De grote verlakker kan alles

Hugo Claus, die maandag 75 wordt, heeft zo jaloersmakend veel talent dat hij eenvoudig in staat is tot het allerhoogste, maar soms vertikt hij het gewoon. Ook in zijn nieuwe bundel toont zich de paradox van het meesterschap van een van de grootste Nederlandstalige dichters.

Zonder enige twijfel is Hugo Claus een van de grootste dichters van het Nederlandse taalgebied. Ik herinner mij nog goed de dag dat ik in aanraking kwam met zijn beroemde bundel De Oostakkerse gedichten. Ik was geraakt en geschokt, zoals Nederland en België geraakt en geschokt moeten zijn geweest toen deze bundel in 1955 voor het eerst verscheen. Dit is het openingsgedicht van de bundel. Het heet `De ingewijde':

De ingewijde heeft geen lippen, de kraamvrouw zwijgt,

De kwalen der kinderen en kwalen alleen openbaren

Wat in het vel der ouders is gekanteld,

En in dit dorp tussen de gevlerkte linden

Verraadt de snelschrijver zijn dorpelingen

De stilte is

Een gericht van steen, een ijzeren dooi wanneer hij

Schrijft en luistert naar de mannelijke kinderen:

`Heb ik dan grote ogen?'

`Ja, grote, grauwe ogen en een sterk handschrift.'

`Waarom zit je in het veld van Oostakker?'

`Er zijn doofstomme meisjes en ik ben blind.'

`Wat zou je doen als ik lelijk was, een bochel had?'

`Ik zou je nooit meer beminnen.'

En dit,

Ongezien als ontharing door zilverwit:

De nacht tussen de betelplanten

Met een negerin die, tegen geen woorden bestand,

Schreeuwt in een taal niet te noemen.

Dit is zinderende poëzie. Zij is aards en zintuiglijk. Zij bezit een profetische urgentie die haar een enorme kracht verleent. Het is een gedicht dat zich in je vastbijt met zijn klauwen en nooit meer loslaat. Het is duister en mysterieus. Tegelijkertijd is het klankrijk en muzikaal. Dit is bij uitstek lichamelijke poëzie, die je proeft en voelt. Het is met niets te vergelijken, behalve misschien met Lucebert. Alleen al vanwege De Oostakkerse gedichten heeft Claus zich een plek verworven in de eregalerij van de allergrootste dichters en dat is volkomen terecht.

Maar Claus heeft een afkeer van alles wat definitief vaststaat. Voor de uitgave van zijn Gedichten 1948-1993 heeft hij zijn oude poëzie nog eens duchtig onder handen genomen. Zelfs zijn beroemdste gedichten heeft hij herschreven. In de eerste plaats was dit natuurlijk om literatuurwetenschappers te pesten, want zoals een ware autodidact betaamt, koestert Claus een diepe minachting voor academisch geschoolde geesten. Hadden ze hem net veilig uitgeïnterpreteerd, gecanoniseerd en bijgezet in de galerij der groten, vooral vanwege zijn Oostakkerse gedichten, komt hij de vitrine waarin zijn literaire roem ligt uitgestald eigenhandig aan diggelen slaan door te morrelen aan zijn onaantastbare verzen. Het is alsof hij zegt: `Vonden jullie dat nou zo goed? Dan zal ik het wel even veranderen.' Het is alsof Rembrandt het Rijksmuseum binnenwandelt en de Nachtwacht gaat overschilderen. Het is om te gaan schoppen van pure ergernis.

Het is interessant om te zien wat hij dan heeft veranderd in zijn beroemde gedichten. Het geniale gedicht `Bitter smaakt' uit De Oostakkerse gedichten begon altijd met deze regel: `Bitter smaakt het kruid der herinnering 's morgens in de mond.' Dat is goed. Dat staat als een huis. Terwijl het vers de allure heeft van een algemeen geldend aforisme, worden er allerlei specifieke zintuiglijke associaties gewekt. Je kunt denken aan de dode muis die je in je mond proeft als je wakker wordt na een doorleefde nacht en aan de bittere nasmaak die zich opdringt naarmate je je meer details van die nacht herinnert. `Kruid' suggereert dat er van de herinnering een medicinale werking uit zou kunnen gaan, maar voor hetzelfde geld is het de bittere smaak van dolle kervel die je proeft in je mond. In de nieuwe versie begint het gedicht zo: `Bitter smaakt het kruid der herinnering.' Blijf toch met je vieze vingers van onze geliefde Claus af! De versregel is volledig monddood gemaakt en vermiddelmatigd. De suggestieve zintuiglijkheid is verdwenen. Toegegeven, de mond is nog steeds impliciet aanwezig in `smaakt', maar dat wil nog niet zeggen dat de oorspronkelijke tautologie niet juist bijzonder effectief was. Iets wat `bitter smaakt in de mond', smaakt nu eenmaal bitterder dan iets wat `bitter smaakt'. En de verwijzing naar de ochtend kunnen we ook niet missen, omdat de ochtend een voorafgaande nacht suggereert en daarmee de herinnering inkleurt met alcohol, misdragingen, ruzie met een vriend, overmoedige beloften, een vreemd lichaam naast je, onrustige dromen, een nieuwe, beloftevolle dag die al bij voorbaat is vergald door de bittere nasmaak van wat gisteren nog goed leek, kortom met leven.

Waarom verminkt de oude Claus de briljante poëzie van de jonge Claus? De verminking is een doel op zich, omdat zij een ontkenning is van alles wat definitief is en stilstaat. Maar afgezien daarvan, getuigt de versobering van zijn oude voortwoekerende poëzie van een veranderde poëzie-opvatting. In een interview in Awater twee jaar geleden zei hij: ,,Tegenwoordig sta ik op het standpunt: het moet glashelder zijn. Anders wordt het te egocentrisch, te autistisch. Zelfs als je iets autistisch wilt tonen, moet je niet noodzakelijk een autistisch element gebruiken. Veel jonge dichters blijven duister, en zeggen dan: ja, zo moet ik me uitdrukken, want de wereld is onhelder, gefragmenteerd. Maar dat is geen excuus.'' Nu is Claus een notoire leugenaar, vooral in interviews, maar de ontwikkeling die hij hier schetst van zijn eigen poëzie is, ongetwijfeld geheel onbedoeld, precies juist. In de bundel Wreed geluk (1999) zegt hij het zo:

Zolang hij een dichter

voor dichters was verkoos hij

het matglas boven het klare.

Nu het donkert in zijn ogen

hunkert hij naar het ware

van iets zichtbaars als gras.

De ontwikkeling van aardse, verwrongen, duister kolkende poëzie naar heldere eenvoud heeft klassieke gedichten opgeleverd. Een van mijn favorieten is het tweede gedicht uit de bundel Sonnetten uit 1987:

Als er niets nieuws is in het avondland

maar alleen wat er geweest is vanaf het begin,

waar kan ik uitvinden dat niet faliekant

een eerder geboren kind verzint?

Jij staat al Etruskisch, Helleens, Azteeks

op ansichtkaarten aan de wand gepind

te lonken, te koop, al te zeer bemind,

mijn eeuwenoude jonge feeks.

Hoe zou de antieke wereld reageren

tegenover het huidige mirakel van je lijf?

Blijven geloven dat geen ogenblik

ooit zonder herinnering kan genereren?

Die oude rakkers wisten vast geen blijf

met jouw eenzelvigheid, net zo min als ik.

Dit is een gebeeldhouwd gedicht, helder en symmetrisch opgetrokken uit de paradox van het besef dat alles al is gezegd in combinatie met de behoefte om voor deze unieke geliefde iets unieks en nieuws te schrijven. Het uitgangspunt is eerder cerebraal dan aards en de uitwerking is gecontroleerd. De bewoordingen zijn simpel en raak, zonder het effectbejag van retorisch vuurwerk. En Claus slaagt op grootse wijze.

Ook Claus' lijvige nieuwe bundel, In geval van nood, wordt gekarakteriseerd door een streven naar helderheid. Het motto van de bundel is `Con leggerezza pensosa', een soort muzikale stemmingsaanduiding, die ons voorschrijft de gedichten te lezen `met peinzende lichtheid.' De dichter die ooit zo aards was als de rulle kluiten van Oostakker en zong van `de koorts van mijn lied, de landwijn van mijn stem', is nu in gedachten verzonken en zoekt quasi-pretentieloze lichtheid. En ook in deze bundel levert dat mooie gedichten op, zoals het eerste gedicht van de cyclus `Bewegen':

Alsof door de wenteling van je lenden

een heldere nachtmerrie ontstaat

als de daimoon in je gewrichten

schokschoudert van het lachen

Dat bewegen van jou en mij

spelingen van het licht

De verwanten zijn ver weg

De liefdes, praat er niet over

ik registreer alleen die dagelijkse

nonchalante dood van mij

een ridder

van rare woorden

In weerwil van het slotvers, komen er geen rare woorden voor in dit gedicht, tenzij je zou willen opkijken van de vergriekste spelling van de demon. De formuleringen zijn simpel en zelfs enigszins nonchalant, vooral in de wendingen `dat bewegen van jou en mij' en `die dood van mij'. Maar de eenvoudige woorden staan op een buitengewoon effectieve manier naast elkaar. `Die dagelijkse/ nonchalante dood van mij' is heel erg goed gezegd. Het is vooral een goed gedicht, omdat de simpele formuleringen geenzins een simpel, eenduidig gedicht opleveren. Het gedicht scheert langs grote thema's als liefde, seks, ouderdom, dood en poëzie zonder uit te zijn op pasklare antwoorden.

Maar soms gaat het ook mis. Dit is natuurlijk pure flauwekul:

Een staarster

Wensen?

Zij fluistert

Zij is in mijn bereik

gehurkt in de kelder

Wensen?

Kom. Doe het. Toe

Zij spettert, en hoe!

Zij fluistert

Luister. Haar keel is dicht

Haar schaambeen zo moe

Wellicht dat de verwijzing naar een meisje in een kelder voor Belgische lezers allerhande emoties oproept en wellicht dat dit gedicht de Belgische lezers raakt en ontroert, maar als dat zo is, dan komt dat door de werkelijkheid die wordt opgeroepen en niet door dit gedicht. Het hangt van willekeur aan elkaar. `Kom. Doe het. Toe/ Zij spettert, en hoe!' is bijna schaamteloos banaal. De herhalingen van `Wensen?' en `Zij fluistert' zijn bijna een parodie op echte poëzie. En daarbij komt nog dat er niets staat. Het gaat nergens over. Het zijn woorden die zich met het wit van de pagina dat hen omringt, vermommen als poëzie.

En Claus weet het ook, dat dit belabberde poëzie is, daar ben ik van overtuigd. Dit brengt ons tot de kern van het paradoxale meesterschap van de grootste levende Belgische dichter. Hij heeft zo jaloersmakend veel talent dat hij eenvoudig in staat is tot het allerhoogste, maar soms vertikt hij het gewoon. Soms loopt hij gewoon te zieken. Hij gooit er met zijn pet naar en zit vervolgens stiekem te lachen dat we hem nog serieus nemen ook. Zoals hij in interviews zand in de ogen strooit door voor elke interviewer ergens anders te zijn geboren, zo draait hij de hele literatuur een loer door al jaren lang prulverzen in het pantheon binnen te smokkelen. Claus kan het nu eenmaal niet laten om de boel te verlakken. En bovenal heeft hij een hekel aan alles wat definitief is en vaststaat. Zoals hij de canonisering van zijn vroege gedichten frustreert door ze te herschrijven, zo schopt hij tegen de pilaren van de heilige tempel van de grote poëzie door doelbewust, onder het mom van grote poëzie, onzin te verkopen.

Vaak is Claus zo brutaal om volledig zichtbaar te maken dat hij een gedicht in een vloek en een zucht heeft geschreven. `Vers-van-de-lever-verzen' noemt hij dat zelf. We zien dat de dichter een beetje voor zich uit zit te associëren, zoals een jazzmuzikant riedeltjes improviseert:

Waar vroeger boeren zaaiden

maaiden, schapen kweekten [...]

Vervoering voor het geschapene?

Ook voor het openbaar vervoer?

`Zaaiden' leidt via de klankassociatie tot `maaiden'. De `schapen' van de boer wekken de associatie op met `het geschapene'. De `vervoering' brengt de dichter tenslotte op `vervoer'. Het is alsof je een kladblaadje leest met wat willekeurige associaties, waar ooit nog eens een gedicht van gemaakt moet worden, maar Claus laat het gewoon staan, maakt hem het uit. Maar Claus blijft toch altijd de grote meester. Drie regels na deze onzin, staat er opeens een prachtige strofe, achteloos, bijna toevallig:

Ook voor het briesend paard

dat de zweep van zijn

snikkende meester zocht

in Turijn

Deze tegenstrijdige ervaring die je hebt binnen de spanne van één enkel gedicht, waar je eerst het idee hebt dat je in de maling wordt genomen, en dat word je ook, en dan plotseling stuit op grootse poëzie, is kenmerkend voor de bundel In geval van nood als geheel. Het is kenmerkend voor al zijn recente bundels. Het is misschien kenmerkend voor zijn oeuvre als geheel. Claus kan bijna achteloos de mooiste verzen schrijven. En bovendien beheert hij alle genres. Hij kan duistere, aardse verzen schrijven die behoren tot het beste wat het Nederlands heeft voortgebracht. Hij kan een cerebraal sonnet schrijven met klassieke allure. En hij kan een klein gedicht schrijven dat in heldere, simpele bewoordingen raakt aan de grootste thema's. Maar de meester is lui en bovenal niet te vertrouwen. Soms heeft hij gewoon geen zin en soms heeft hij gewoon zin om je beet te nemen. En omdat hij een hekel heeft aan alles wat definitief is, schotelt hij je soms gedichten voor die onaf lijken, geeft hij verschillende versies van hetzelfde gedicht en is hij bij voortduring bezig zijn eigen reputatie van de grootste levende dichter van België te bevestigen en te ondergraven. Dit alles heeft een heel merkwaardige uitwerking op je leeshouding. Je wilt Claus onvoorwaardelijk bewonderen, al was het maar uit dank voor De Oostakkerse gedichten, maar hij steekt daar bij voortduring een stokje voor. Hierdoor ben je steeds op je hoede als je Claus leest. Je leest zijn poëzie met achterdocht, behoed op valstrikken van de sluwe meester. En dan heeft hij het toch mooi voor elkaar. Door je achterdocht lees je hem met beduidend meer concentratie en inzet dan de meeste dichters. Hij zet de boel op scherp.

Claus is het supertalent dat te lui is om voor de duvel te dansen. Claus kan alles. Claus is de grote verlakker. Claus is de snelschrijver die zijn dorpelingen verraadt. Claus is het genie dat loopt te zieken. Claus is de enige die het verdient om de eerste Nederlandstalige Nobelprijswinnaar te worden.

Hugo Claus: In geval van nood. Gedichten. De Bezige Bij, 205 blz. €26,50

Ter gelegenheid van de vijfenzeventigste verjaardag van Hugo Claus op 4 april aanstaande verschijnen nog drie uitgaven bij De Bezige Bij:

`Groepsportret. Hugo Claus' door Mark Schaevers, een keuze uit meer dan vijftig jaar interviews met en uitspraken van en over Claus (469 blz. €25,–), een cassette met `De romans' en een cassette met `Gedichten' (beide €75,–, na drie maanden €95,–).