Hoe God verdween uit Vlaanderen

Het staat er echt. In haar rapport bij de nominaties voor de Librisprijs, die vorige maand bekend werden gemaakt, stelde de jury: `Het aanbod Vlaams proza was dit jaar beperkt.' Behalve een proeve van slordig schrijven – het woordje `aan' wordt node gemist – was dit een brevet van onvermogend lezen. Geen enkele Vlaming haalde de shortlist. Niet Annelies Verbeke, wier verrassende debuut Slaap! nog wel bij de laatste achttien was gekomen. Niet Yves Petry, Peter Terrin en Dimitri Verhulst, die na enthousiast ontvangen romans onlangs door de redactie van Magazijn werden geschaard onder `de beste schrijvers van 2003'. En niet Erik Vlaminck, wiens onhippe maar beeldschone novelle Angélique (besproken in Boeken 09.05.03) in elk geval tot de stilistische hoogtepunten van vorig jaar moet worden gerekend.

Wie goede Vlaamse boeken wil lezen, hoeft alleen de ogen open te doen en af en toe wat flandricismen te gedogen. Daarnaast helpt het als je niet te veel hangt aan volume, als je dikke romans niet beschouwt als het hoogtepunt van drieduizend jaar literaire evolutie. Slaap! telt honderdvijftig ruim gezette pagina's; Angélique heeft er maar zestig en de vorige maand verschenen novelle De trousse van Leo Pleysier gaat daar maar net overheen. Small is beautiful in Vlaanderen. Of, om het met een variatie op een van Pleysiers eerdere titels te zeggen: klein is altijd schoon.

Een bescheiden omvang is niet de enige overeenkomst tussen Angélique en De trousse. Beide novellen vertellen een dramatisch verhaal in de ikvorm en gaan over een oude missiezuster die teleurgesteld is in het moderne leven en de katholieke kerk; beide zijn geschreven in gestileerd Vlaams (dat doorgaans meesmuilend als `sappig' wordt aangeduid) en kenmerken zich door staccato zinnen in korte alinea's die door witregels van elkaar gescheiden zijn. Ook de scheppers van zuster Marie-Angélique en zuster Roza hebben veel van elkaar weg. Vlaminck (1954) en Pleysier (1945) werken beiden al jaren aan een documentaire cyclus over een Vlaamse familie in de twintigste eeuw. Ze houden van korte romans, tussen de 100 en 170 bladzijden, en baseren zich voornamelijk op autobiografisch materiaal.

Het is dus geen wonder dat we de hoofdpersoon van De trousse kennen uit het eerdere werk van Pleysier. De tachtigjarige zuster Roza, die haar dagen in een Indiaas klooster slijt, is de `tante non' uit De Gele Rivier is bevrozen (genomineerd voor de Librisprijs 1994); haar brieven uit China, waarop Pleysier zijn bekendste roman baseerde, werden gevonden in het wandmeubel dat het onderwerp was van De kast uit 1991. In De trousse voert Pleysier tante Roza sprekend op – eigenlijk voor het eerst, want in De Gele Rivier is bevrozen hult ze zich tijdens een terugkombezoek in België in stilzwijgen, iets waardoor haar neefje mateloos geïntrigeerd wordt.

Zuster Roza's monoloog heeft een dromerige toon, die al wordt gezet door de eerste zin van de novelle: `Wat mij uit mijn slaap wekt, elke morgen, al vijfenveertig jaar lang, is het zangkoor van de vogels in de bomen.' In korte overpeinzingen overziet zij haar leven en het pionierswerk in het klooster annex ziekenhuis, maar ook de toekomst van de missiepost, nu het hospitaal genationaliseerd is en de hindoepartij ijvert voor het uit het land zetten van alle buitenlanders. Wat moet zij dan? Terug naar België? Nee, zegt ze: `om daarginds de curiositeit of de antiquiteit te gaan uithangen, daar bedank ik voor. Want ik heb begrepen dat God verdwenen is uit Vlaanderen. In de winkels, de magazijnen en de koophallen daar loopt het alle dagen storm, maar de kerken zijn leeg.'

Roza is ten minste zo kritisch over wat zij en haar medezusters in India bereikt hebben. Spijt van haar roeping, die ze tegen de wil van haar vader op 27-jarige leeftijd volgde, heeft ze niet; maar aan de katholieke methodes is ze gaan twijfelen. `We hebben fouten gemaakt, ja,' denkt ze. `Stommiteiten begaan. Kemels geschoten. En overdreven hebben we ook. Laten we dat maar toegeven.' Het opleiden van inlandse religieuzen is geen succes geworden doordat de kloosterregels, die in Europa stoelen op een traditie van meer dan duizend jaar, veel te streng waren voor de jonge postulanten: ze gingen kapot aan afzondering, aan kledingvoorschriften, aan zwijgplicht, punctualiteit en andere westerse `geplogenheden'. Starheid heeft de kloostergemeenschap klein gemaakt, maar wie kan alles van tevoren weten? `Uw best doen, maar af en toe ook uw verkeerde best doen. En dat laatste dan zélf niet in de gaten hebben, of te laat in de gaten hebben. Is dat een zonde?' Zuster Roza is er niet zo zeker van.

Het mag lijken dat De trousse een kabbelend boek is, maar op zijn eigen ingetogen manier heeft het wel degelijk een climax. Zuster Roza's verhaal blijkt namelijk ook een biecht, het verslag van de enige daad van ongehoorzaamheid die Roza zichzelf in haar leven als kloosterlinge heeft toegestaan. En de drijfveer was liefde, die immers groter is dan geloof en hoop. Liefde voor een bewonderde zuster-arts, die ze veertig jaar lang aan de operatietafel had bijgestaan en daarna tot haar dood aan borstkanker heeft verpleegd. Omdat zuster Astrid zich schaamde voor haar met tumoren overdekte lichaam, vroeg ze aan Roza of die haar na haar overlijden onmiddellijk wilde begraven. Maar Roza deed iets mooiers: met behulp van het instrumentenkoffertje dat ze van Astrid heeft gekregen – de `trousse' uit de titel – sneed ze post mortem alle tumoren weg, en maakte ze het lichaam weer presentabel. Opdat Astrid opgebaard en wel `een begrafenis met alles erop en eraan' kon krijgen.

Met Roza's beschrijving van die begrafenis (`hindoe en christen, moslim en boeddhist, allemaal kwamen ze eropaf om haar de laatste eer te bewijzen') eindigt De trousse. De tobberige missiezuster heeft zich verzoend met haar weinig spectaculaire leven en ziet de dood met vertrouwen tegemoet. De laatste alinea van het boek, in typerend staccato geschreven, kan behalve als herneming van de beginpassage gelezen worden als een mantra van overgave:

`De vogels met hun gezang. Purperblauw, paars en violetrood. De bel die gaat. Goud in de mond.'

De lezer blijft achter met de herinnering aan een personage van vlees en bloed, aan een vrouw die haar best (maar af en toe ook haar verkeerde best) heeft gedaan. En hoewel De trousse binnen het werk van Leo Pleysier heel goed op zichzelf kan staan, is het een prachtig beginpunt voor het (her)lezen van De Gele Rivier is bevrozen, Volgend jaar in Berchem of een van die andere gave deeltjes van Pleysiers cyclus over het Vlaanderen dat voorgoed voorbij is.

Leo Pleysier: De trousse. De Bezige Bij, 74 blz. €13,90 (geb.)