Een lijk onder onze vuilnis

Twee joodse bijen vliegen een huis binnen waar een bar-mitswafeestje wordt gegeven. Zegt de ene bij tegen de andere: ,,doe wel een keppeltje op, anders geloven ze nooit dat we er-bij horen.'' De joodse mop is niet meer wat hij geweest is. Deze en andere grappen staan in We zijn er nog, de recentste roman van journaliste en schrijfster Linda Grant, die in 2000 de Orange Prize won voor Toen ik in de toekomst leefde.

In We zijn er nog grijpt Grant terug op vertrouwde elementen als relaties, het jodendom en de positie van de vrouw. Het verhaal gaat over Alix, die vanuit Frankrijk naar Liverpool reist omdat haar moeder op sterven ligt. Op haar sterfbed sommeert de moeder Alix en haar broer een fabriek voor gezichtscrème in Dresden, die indertijd door de Duitsers in beslag was genomen, weer op te eisen. Behalve over de speurtocht naar het verleden, vertelt Grant over de liefde die Alix opvat voor de getrouwde man Joseph Shields, over Alix' broer die na bijna dertig jaar huwelijk wel eens iets anders wil en over de moraal die Alix' vader erop nahield als abortusarts. Wat deze verhalen verbindt, is de bagage die elke geschiedenis met zich meebrengt en ook de notie van goed en kwaad.

We zijn er nog is, hoewel goed geconstrueerd en vakkundig geschreven, een vervelend boek. En dat is raar, want over het thema – de ballast van het verleden – is een mooie roman te schrijven. Het probleem schuilt in de langdradigheid van sommige stukken (bijvoorbeeld de verliefdheid van Alix en een enorme, royaal uitgewerkte episode rondom een zoen), de soms onwaarschijnlijke dialogen en de manier waarop het verschil tussen goed en kwaad uiteindelijk wordt uitgewerkt. Om van deze laatste twee bezwaren een voorbeeld te geven: wanneer Alix en Joseph samen in een hotel zitten, vertelt Joseph haar hoe hij en zijn kameraden tijdens de Yom Kippur-oorlog in 1973 afval in een kuil gooiden terwijl er het halfvergane lijk van een Egyptenaar in lag. Hebben ze verkeerd gehandeld omdat ze `van een man een vuilnisbelt hadden gemaakt'? Toen ze hem zagen liggen, begroeven ze hem weliswaar ergens anders, maar het kwaad was al geschied.

Alix spreekt haar vonnis uit: `Ik vind beslist dat het een slechte daad is, even slecht als wat de nazi's deden die ons joden Stücke, brokstukken noemden. De vraag is echter of jijzelf actief en welbewust hebt deelgenomen aan die slechtheid, en daarop is het antwoord uiteraard nee.' De uitgebreide uiteenzetting over goed en kwaad wordt uiteindelijk afgerond met een weinig verrassende conclusie: `Als ik tegen je zeg dat je niets verkeerd hebt gedaan, leef je in onschuld en onwetendheid, en beide zijn een zegen. Maar het was wel verkeerd. Je hebt een mens gedegradeerd tot een ding, en je blijft zelf menselijk omdat je begrijpt dat je verkeerd hebt gehandeld, zelfs al deed je het niet bewust.' Zo sluit Grant een interessant vraagstuk af met een open deur. En dat doet ze te vaak.

Linda Grant: We zijn er nog. Uit het Engels vertaald door Wim Scherpenisse. De Geus, 350 blz. €23,90