Kleine groep van grote zondaars in rapport over onderwijsfraude

Fraude in het onderwijs? Nee, zeggen scholen, de regels zijn onduidelijk. Daarmee pleiten ze zichzelf ten onrechte vrij, blijkt bij lezing van het onderzoek van de commissie-Schutte.

Ze was zich rotgeschrokken, zei staatssecretaris Nijs (Onderwijs) gisteren. Tot haar stomme verbazing hoorde Nijs hoeveel geld sommige scholen de afgelopen jaren ten onrechte aan overheidsgeld hadden geïncasseerd.

Minimaal 58.414.751 euro hebben de hogescholen, universiteiten en mbo-instellingen ontvangen, terwijl zij daar geen recht op hebben, is het oordeel van de onafhankelijke Commissie vervolgonderzoek rekenschap, onder leiding van voormalig GPV-leider Gert Schutte. Het rapport van Schutte is het voorlopige slotstuk in een lange reeks onderzoeken naar een fraude-affaire die eind 2001 in het hbo ontstond. Schutte, vond Nijs met een meerderheid van de Tweede Kamer, moest maar eens duidelijkheid bieden over wat wel en niet door de beugel kan.

Van structurele fraude in het onderwijs, benadrukte Schutte gisteren, is over het algemeen geen sprake. Bij tien instellingen lijkt boze opzet in het spel. Het misbruik komt bovendien vrijwel volledig voor rekening van 30 procent van de instellingen, met name in het hbo. Maar toch. In de groep van zondaars zitten opvallende uitschieters: de Hogeschool Zeeland heeft volgens de commissie bijna 11,8 miljoen euro opgestreken. Een paar duizend Duitse en Spaanse studenten zouden voor subsidie zijn ingeschreven, maar volgden in feite nauwelijks onderwijs in Nederland.

Ander voorbeeld: de Hogeschool van Amsterdam, die bijna tien miljoen euro en mogelijk meer moet terugbetalen. Liefst veertien belastende feiten zijn daar gevonden. Zo vroeg de hogeschool subsidie aan voor 529 studenten die studeerden in Estland, Moldavië en de Oekraïne. En zo vroeg de hogeschool subsidie aan voor 287 Duitse studenten die de opleiding Fysiotherapie volgden, terwijl zij gewoon in Duitsland bleven.

De Technische Universiteit Delft had weer iets anders bedacht. Tussen 1997 en 2001 deelde zij met overheidsgeld ruim drie miljoen euro uit aan buitenlandse en uitblinkende studenten. Mag niet, oordeelt Schutte. De overheid betaalt voor onderwijs en onderzoek, niet voor beurzen. De reacties van de instellingen zijn ronduit fel. De Hogeschool Zeeland doet de conclusies van Schutte af als ,,aantijgingen'' en stapt naar de rechter. De TU Delft schampert dat de veel beleden kreet van vrijheid van onderwijs in de praktijk bar weinig voorstelt.

Voorzitter Frans Leijnse van de HBO-raad, de koepel van hogescholen, reageerde eveneens not amused. Zeker de helft van de 44 miljoen euro die het hbo moet terugbetalen, wordt ten onrechte als misbruik bestempeld, zei hij in een reactie. En bovendien, heeft de overheid het er niet zelf naar gemaakt dat instellingen, bewust of onbewust, de randen van de wet opzoeken?

Een beetje gelijk heeft Leijnse wel. Sinds het midden van de jaren negentig probeert het ministerie van Onderwijs het hoger en beroepsonderwijs de markt op te krijgen. Scholen moeten ondernemender, `klantgerichter' werken, zichzelf meer bedruipen door lucratieve contracten met het bedrijfsleven te sluiten. `Internationalisering', was lange tijd het toverwoord.

Bovendien zweeg het departement toen eind jaren negentig duidelijk werd dat de regels verschillende interpretaties mogelijk maakten. Collegevoorzitters klopten aan met vragen over dubbele inschrijvingen en andere trucs, maar mochten na een prettig gesprek weer vertrekken. Actie werd niet ondernomen.

In 2001 schreef oud-secretaris-generaal Roel in 't Veld in het boek Zeven jaar paars: ,,Dit weet iedereen in Den Haag en Zoetermeer, maar niemand die er wat aan doet. Accountants en politici zwijgen beide. Het onderwijsbeleidssysteem is in feite failliet.'' Ook Schutte hekelde gisteren de slechte naleving van de regels.

Maar dat is maar het halve verhaal. De verwarring over de randen van de wet blijkt veel minder groot dan de instellingen zo graag doen geloven. Immers, 70 procent van de scholen blijkt precies te weten hoe de wet in elkaar zit. Slechts 30 procent maakt zich aan misbruik schuldig. Kennelijk wisten de meeste scholen dus best heel goed wat mocht en wat niet mocht.

Voor de scholen kan het terugbetalen van het te veel ontvangen geld nog tot problemen leiden. Want waar moet de relatief kleine Hogeschool Zeeland die elf miljoen vandaan halen? Schutte heeft hier weinig medelijden mee. ,,Bezint eer ge begint'', zei hij hier gisteren over. Maar of de instellingen echt zo diep door het stof moeten, is nog niet duidelijk. Staatssecretaris Nijs bood gisteren een voorzichtige opening door te suggereren dat scholen misschien niet alles terug hoeven te betalen.

Bovendien lijkt zij er geen behoefte aan te hebben aangifte te doen wegens verduistering. Haar voorganger Hermans deed dat wel, toen in 2002 het eerste fraudegeval bij zes instellingen boven water kwam. Het openbaar ministerie vervolgt één hogeschool, Saxion IJselland in Deventer, wegens het vervalsen van handtekeningen. Opvallend genoeg is deze hogeschool volgens Schutte een kleine vis: Saxion Hogescholen moet 1,7 miljoen inleveren.

De belangrijkste opdracht die Nijs aan de commissie gaf, was het ,,bovenhalen van de onderste steen''. Dat is niet gelukt. Door tegenwerking van sommige instellingen kregen de accountants veel informatie pas laat aangeleverd. Het bedrag van ruim 58 miljoen is nog maar voorlopig, omdat nog lang niet alle onderzoeken klaar zijn. Zo ontbreekt nog een rapport over Fontys Hogescholen en is er verder onderzoek nodig naar de Hogeschool INHOLLAND en de Hogeschool van Amsterdam.

Bovendien gaat Schutte in het onderzoek maar een paar jaar terug. Slechts in enkele gevallen, lichtte hij gisteren toe, is hij verder teruggegaan dan het jaar 1998. En dat terwijl de Tweede Kamer er al vaak op gewezen heeft dat al in 1997 een verdacht hoog aantal studenten werd aangemeld voor rijkssubsidie. Wat daar precies gebeurd is, blijft onbeantwoord. Ook na het finale onderzoek van Schutte.