Een riviertje voor de bajes

De honger naar snel bewegende beelden mag dan groter zijn dan ooit, de publieke ruimte wemelt van de statische kunstwerken. De grootste opdrachtgever van kunst in de openbare ruimte is de Rijksgebouwendienst, die tussen 2000 en 2003 aan 65 kunstenaars 97 opdrachten verstrekte om een `bijzondere meerwaarde' te geven aan ministeries en gevangenissen, rechtbanken en musea. Daar ging ruim 5,5 miljoen euro aan gemeenschapsgeld naartoe, op basis van een half tot twee procent van de bouwsom. Dat vraagt om een verantwoording, vandaar het net verschenen Kunst bij Rijksgebouwen 2000-2003.

Het boek laat een enorme diversiteit zien: sculpturen, neonwerken, speeltuinassemblages, hekwerken, psycho-geografische wandelingen, geluidsinstallaties, keramiek, video-installaties. Ze staan er allemaal in, met een kort `wie, wat en waar' plus een foto van het kunstwerk. Het merendeel heet `conceptueel', dus op het traject `context, idee en vormgeving' was alles onder controle. Zo vulde een aantal kunstenaars op prettig eigenwijze wijze de vitrines waarin de ramen van de jeugdgevangenis De Doggersbank zijn getransformeerd; het `funshoppen' kon zodoende een beetje doorsijpelen. Op de depottoren van het Leidse museum Naturalis ensceneerde Giny Vos een elektronisch ballet van microben, als herinnering aan de massamoord in het Victoria Meer in Tanzania, begaan door de nijlbaars die het ecologisch evenwicht daar tenietdeed.

In navolging van kunstenaars als Jenny Holzer, Barbara Kruger en Lawrence Weiner verschijnen er nog steeds `tekstuele' werken. `Maak meer van uw leven', propageert Gerald van der Kaap in het Rijksbedrijvencentrum NAVA in Rijkswijk. En `Lekker eten thuis in mijn huiskamertje of keukentje' schrijft Lily van de Stokker op een wand bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Oudbollige aftreksels, eigenlijk, van grootmoeders Delfts blauwe borden (`Van het concert des levens krijgt niemand een program'). Nee, dan liever Paul Vendel die zilverkleurige hemellichamen laat bungelen in het atrium van De Artillerie in Den Haag. Daar laat men zijn verbeelding toch liever op los dan op de ingenieuze plintjes, gedesignde kleurvlakken en klinische fotowerken die elders, zo laat dit boek zien, op ruime schaal worden aangebracht.

De ministeries van OC&W en Justitie kregen de meeste kunst toebedeeld. Zelfs in een speciale categorie als `gevangenissen' is de diversiteit groot. In het Roermondse Huis van Bewaring bijvoorbeeld hangen vanaf het plafond zestien enorme portretten van anonieme, Nederlandse burgers, elk samengesteld uit 17.500 keramische bloemetjes. Het anonieme hoofd wil als trend in de fotografie, de video en nu dus in keramiek van geen wijken weten. In de inrichting Ter Peel in Evertsoord ging Annet Bult empathischer te werk door daar een tuin met glooiende heuvels en een riviertje aan te leggen.

Kunst bij Rijksgebouwen is een interessant naslagwerk omdat men zelden of nooit met kunstwerken als deze in aanraking komt. In de begeleidende teksten over kunstenaars en opdrachten ontbreekt vaak relevante informatie over afmetingen en materiaal van het werk zelf. Maar wat erger is: het boek is lamlendig vormgegeven. Op elke bladzijde zijn dwars door tekst en foto's heen grafische foefjes uitgehaald die het lezen en kijken dwarsbomen. Een typografische hiërarchie is ver te zoeken, veelsoortige lettertypen zorgen vooral voor visuele onrust, aan de registers is geen touw vast te knopen en veel foto's ogen troebel. Rijksbouwmeester Jo Coenen onderstreept in het voorwoord de autonomie van de betrokken kunstenaars. Helaas heeft de grafisch vormgever die zich ook ruimschoots toegeëigend.

Kunst bij Rijksgebouwen 200-2003. Episode Publishers, 226 blz. €21,50