Beitelen aan zijn eigen monument

De geschiedvervalsing was niet meer draaglijk. Over het leven en werk van Helmut Kohl zijn zoveel clichés en legendes in omloop en wordt zoveel onzin verkocht, dat de eigenlijke geschiedenis nauwelijks nog zichtbaar is. Zes jaar na het einde van het tijdperk-Kohl dreigt de leugen het al te winnen van de waarheid – vindt Helmut Kohl.

De voormalig bondskanselier (1982-1998) trok zich daarom terug in de kelder van zijn huis in Oggersheim en probeerde zijn levensverhaal te redden uit de handen van de `Geschichtsklitterer', de `samenflansers'. `Er zijn zo veel politieke clichés over mijn loopbaan en mijn ambtsperiode verspreid dat de legenden nu al dreigen te verdringen hoe het werkelijk was. Daarom heb ik nu zelf naar de pen gegrepen', schrijft hij in het voorwoord van het onlangs verschenen eerste deel van zijn memoires.

Eerste legende: Kohl woont niet in Oggersheim, maar in Ludwigshafen, thuisbasis van chemiereus BASF. Zijn huis staat in de wijk Oggersheim. Tijdens een verkiezingscampagne in de jaren zeventig sprak de SPD consequent over `De man van Oggersheim' om hem een provinciaal imago aan te wrijven: de CDU'er Kohl als treurige tegenpool van de kosmopoliet en SPD-kanselier Helmut Schmidt. Het etiket `Oggersheim' raakte hij nooit meer kwijt. Later werd het een bouwsteen van het ook door hemzelf gekoesterde imago van man van het volk.

De intentieverklaring die aan de memoires van de Man van Ludwigshafen voorafgaat proeft naar rancune en verontwaardiging. Diezelfde smaak bleef ook achter na een tweedelige tv-documentaire die de ARD deze zomer over hem maakte. Kohl kwam daarin naar voren als een voormalig staatsman die zéér tevreden is over zijn, onbetwist grootse, prestaties, maar die alle grootsheid uit het oog verliest als het gaat om politieke tegenstanders van weleer. Over partijgenoten en vroegere strijdmakkers als Norbert Blüm en Heiner Geissler zei Kohl tegen de ARD: die mensen interesseren me niet. De kilheid die Kohl toen aan de dag legde maakte nieuwsgierig naar zijn geschreven herinneringen. Hoe bloedig zou de eindafrekening uitvallen?

De nu verschenen terugblik eindigt op het moment dat Kohl kanselier wordt en beslaan daarom nog niet de meest geruchtmakende episodes uit zijn loopbaan. De herinneringen aan de zestien jaar waarin hij uitgroeide van bondskanselier tot staatsman komen pas in 2005 op de markt. Het historische moment van de Duitse eenwording wordt daarom nog niet belicht, evenmin als het schandaal rond de anonieme giften dat Kohl op dramatische wijze in diskrediet bracht. Ook het moeilijkste moment uit zijn persoonlijke leven, de zelfmoord van echtgenote Hannelore, die aan een zeldzame lichtallergie leed, ontbreekt daarom.

Erinnerungen. 1930 -1982 is geen wraakoefening geworden. Het is eerder een minutieuze boekhouding van de eigen carrière en een onderhoudsbeurt voor het eigen monument. Kohl is bijna altijd succesvol, heeft vrijwel altijd gelijk en maakt niet zo heel erg veel fouten. Kohl werkte altijd hard en zelfspot is niet zijn sterkste kant.

Het meest fascinerende deel van de memoires vormen de kinder- en jeugdjaren. In zijn beschrijvingen van ouderlijk huis en oorlogsleed laat Kohl, geboren in 1930, de lezer dichtbij komen. De laatste woorden van zijn oudere broer Walter die in november '44 teruggaat naar het front: `Pas op jezelf, ik kom niet meer terug. En zorg voor mama.' De lijken in het gebombardeerde Ludwigshafen, de evacuatie naar Bergtesgaden, de voettocht naar huis dwars door het ontredderde en vernielde Duitsland. De zware opleiding op een boerenbedrijf. Het katholieke milieu in de Pfalz, het gezin dat niet arm was, maar wel op de centen moest letten. De voorliefde voor de helden van Karl May.

De jonge Kohl valt al vroeg voor de politiek. Als zestienjarige begeleidt hij zijn ouders naar de stembus, even later wordt hij lid van de Junge Union, als student plakt hij affiches en als jongvolwassene promoveert hij op de naoorlogse wederopstanding van de politieke partijen. Kohl wilde niet als kind al parlementariër worden – maar veel scheelt het niet. De ontreddering van 1945 wekt zijn interesse voor de publieke zaak, de keuze voor de CDU is voor de katholieke tiener bijna een automatisme. Na zijn promotie in 1958 begint hij een politieke loopbaan.

Op het moment dat de politieke carrière begint, verdwijnt de hoofdpersoon achter een formalistische haag. De lezer volgt een energiek en ambitieus politicus, maar blijft toeschouwer op grote afstand. Wat Kohl zich uit zijn jaren als deelstaatpremier in Mainz en als oppositieleider in het Bonn van de jaren zeventig vooral lijkt te herinneren, zijn verkiezingsuitslagen. Hij noteert tot achter de komma met hoeveel steun hij een bepaald ambt in de wacht sleepte. Dat is tekenend voor de plaats die de praktische kanten van de politiek in Erinnerungen inneemt. Er is minder aandacht voor de inhoud. Kohl houdt aan de lopende band toespraken, maar wat hij precies heeft gezegd komen slechts zelden aan bod. Tactiek, strategie en het personeelsbeleid van de CDU overvleugelen in de weergave vaak de politieke idealen die hij nastreefde. Die invalshoek levert veel details op die voor buitenlandse consumptie niet bijster geschikt zijn. Een uitzondering hierop vormt de jarenlange guerrillaoorlog die Kohl en CSU-kopstuk Franz-Josef Strauss tegen elkaar voeren. De lange keten van gekonkel, geheim overleg, uitgelekte stukken en anderszins pootje haken waarmee Strauss Kohl dwarsboomt is amusant om te lezen.

Dramatisch zijn de ontvoeringen eind jaren zeventig van vrienden en geestverwanten. Kohl erkent dat hij een grote fout maakte tijdens de ontvoering van zijn vriend en partijgenoot Peter Lorenz, voorzitter van de CDU in Berlijn. Kohl maakte deel uit van het crisisteam dat de eisen van de ontvoerders, de `Bewegung 2. Juni', inwilligde en Lorenz ruilde tegen vijf gevangenen. De Duitse overheid liet zich door terroristen chanteren en had dat, schrijft Kohl, nooit mogen toestaan.

Na de ontvoering van Lorenz legt Kohl, onder luid protest van Hannelore, vast dat hij zelf na een ontvoering niet geruild wil worden. Twee jaar later, tijdens de `Duitse Herfst' van 1977, blijkt dat Kohl en werkgeversvoorzitter Hans-Martin Schleyer boven aan de zwarte lijst van de RAF staan. Ook Schleyer legt vast dat hij niet geruild wil worden. Tijdens Schleyers ontvoering ontvangt Kohl een cassette waarop Schleyer, bang voor de naderende dood, pleit voor inwilliging van de eisen van de ontvoerders. Mogen we zo hardvochtig zijn tegenover Schleyer en zijn familie door niet op de eisen in te gaan, vraagt Kohl zich af. De kwestie achtervolgt hem dag en nacht. Na de bestorming van een door RAF-sympathisanten gekaapt Lufthansa-toestel in Mogadischu wordt Schleyer vermoord.

De Duitse eenwording valt niet binnen het bestek van het boek, maar het streven naar hereniging is een voortdurend thema. Kohls trouw aan de bewoners van de DDR komt zelfs zo vaak aan bod – veel vaker dan andere politieke dossiers – dat het wel lijkt alsof hij zijn leven nu ziet als één lange aanloop naar dat ene, waarlijk historische moment.

Helmut Kohl: Erinnerungen. 1930-1982. Droemer Verlag, 649 blz €28