Briefjes

De charme van de tentoonstelling Het fabeldier dat Komrij heet in het Letterkundig Museum in Den Haag zit voor mij vooral in de briefjes. Ze zijn voor een deel ook afgedrukt in het interessante, gelijknamige schrijversprentenboek van Onno Blom, maar het is aardiger om ze in het origineel te zien.

Lieve briefjes, gereserveerde briefjes, instemmende briefjes.

Daarachter ritselt een wereld van ontluikende ambitie, onzekerheden, opbloeiende en uitdovende vriendschappen.

Ambitie schreeuwt om erkenning, maar ook om afwijzing. Het begint al (januari 1962) met een vaderlijke afwijzing van, jawel, Algemeen Handelsblad, waar redacteur Herman Besselaar van de Dichtershoek aan (toen nog Gerrit Jan) Komrij laat weten: ,,Nu en dan stuit ik op een helder beeld, een verrassend geluid, maar dan weer moet ik enigszins huiveren voor het lawaai dat je veroorzaakt, het woordgeweld en dan vraag ik mij af: wat bedoelt Gj, daar nu mee?''

Dit briefje wordt veertien jaar later niet helemaal gecompenseerd met de missive van mr. R.F. van den Bergh van de directie van NRC Handelsblad aan de beginnende tv-criticus Komrij. ,,Ten overvloede wil ik u erop wijzen dat u verplicht bent bij beëindiging van het verrichten van journalistieke diensten voor NRC BV de kleurentelevisie zo spoedig mogelijk in goede staat terug te zenden.'' (Uit eigen ervaring als ex-tv-criticus kan ik meedelen dat men later minder op de kleintjes lette: ik mocht 'm houden.)

Komrij heeft het in de aanloop naar zijn schrijverschap moeilijk gehad, zeker in materieel opzicht. Wanhopig vraagt hij in 1966 vanuit Griekenland aan een vriendin in Nederland om zijn boeken aan antiquariaat Schumacher te verkopen: ,,Het is nu half acht in de morgen, ik heb de hele nacht niet geslapen, en ik hoop dat ik dat geld zo spoedig mogelijk heb. Lieve Ansje, het is het enige waar ik op het ogenblik aan kan denken.''

Uit sommige briefjes blijkt hoe het gesteld is met de loyaliteiten en vijandschappen in schrijversland. W.F. Hermans bedankt Komrij op 25 september 1980 voor zijn toegezonden poëziebloemlezing met de woorden: ,,De afwezigheid van Sybren Polet wordt niet door mij smartelijk ervaren, maar wel door de dichter zelf, neem ik aan. Nuis, `De functionaris', is een zelfportret.''

Geert van Oorschot stuurt een gniffelend briefje als Komrij Huub Oosterhuis heeft aangevallen: ,,Wat heeft u daar met die meneer Oosterhuis op een onnavolgbare wijze zijn roomse vloer aangeveegd.''

Jeroen Brouwers valt Komrij bij als deze in 1980 in aanvaring is gekomen met enkele Vijftigers. ,,Ik heb ook uit jouw telefonische bijval met mij nodige troost geput'', schrijft Brouwers. Kennelijk heeft Komrij hém gesteund toen hij, Brouwers, zich kort daarvoor keerde tegen `het infantilisme in de literatuur van de jaren zeventig'.

De tentoonstelling bevat een warme brief van Komrij aan zijn vriend Hans Warren. In Komrij's Demonen kunnen we lezen hoe het afliep. Komrij, ernstig teleurgesteld in Warren, nam bewust kort voor diens dood wraak met een vernietigende recensie van zijn laatste dichtbundel.

Soms is schrijven niet alleen schrappen, maar ook schroeien.