Knoeien met olijfolie

Twee zussen spreken over het leven: `Daar gaat het toch om in het leven, wie leeft moet voelen', zegt de jongste. De oudste antwoordt: `Nee, Dhiban. Het leven moet zinvol zijn. Je moet het gevoel hebben dat je het zelf in de hand hebt, daar gaat het om.' Even verder hebben de zussen het over verhalen. `Verhalen zijn bedoeld om anderen te amuseren, Dhiban', volgens de oudste. Dat wordt overigens niet geloofd: `Maar dat is niet jouw bedoeling, Medina. Ik ken jou, je wilt me iets duidelijk maken.'

Het gesprek vindt plaats in een bos, ergens in een Afrikaans aandoend buitenland, ongeveer halverwege De blauwe kamer, de derde roman van de in Somalië geboren schrijfster Yasmine Allas (1967), wier eerdere boeken Idil, een meisje en De generaal met de zes vingers overwegend positief werden ontvangen. In de eerdere hoofdstukken van De blauwe kamer maakt Allas duidelijk om welke tegenstellingen het haar in dit boek te doen is: die tussen voelen en handelen, met de centrale vraag in hoeverre een mens moet handelen naar zijn gevoel. En de vraag naar hoe je met (de verhalen uit) het verleden moet omgaan: laten rusten of uiteenrafelen?

Aan de thematiek en de opzet van het verhaal ligt het niet, maar De blauwe kamer is een teleurstellend boek geworden. In de uitwerking is er veel misgegaan. Die heeft de vorm van een raamvertelling. Ikpersoon in het hoofdverhaal is de jonge Nederlandse vrouw Nikki, die woont in een stad die op Amsterdam lijkt, in het bezit is van een goede baan en een oude auto die zij Herman noemt en een lat-relatie heeft met een wat oudere schrijver. Na de dood van haar moeder herstelt ze het contact met haar vader. Die woont in een groot oud huis met een huishoudster en enkele tientallen teddyberen, die ter plaatse als levende wezens worden behandeld en die door de heer des huizes bij verwarrende situaties in vergadering bijeen worden gebracht. Nikki zou haar vader willen ondervragen over het gezinsverleden, maar durft niet goed.

Op het kerkhof, in de buurt van het graf van haar moeder, ontmoet Nikki Hedwig, een uitgesproken directe vrouw die zegt op zoek te zijn naar haar verleden. Zij vraagt Nikki dat verhaal voor haar op te schrijven en trekt bovendien bij haar in. Haar levensverhaal speelt zich grotendeels in het buitenland af: Hedwig (toen nog Dhiban) groeide op als weeskind onder de hoede van haar oudere zuster die haar zoveel mogelijk tegen de buitenwereld probeerde te beschermen. Die buitenwereld komt overigens wel bij hen thuis in de `blauwe kamer', waar Dhiban verstopt ligt onder het bed waarin Medina mannen ontvangt. Medina, zoveel is duidelijk, probeert een leven te leiden waarin het verleden zoveel mogelijk wordt genegeerd. Ze wil het leven niet voelen, maar controleren – vrij precies zoals Nikki's vader Otto dat probeert te doen met zijn berenverzameling.

Hoewel de ontrafeling van de geheimen het verhaal een zekere spanning meegeeft, zijn er te veel stoorzenders om de roman te laten slagen. De problemen beginnen bij de vlakke stijl van Allas, die een gave lijkt te hebben om bij een zelfstandig naamwoord het meest voor de hand liggende adjectief te vinden (op één pagina vinden we een `kronkelig zandspoor', `ranke populieren' niet ver van het `dichte dennenbos'). Ook is er nauwelijks een stilistisch onderscheid tussen de passages waarin Hedwig aan het woord is en die waarin Nikki vertelt.

Dat laatste is extra vreemd omdat de twee vrouwen zo van elkaar verschillen. Nikki houdt zich vast aan het goede leven, chique eten en de etiquette. Hedwig haalt de ene vreemde toer na de andere uit: van willen eten in de keuken van het restaurant (of op zolder) tot het met kokende olijfolie overgieten van een levend konijn onder het motto: `De drang om met olie te experimenteren hield me al dagen in zijn greep'. Het rare daarbij is dat Nikki de strapatsen van Hedwig, hoe krankzinnig ook, steeds voor kennisgeving lijkt aan te nemen: ze is nooit echt geschokt door wat haar vriendin doet, maar maakt steeds weer plannen waarvan je als lezer weet dat die uitgesproken ongeschikt zijn voor haar gaste. Het gebrekkige empathische vermogen van de hoofdpersoon krijgt zo potsierlijke trekjes, met als enige voordeel dat je begrijpt waarom deze Nikki een groot talent voor eenzaamheid heeft ontwikkeld.

De blauwe kamer stelt niet alleen teleur, het is bij vlagen ook een ergerlijk boek. Dat schuilt in de combinatie van onzorgvuldig uitgewerkte karakters en plotlijnen en, anderzijds, de paardenmiddelen die Allas hanteert om de lezer wakker te schudden. Je krijgt het tweewekelijks uittrekken van alle wimpers van een zuigeling te verstouwen, het levend begraven van een zieke vrouw, het doorknagen van een pols, zelfverminking, een moord, en kindermisbruik. Het probleem is niet dat er geen geweld in een roman mag voorkomen, maar dat het je in dit geval met de beste wil van de wereld niet lukt om de literaire zin van dit geweld te ontdekken, waarmee het boek iets ijskouds krijgt. Dan weet je, het bosgesprek tussen de twee zussen indachtig, dat zinloosheid je ook gevoelloos maakt.

Yasmine Allas: De blauwe kamer. De Bezige Bij, 406 blz. €19,90 (geb.)