Ik zeg dat jij je mond moet houden

Een rolverdeling tussen helden en lafaards is in het huidige overspannen publieke debat niet makkelijk gemaakt. Strijders voor het vrije woord kunnen vanzelfsprekend rekenen op bijval, want wie is er nu tegen vrijheid van meningsuiting? Wie zich opwerpt als een verzetsheld van de ongezouten mening tegen politieke correctheid, de `linkse kerk', danwel tegen populisme, racisme of andere kwaden, profileert zich als strijder voor de goede zaak. De gekrenkte bewering dat men desondanks niet serieus wordt genomen, maar stuit op hoon en onbegrip en zelfs bedreigingen, voegt aan die heroïek bovendien nog het nodige slachtofferschap toe. En tot slot: er zíjn bedreigingen. De grens tussen spektakel, debat en tragedie is flinterdun geworden.

Die wisselwerking tussen helden, lafaards en slachtoffers is onderdeel van de spectaculaire erfenis die Pim Fortuyn ons heeft nagelaten. Na het klappen van de paarse zeepbel was het gedaan met de politicus als consensuszoekende manager, die vooral de scherpe kantjes van een debat probeert af te slijpen. Fortuyn presenteerde zich nadrukkelijk als een volksheld die wil polariseren, conform het motto `ik zeg wat ik denk'. Als zodanig is hij gevierd als martelaar van de nieuwe `publieke religie' van het vrije woord, die geen waarde hoger schat dan de vrijheid van meningsuiting. Aan de andere kant is hij verguisd als een volksmenner die louter kon escaleren en het publieke debat heeft geperverteerd tot een openbare schreeuwpartij.

Beide visies beheersen nog steeds de literatuur die een balans probeert op te maken van de Fortuyn-revolte. In Opstand der burgers trekt S.W. Couwenberg onvermoeibaar en met een stortvloed van argumenten en bronnen de grote lijnen: Fortuyn rekende af met een technocratische regentenklasse die zich had vervreemd van het volk en die zich uit politieke correctheid geen rekenschap wenste te geven van problemen met de inburgering van etnische minderheden of de behoefte aan sterkere normen en waarden in het publieke domein. Fortuyn debatteerde `op het scherp van de snede en bediende zich daarbij van onnodig veel ad hominem argumenten en vaak kwetsende adjectieven', meent Couwenberg, `maar hij maakte zijn opponenten daarmee niet monddood zoals de links gerichte taalmanipulatie dat doelbewust wel deed'. Met die `taalmanipulatie', naar het model van Orwells totalitaire staat in 1984, bedoelt Couwenberg het welbekende creëren van taboes en het stigmatiseren van critici daarvan als racisten. De grote winst van Fortuyn, aldus Couwenberg, is het opnieuw actueel maken van het thema democratie, en de broodnodige grotere rol van de moderne burger daarin.

Een andere visie wordt verdedigd in Grenzen aan de tolerantie, een bundel opstellen van vooral medewerkers van de Katholieke Universiteit Nijmegen over de Nederlandse tolerantie, van Erasmus en Hugo de Groot tot heden. Volgens de socioloog Bas van Stokkom – die na de historische stukken in de bundel het prikkelendste opstel bijdroeg over `Hedendaagse intolerantie' – deed met Fortuyn in Nederland het Amerikaanse confrontational listening zijn intrede: `schreeuwen en überhaupt niet luisteren. Onenigheid is meteen reden voor persoonlijke animositeit.' Tegelijk introduceerde Fortuyn volgens Van Stokkom `het principe van winnen tegen elke prijs': `De aanval geldt als de beste manier om aandacht te krijgen'. Vrijheid van meningsuiting `dient op deze manier vooral het recht van de sterkste'.

De socioloog brengt het succes van die benadering in verband met de moderne televisiecultuur, `waar het patroon van keihard-de-leukste een grote commerciële vlucht heeft genomen en statusverhogend werkt'. Fortuyns frase `ik zeg wat ik denk' is, aldus Van Stokkom, `koren op de molen van de cultuurindustrie die moet leven van satire, sarcasme, polemiek en veel verbaal geweld.' Van Stokkom bekritiseert overigens zowel de oude politieke correctheid (die hij een vorm van `narcistische overgevoeligheid' noemt) als de tegenovergestelde `cynische attitude' van Fortuyn en de LPF-achterban (een houding van `wantrouwen, afgunst en verbittering'). Beide bloeien in een sterk gereguleerde samenleving, waarin afwijkend gedrag op steeds minder begrip kan rekenen: `mensen zijn sneller gekwetst en geïrriteerd, hun incasseringsvermogen lijkt verminderd'. Zowel paarse correctheid als LPF-ressentiment zijn conversation stoppers, die een einde maken aan een serieus debat: de eerste door een verlammende morele arrogantie, de tweede door een heftige verongelijktheid die alleen maar gevoed wil worden en niet meer naar tegengeluiden luistert.

Van Stokkom vindt de gevolgen van de tweede variant van moderne intolerantie ernstiger: de pleitbezorgers van `een multiculturele knuffelcultuur' brengen volgens hem op indirecte wijze intolerantie voort, omdat ze slachtoffergedrag stimuleren en gevoelige kwesties taboeïseren. Maar `de sarcastische en cynische representanten van onbeperkte meningsuiting' lokken op directe wijze intolerant gedrag uit, een effect dat wordt versterkt door de media, die geen genoeg kunnen krijgen van het spektakel. Tolerantie betekent juist: kunnen leven met gedrag of overtuigingen die men zelf afkeurt. Om die deugd te herwinnen pleit Van Stokkom voor weerbaarheid en fatsoen in het debat, zowel tegen de ondemocratische taboes van de politieke correctheid als tegen de nieuwe verongelijktheid.

Een zinnig advies, waarmee ook Couwenberg het eens zal zijn, al verzet die zich tegen Van Stokkoms typering `ressentiment' om de LPF-revolte te schetsen: de woede van bewoners van oude wijken die zich verwaarloosd voelen door de gevestigde partijen en die van nieuwe rijken die status en invloed zoeken. `Is rancune niet een heel belangrijke drijfkracht in de ontwikkeling van nieuwe politieke bewegingen evenals niet zelden van artistieke creaties?' werpt Couwenberg tegen, met een verwijzing naar W.F. Hermans en Nietzsche. Dat is zeker waar, maar dat argument heeft hij niet nodig in zijn pleidooi voor meer democratie.

Nietzsche goldniet voor niets als een filosoof met de hamer, één die alle illusies van de Verlichting en de rede aan diggelen sloeg.

Wil Derkse: Grenzen aan tolerantie. Erasmus, Hugo de Groot, Spinoza en de actualiteit. Damon, 125 blz. €11,90

S.W. Couwenberg: Opstand der burgers. De Fortuyn-revolte en het demasqué van de oude politiek. Civis Mundi jaarboek 2004. Damon, 256 blz. €16,95