De vader van alle kritische filosofen

Eindelijk is er een vertaling van Immanuel Kants `Kritik der reinen Vernunft', een sleutelwerk uit de moderne filosofie. Hoe is kennis van de werkelijkheid eigenlijk mogelijk?

`De chrysanten, die in de vaas op de tafel bij het raam staan: dat/zijn niet de chrysanten die bij het raam op de tafel in de vaas staan.' Dat dichtte Hans Faverey in Chrysanten, roeiers (1977), en in die paar regels kan de hele moderne filosofie vanaf de zeventiende eeuw gelezen worden. Aldus: de natuurwetenschappen vertellen ons dat de ware werkelijkheid niet is zoals wij die waarnemen; wat wij waarnemen is een fabeltje. Die chrysanten in de vaas zijn eigenlijk verzamelingen moleculen of atomen of, ja wat eigenlijk?

Dit conflict tussen schijn en werkelijkheid heeft Immanuel Kant (1724-1804) geprobeerd op te lossen in zijn Kritiek van de zuivere rede uit 1781. Volgens de overgrote meerderheid van filosofen is hij daarin geslaagd en kan men zich geen volwaardig filosoof noemen zonder Kant te bestuderen. Toch heeft het ruim twee eeuwen geduurd voor Kants belangrijkste boek in het Nederlands is vertaald. Merkwaardig, te meer daar van een vergelijkbaar werk als John Locke's Essay concerning human understanding al snel na verschijning in 1690 een Nederlandse vertaling verscheen.

De reden voor dit uitstel is Kants reputatie van moeilijk filosoof. Zijn redeneringen zijn complex en zijn taalgebruik is abstract en technisch. Daar komt bij dat de kennis van het Duits in Nederland is verdwenen, terwijl de interesse voor Kant blijft. Niet alleen studenten, maar ook docenten aan de universiteit vragen om vertalingen uit het Duits. Wat men van de teloorgang van het negentiende-eeuwse Bildungs-ideaal ook mag vinden, een vertaling voorziet in een behoefte.

Het moet gezegd worden: de Nederlandse vertaling, twee eeuwen na Kants dood verschenen, is een prachtig boek geworden. De gebonden uitgave nodigt uit tot lezen en herlezen, waarbij het leeslint van pas komt, want Kants gedachtegoed is niet eenvoudig. Dat ligt zeker niet aan de vertalers. Jabik Veenbaas en Willem Visser hebben er gelukkig voor gekozen om zo letterlijk mogelijk te vertalen. Waar Kant typische vaktermen als Apperzeption of Apprehension gebruikt, hebben de vertalers niet geschroomd die te vertalen als `apperceptie' en `apprehensie'. Dat is geen zwaktebod, maar precies goed. Het staat gek in het Nederlands, maar ook in het Duits zijn het ongebruikelijke woorden.

Blauwe letter

Kant herschreef zijn Kritiek van de zuivere rede bovendien in 1787, waardoor er een A- en een B-editie van zijn belangrijkste werk bestaat. Waar die edities van elkaar afwijken worden ze meestal onder elkaar afgedrukt. Zo ook in deze uitgave. Men heeft er voor gekozen de B-editie als uitgangstekst te nemen; wanneer dat nodig is wordt de tekst van de A-editie in een iets kleinere, blauwe letter onderaan de pagina afgedrukt. Die kleuren keren terug in het register en in de inhoudsopgave. Ik ken geen andere uitgave van de Kritik der reinen Vernunft die zo mooi en verzorgd is.

Daarbij kun je je bijna voorstellen dat iemand de vraag stelt of Kant zo'n prachtuitgave wel waard is. In de vakwetenschappen zijn tijdschriften na vijf jaar hopeloos verouderd, maar in de filosofie geven ze tweehonderd jaar na dato alsnog een vertaling uit. Hoe zit dat? Betekent dat niet gewoon dat filosofie nutteloos is en geen enkele vooruitgang boekt?

Eerlijk gezegd is dat geen domme vraag. Waar gaat het in de filosofie om? In elk geval niet om levensvragen over de zin van arbeid of doodsangst. Dat zijn vragen die de filosoof moet overlaten aan de vakwetenschappen, zoals de psychologie, omdat je de werkelijkheid moet onderzoeken om het antwoord te krijgen. Filosofische vragen kenmerken zich door het feit dat de antwoorden juist niet gevonden kunnen worden door de empirische werkelijkheid nader te bekijken, maar louter door na te denken. De vraag is vervolgens natuurlijk of dat mogelijk is, en precies die vraag heeft Kant scherper gesteld dan zijn voorgangers en de meeste van zijn navolgers. Er valt dus nog heel wat te leren van Kant. Wie wil weten wat voor filosoof hij of zij zelf is doet er goed aan de Kritiek van de zuivere rede kritisch te lezen. Je ontkomt er niet aan je eigen filosofische plaats te bepalen.

Copernicaanse wending

Op de vraag of filosofie niet nutteloos is geeft Kant het antwoord dat filosofische kennis bestaat of in ieder geval mogelijk is. Maar hoe kan dat? Hoe kunnen we onze kennis vergroten zonder onze ogen en oren te gebruiken om de werkelijkheid te bestuderen? Kants verbluffende antwoord is dat ons denken en onze kennis weliswaar telkens over de werkelijkheid gaan, maar dat de werkelijkheid zoals wij die waarnemen door ons zelf gevormd is. Ons denken is geen afspiegeling van de werkelijkheid, het is andersom: de waargenomen werkelijkheid is juist een weerspiegeling van ons denken. Dat verklaart waarom ware kennis mogelijk is: dat is geen idealisme, want Kant ontkent niet het bestaan van een objectieve werkelijkheid. Met deze `copernicaanse wending' voltooide Kant de ontwikkeling die in de zeventiende eeuw was begonnen, met de opkomst van de moderne natuurwetenschappen en het conflict tussen empirisme (dat kennis zocht in de zintuiglijke buitenwereld) en rationalisme (dat kennis zocht in het verstand).

Tot op de dag van vandaag zijn filosofen in de greep van dat inzicht van Kant, al formuleert men het misschien anders, bijvoorbeeld dat ons beeld van de werkelijkheid bepaald wordt door de taal die we spreken. Wittgenstein geloofde dat de waargenomen werkelijkheid een schaduw is van de regels van onze taal. Hij verschilde alleen van mening met Kant over de mogelijkheid van filosofische kennis. Kants notie daarvan betekende volgens Wittgenstein niet meer dan regels voor correct taalgebruik. Maar zelfs deze nihilistische opvatting is aan Kant schatplichtig, want ook een antifilosoof als Wittgenstein ontkomt er niet aan zich tegen hem af te zetten.

Hetzelfde kan gezegd worden van Wittgensteins tegenpool, de Amerikaanse filosoof W.V. Quine, die net als Wittgenstein Kants stelling dat filosofische kennis mogelijk is verwierp (alleen de wetenschappen produceren kennis) maar die wel bleef vasthouden aan Kants idee dat onze begrippenkaders bepalen hoe we de werkelijkheid waarnemen. Daarover wordt niet alleen binnen de filosofie, maar ook in de huidige cognitiewetenschappen en in de waarnemingspsychologie nog steeds gediscussieerd. Uitgangspunt van die discussie is Kants beroemde uitspraak `Gedachten zonder inhoud zijn leeg, aanschouwingen zonder begrippen zijn blind'. Denken en waarnemen zijn op elkaar aangewezen en van elkaar afhankelijk: je weet wat je ziet, en je ziet wat je weet. Wittgenstein laat filosofie opgaan in de analyse van concreet taalgebruik en Quine reduceert filosofie tot de natuurwetenschappen, maar beiden houden vast aan Kants gedachte dat de werkelijkheid vorm krijgt door ons denken.

Moeilijk

De meeste filosofen scharen zich in dit spanningsveld echter niet achter Wittgenstein of Quine, maar nog steeds achter Kant. Hij heeft de filosofie een eigen domein gegeven. Waar de wetenschappen begrippen als `waarheid', `betekenis', `object', `oorzaak', `representatie' of `begrip' gedachteloos gebruiken, daar is het de taak van de filosoof om daarover na te denken. Het is niet voor niets dat de filosofie na Kant een academische discipline is geworden. Dit wordt soms betreurd, maar ten onrechte. Filosofie is moeilijk, lang niet altijd leuk, en moet worden beoefend met gedisciplineerde denkkracht die het best in een wijsgerige gemeenschap te leren is. Dit kritische denken vindt in Kants werk een hoogtepunt.

Kernvraag blijft natuurlijk of Kant gelijk heeft. Is de werkelijkheid zoals wij die waarnemen echt een product van ons denken? Klopt het uitgangspunt van de moderne filosofie dat er een conflict bestaat tussen het wetenschappelijke wereldbeeld en dat van het gezonde verstand? Waarom zijn die chrysanten in de vaas op de tafel bij het raam niet domweg wat ze zijn: chrysanten in de vaas op de tafel bij het raam? De grote criticus van Kant is niet Quine of Wittgenstein, maar de naïeve realist die gelooft dat de werkelijkheid precies zo is als hij die waarneemt. Maar zelfs die naïeveling ontkomt er niet aan Kants Kritiek van de zuivere rede te bestuderen, als sleutelboek van de moderne westerse filosofie. Deze voortreffelijke en dienstbare vertaling is verplichte literatuur voor iedereen die zich `filosoof' wil noemen.

Immanuel Kant: Kritiek van de zuivere rede. Vertaald door Jabik Veenbaas en Willem Visser. Boom, 689 blz. Tot 1 juli €49,50, daarna €55,– (geb.)