot publiek, en is daar zeer succesvol in. Zijn grote troef heet Maria Goos, die twee grote hits voor hem schreef: Familie en Cloaca. In ongeveer iedere zin die Klamer zegt of schrijft klinkt zijn grote woede door over het Nederlands theater in het algemeen, en Toneelgroep Amsterdam in het bijzonder, dat zijns inziens veel te experimenteel bezig is en zijn publiekstaak verwaarloost. Klamer richt zijn woede op de verkeerde. Het Nationale Toneel is veel beter geschikt om nieuw Nederlands toneel voor een groot publiek te brengen. Maar het Nationale Toneel brengt ook de komende jaren vrijwel louter buitenlands toneel.

Bewonderenswaardig

Klamer laat het niet bij klagen en vragen alleen. Hij heeft alvast vijftien schrijvers opdracht gegeven om een toneelstuk te schrijven; een bewonderenswaardig initiatief. Er moet wel een kanttekening bij: Klamer heeft een voorkeur voor roman- en essayschrijvers die geen ervaring met theater hebben. Tegenover het succes van ervaren theatermakers Maria Goos en Ger Thijs stonden de stukken van relatief onervarenen als Willem Jan Otten, Benno Barnard en Bas Heijne, met te weinig drama en te veel proza en essay voor toneel. Wat Klamer vraagt, is onmogelijk en onmenselijk: debuteren in de Amsterdamse Stadsschouwburg met alle ogen op je gericht. Klamer slaat het kweekvijverstadium over. Daar wil hij overigens in de komende jaren met rijkssteun verandering in brengen.

Ook Matthijs Rümke wil bij Het Zuidelijk Toneel `een huis voor Nederlandse toneelschrijvers' bouwen. Anders dan Klamer wil hij echter niet onervarenen benaderen en hun eersteling meteen voor de leeuwen werpen. Hij heeft een heel leertraject opgezet, te beginnen met workshop-manifestaties en eindigend met een reizende schouwburgvoorstelling. De lijst schrijvers van Rümke blijkt vooral namen te bevatten van mensen met jaren theaterervaring, van jongelingen als Bodil de la Parra en Esther Gerritsen tot veteranen als Gerardjan Rijnders en Judith Herzberg. Dat lijkt meer garantie op succes te bieden, maar het is ook een behoudende keuze.

Zoals het hele idee om het theater terug te geven aan de schrijvers en het grote publiek nogal retro en anti-1969 is. Klamer, en bijvoorbeeld ook Ger Thijs, zetten zich af tegen de verworvenheden van Aktie Tomaat, waar het experimentele regisseurstoneel een direct gevolg van is. Het is een wat brommerige oude-mannenmening, die goed past in de momenteel heersende anti-babyboomers-houding, waarbij de hele revolutie van de jaren zestig bij devuilnisbak wordt gezet.

Nederland heeft prachtig, veelzijdig theater, laat ik dat vooropstellen, maar voor het evenwicht zou iets meer oorspronkelijk Nederlands publiekstoneel wenselijk zijn. Nieuwe Nederlandse toneelteksten spreken veel meer aan dan buitenlandse omdat ze over óns en nu gaan, en theater moet als levende kunst – anders dan andere kunsten – op de een of andere manier aansluiten bij wat er buiten gebeurt.

Maar komen de duizenden potentiële toneelbezoekers daarvoor wél uit hun huizen? Zitten ze eigenlijk nog wel thuis, voor de tv?

Nee hoor, het grote pubiek zit bij het cabaret en de musical. Die theatervormen hebben de publieksvermaakfunctie van het toneel overgenomen. Daar is niets mis mee. Dan kun je als toneel proberen mee te doen, zoals de publieke omroepen de commerciëlen trachten te volgen. Maar je kunt veel beter iets anders bieden.

Doorstroming van toen is de verstopping van nu

Gerectificeerd

In het artikel `Laat duizend kikkers kwaken!' (Cultureel Supplement, 2 april) worden Willem Jan Otten en Benno Barnard `relatief onervaren' toneelschrijvers genoemd. Beiden schrijven en vertalen echter al zo'n 25 jaar drama.