Het gelijk van een lastpak

De terrorisme-expert Richard Clarke wordt door de regering Bush verketterd om zijn zware kritiek op zijn voormalige werkgever. Na alle ophef is zijn boek, een bestseller in de VS, een verademing.

Richard Clarke is een bureaucratische absolutist. Hij is overtuigd van zijn volstrekte gelijk en hij laat zich door niets ervan weerhouden het te halen, net als de terroristen die hij zo intens heeft bestreden. Het cruciale verschil: hij gaat alleen over politieke lijken.

De voormalige chef terrorismebestrijding van het Witte Huis wist dat hij een hel binnenging toen hij anderhalve week geleden zijn boek Against All Enemies. Inside America's War on Terrorism publiceerde en twee dagen later in een openbare hoorzitting president Bush opnieuw en gedetailleerd beschuldigde van het verzaken van de strijd tegen het terrorisme.

En toch bleef Clarke zijn munitie afvuren op de regering-Bush. Het contra-offensief uit de controletoren van de vrije wereld was van een ongekende heftigheid, maar dat veranderde niets aan Clarke's overtuiging dat Bush de dreiging van Al-Qaeda vóór 11 september 2001 niet serieus nam en met de oorlog tegen Irak twee vitale jaren heeft verloren in de strijd tegen het terrorisme.

Het Witte Huis heeft via alle kanalen de motieven en het belang van Clarke's aanklacht trachten te ondermijnen. `Hij wil alleen maar boeken verkopen', `hij stond buiten het belangrijkste overleg', `hij is politiek gemotiveerd', en `Clarke is een gefrustreerde ambtenaar die de baan misliep die hij ambieerde'. Dat waren de meer vleiende verwijten uit de mond van Cheney en anderen uit de directe entourage van de president. De Republikeinse leider in Senaat, Bill Frist, beschuldigde Clarke van het lekken van staatsgeheimen en impliciet van meineed.

De feiten vertellen een ander verhaal. Als hij zich in zijn dertigjarige ambtelijke loopbaan onder de presidenten Reagan, Bush I, Clinton en Bush II een gedweeë hoofdambtenaar had betoond, dan was Clarke's greep naar de nationale microfoon misschien als publiciteitsstunt af te doen. Maar deze in het bureaucratische gevecht doorknede vrijgezel maakte tropenjaren om zijn presidenten op het hart te binden dat zij acuut moesten ingrijpen om te voorkomen dat Al-Qaeda honderden en nog eens honderden doden op Amerikaanse straten zou veroorzaken.

Naarmate de tekenen dreigender werden, won zijn roep om actie aan urgentie. Onder president Clinton probeerde het Witte Huis alles, tot en met de opdracht Bin Laden te liquideren; de CIA, de FBI en het ministerie van Defensie zagen de noodzaak echter niet, schrijft Clarke, of zij waren `op pathetische wijze niet in staat hun opdracht uit te voeren'.

Urgentie

Clinton en zijn naaste adviseurs zeiden in hun overdracht: Al-Qaeda is probleem nummer één. Maar de regering-Bush besteedde de acht maanden vóór 9/11 aan andere prioriteiten, het opzeggen van het klimaatverdrag van Kyoto en het verdrag om het aantal intercontinentale raketten te beperken, het plan een raketschild te lanceren en het gevaar-Irak. Nationale Veiligheidsadviseur Condoleezza Rice maakte Clarke duidelijk dat het Witte Huis diens `Al-Qaeda-obsessie' niet deelde; terrorisme kwam immers uit veel hoeken, ook Irak.

Clarke vroeg in de eerste week nadat Bush was beëdigd `met urgentie' om een vergadering van bewindslieden op het gebied van nationale veiligheid. Hij hoopte dat de Republikeinse regering dan sneller het gevaar Al-Qaeda zou onderkennen en tot handelen overgaan. Maar Rice leidde het verzoek naar het tweede echelon en de ministers spraken pas op 4 september 2001 over Clarke's plan. Eén week voor de aanslagen. Zij bereikten amper conclusies die naar de president konden.

Mensen die met hem hebben gewerkt beschrijven Richard Clarke als een gedreven vechter tegen het terrorisme, iemand die er zijn levenswerk van heeft gemaakt Al-Qaeda onschadelijk te maken. Onder verschillende presidenten werd hij gevreesd en bewonderd om zijn scherpe analyse en zijn even scherpe tong. Een onuitstaanbare gelijkhebber ook, die medewerkers en superieuren die `het' niet doorhadden, het leven behoorlijk zuur kon maken.

In zijn boek, dat inmiddels de bestsellerlijsten aanvoert, geeft Clarke één voorbeeld van zo'n tafereel, waarin hij zijn gelijk tracht af te dwingen. Een van de deelnemers aan het overleg van `tweede mannen' waarnaar Clarke's werk door Bush/Rice is gedegradeerd, is Paul Wolfowitz. Hij zou hebben geklaagd: ,,Ik begrijp niet waarom we beginnen te praten over deze ene man, Bin Laden.' Clarke legt uit dat hij Al-Qaeda leidt en dat die organisatie het direct op de Verenigde Staten heeft gemunt. Wolfowitz zegt dat het Iraakse terrorisme niet moet worden uitgevlakt. Clarke: sinds 1993 is van geen door Irak gesponsord terrorisme tegen de VS gebleken. Na een kort ruzietje over Clarke's vergelijking tussen Bin Laden en Hitler, zegt Wolfowitz: ,,Je geeft Bin Laden te veel krediet. Hij kon zulke aanslagen als op het World Trade Center in 1993 niet zonder hulp van een staat uitvoeren. Het feit dat de FBI en de CIA die connecties niet hebben kunnen aantonen wil nog niet zeggen dat zij niet bestaan.'

Het gespreksfragment verklaart veel van de keuzen die de regering-Bush heeft gemaakt. Clarke's boek gaat overigens voor tweederde over zijn antiterreurloopbaan vóór Bush. Hij is redelijk gelijkmatig in zijn oordeel over de heren die hij diende. Reagan nam geen maatregelen na de aanslag die 278 Amerikaanse mariniers in Beiroet het leven kostte (1983). Bush senior strafte Libië niet na de dood van 273 PanAm-passagiers bij Lockerbie (1988) en hij verzuimde af te rekenen met Saddam na de Golfoorlog (1991). Clinton onderkende volgens Clarke terrorisme als dé dreiging van na de Koude Oorlog, hij voorkwam dat Al-Qaeda een hoofdrol in Bosnië ging spelen, maar was politiek te verzwakt door Monica-gate om CIA en FBI effectiever te kunnen laten optreden.

Waarschuwingen

Clarke's teleurstelling over Bush gaat dieper. Niet alleen verzuimde hij voor 9/11 initiatieven te nemen, `ondanks herhaalde waarschuwingen'. Daarna `profiteerde hij politiek van de aanslagen, nam voor de hand liggende maar tekortschietende maatregelen en lanceerde vervolgens een kostbare en onnodige oorlog in Irak die de wereldwijde fundamentalistische radicaal-islamitische beweging versterkte'.

Die combinatie van fouten, waarvoor `Amerika nog lang de prijs zal betalen', verklaart zijn breuk met de huidige regering, zegt Clarke. Zijn kritiek is niet ingegeven door zure druiven of politieke bijbedoelingen in een verkiezingsjaar, onderstreept hij. Hij erkent bevriend te zijn met Rand Beers, de adviseur buitenlands beleid van Democraat John Kerry, maar zal van hem geen baan aanvaarden. Beers, die ook onder opeenvolgende presidenten werkte, was een van zijn opvolgers als chef-terrorisme. Hij gaf de baan al na enkele maanden teleurgesteld op. Net als de generaal die Clarke opvolgde vóór Beers.

Na de stortvloed van verdachtmakingen aan het adres van Clarke, is het eigenlijke boek relatief verademend. Al blinkt de man niet uit door zelfspot hij wás jaren zo'n Amerikaanse topambtenaar voor wie alles even belangrijk lijkt zijn herinneringen geven een filmisch beeld van hoe het Witte Huis onder spanning reageert. Het spannendste hoofdstuk is het eerste, dat beschrijft hoe het er aan toeging in het Witte Huis de eerste uren en dagen na de aanslagen van 9/11. Ironisch genoeg was dat Clarke's finest hour, want Rice gaf Clarke de leiding over de hele coördinatie-activiteit op het Witte Huis, terwijl de president nog door het luchtruim doolde.

Toen Bush terug was zou hij Clarke de gedenkwaardige opdracht hebben gegeven toch vooral goed te zoeken naar de rol van Irak in de tragedie. Het bestaan van die korte woordenwisseling tussen Clarke en Bush werd vorige week eerst fel ontkend door het Witte Huis, maar is intussen stilletjes toegegeven. Zoals Rice ook Cheney's denigrerende opmerking dat Clarke `nergens bij betrokken was' heeft rechtgetrokken.

Net als oud-minister van Financiën O'Neill, die in januari in The Price of Loyalty een boekje opendeed over de feitenschuwe gedrevenheid van de dominante groep in Washington (besproken in Boeken, 16.01.04), en oud-ambassadeur Wilson, die het bestaan van een uraniumleverantie aan Saddam uit Niger naar het rijk der fabelen verwees, is Richard Clarke ten overstaan van Amerika figuurlijk gelyncht. Maar hij heeft opnieuw materiaal aangedragen voor de stelling dat George W. Bush 9/11 gebruikte om zijn wereldbeeld te bevestigen, niet om zijn visie te laten verfijnen door de realiteit.

Richard Clarke: Against All Enemies. Inside America's War on Terror. Simon & Schuster, 320 blz. €24,09