Trivialisering

Grasduinen in de kiosk. Tom Rooduijn bespreekt wekelijks een tijdschrift. Vandaag het Vara-tv-magazine.

Achttien jaar geleden beschreef Neil Postman in Amusing ourselves to death hoe de verweving van commercie, nieuws en amusement het media-aanbod domineerde en het publiek op den duur geestelijk zowel als materieel berooide. Postmans werkelijkheid speelde zich elders af – en gold hier niet als verontrustend. Drie jaar na publicatie van het boek begon de commerciële televisie in Nederland. Inmiddels is veel ingehaald: gossiprubrieken staan in vrijwel alle media, het onderscheid tussen informatie en entertainment is diffuus geworden. De gevolgen hiervan worden door de society-verslaggever van de Volkskrant onder woorden gebracht in een interview met VARA-tv-magazine.

Ten tijde van Postmans publicatie bestond in Nederland nog een strak onderscheid tussen tussen egalitair (volksvermaak) en elitair (kunst) amusement. Mijn vader, dramaturg bij een gesubsidieerd toneelgezelschap, keek niet neer op Wim Sonneveld; hij had nog nooit van hem gehóórd. Televisie kwam ons huis niet in: ,,De werkster heeft teevee.'' Maar in een tijd dat de grenzen tussen high- en low-culture zijn vervaagd, speelt een acteur van zo'n deftig repertoiregezelschap het ene jaar tv-komiek met Paul de Leeuw en het andere Othello.

Vandaar wellicht de belangstelling van een televisiegids voor de wederwaardigheden van een `sterverslaggever', te boek gesteld in Nou en Wow! – Roem in Nederland. De auteur, Cornald Maas, prijkt zelfs op het omslag van het magazine waar in de regel de door hem op feestjes gesignaleerde tv-sterren staan. Hij uit een noodkreet over ons verval in ledig entertainment: ,,We zijn inmiddels een land dat 365 dagen per jaar in de ban is van iets'', stelt hij, ,,of het nu voetbal is, Big Brother of Rob Oudkerk.''

Maas constateert dat in deze tijd lichtgewichten tot beroemdheid worden gebombardeerd en ,,ontzag voor wat er in culturele zin werkelijk toe doet'' ontbreekt: ,,Wat het grote publiek mooi vindt is nu de norm geworden.'' Hij hekelt de Gouden Harp voor Frans Bauer, een hoorcollege van Patty Brard aan de UvA en de Amsterdamse wethouder van cultuur Hannah Belliot die geïmponeerd is door Joop van den Ende en Appie Baantjer. Het marktdenken is ondertussen ook bij de publieke omroepen de norm. Om nieuwe boekenprogramma's moet gelachen kunnen worden, aldus Maas, en de uitzendingen terzake van Michaël Zeeman en Hanneke Groenteman worden nu afgedaan als `te intellectueel'.

Maar het amusementsstreven geldt ook Maas' eigen opdrachtgever: zijn krant wijdde een pagina aan Sabine uit Big Brother en op de jongste Miljonairsfair was hij omringd door vier Volkskrant-collega's, ,,terwijl ze er drie jaar geleden nog geen halve zin aan gewijd zouden hebben''. De hoofdredactie had hem eerder al ,,met klem verzocht'' zich in zijn rubriek op de achterpagina vooral toe te leggen op Bekende Nederlanders. Ook de transfer van columnist Albert Verlinde van Privé naar NRC Handelsblad acht Maas ,,tekenend voor deze tijd'' van overbelichting van luchtigheid.

,,Het einde is nog niet in zicht'', voorspelt Maas: ,,In toenemende mate zijn politici, burgemeesters en schrijvers er gevoelig voor.'' Wat hij signaleert is onmiskenbaar waar. Maar het blijft curieus: een jammerklacht over de trivialisering van de media door een exponent van die trivialisering.