Na de utopieën komt nu de techno-revolutie

Tien jaar geleden spraken de mensen over het einde van de geschiedenis, waarmee ze de uiteindelijke zegetocht van de liberale kapitalistische wereldorde bedoelden. Vandaag de dag vinden veel mensen die notie te simplistisch. Niettemin zijn we aangeland bij het einde, én het begin, van iets opmerkelijks.

In het kielzog van de dood van de utopische – en vaak bloedige – zekerheden van de negentiende en de twintigste eeuw (de ondergang van het communisme was slechts het laatste spectaculaire voorbeeld), en door het verdwijnende geloof in de liberale verzorgingsstaat, veranderen de traditionele opvattingen over werk, pensionering, onderwijs, kerk, solidariteit en andere sociale instituties in sneltreinvaart. De centrale kracht achter dit alles is de huidige enorme versnelling van het onderliggende tempo van de technologische en economische veranderingen. Noem het de fast forward modernisering.

Natuurlijk heeft de wereldwijde koersval van de technologie-aandelen in 2000 de hype over een `nieuwe economie', die aan het `einde van de geschiedenis' leek te ontstaan, doen wegebben. Maar dalende koersen moeten ons niet blind maken voor het feit dat bovenop de voortgaande informatierevolutie nog eens drie nieuwe golven van revolutionaire technologie op het punt staan toe te slaan: biotechnologie (inclusief nieuwe medische technologieën en genetische manipulatie, zoals het scheppen van menselijke embryo's door middel van klonen), nanotechnologie en robotica. Ieder daarvan brengt zijn eigen industriële revolutie met zich mee en zal onze levens en denkwijzen diepgaand beïnvloeden.

De revolutie is trouwens al aan de gang. Voor het eerst in de geschiedenis zorgt een wereldwijde technomarkt ervoor dat de financiële wereld, de zakenwereld, de politiek en ook de fysiologie een onherkenbare gedaanteverwisseling ondergaan. Dit nieuwe systeem van de technomarkt wordt vormgegeven en gekarakteriseerd door een geloof in het toenemende belang van kennis, nieuwe ideeën, innovaties en nieuwe technologieën, en een hoger tempo van wat de econoom Joseph Schumpeter in een beroemde zinsnede de `creatieve verwoesting' noemde.

Als gevolg daarvan is het traditionele kapitalisme snel aan het verouderen en wordt het vervangen door een creatief ondernemerschap. In samenhang met een grotere bereidheid om vernieuwingen door te voeren, zal dat het zakenleven drastisch veranderen. Innovatieve beginnende bedrijfjes groeien sneller dan ooit uit tot grote concerns. Maar deze pasgeboren giganten worden al even snel weer ingehaald door nog nieuwere ondernemingen.

Neem het voorbeeld van de computerindustrie. Waar het andere landen nog vijftien jaar kostte vóór ze met succes konden concurreren met de Amerikaanse Silicon Valley op het gebied van de productie van halfgeleiders, duurde dat bij de ontwikkeling van internettechnologie minder dan vijf jaar. Wetenschappers en ondernemers ontlenen aan dit systeem ongekende financiële prikkels om op agressieve wijze nieuwe technologieën tevoorschijn te toveren.

De revolutie beperkt zich niet tot de elite: zij biedt veel mensen over de hele wereld ook een realistisch (niet-utopisch) vooruitzicht op een dramatisch verbeterde levenskwaliteit – niet over honderd jaar, maar in de afzienbare toekomst.

We zijn niet alleen getuige van een eenvoudige aanpassing van sociale structuren en levenswijzen aan de nieuwe technologieën. Nobelprijs-winnaar Robert Fogel betoogt dat een nieuw soort synergie tussen technologische en fysiologische verbeteringen een radicaal nieuwe vorm van de menselijke evolutie heeft opgeleverd, die hij de `technofysiologische' evolutie noemt. Alleen dat fenomeen kan volgens Fogel de recente ontwikkelingen op het gebied van de levensduur, de lichaamsgrootte, de duurzaamheid van vitale organen en het optreden van chronische ziekten verklaren.

Deze ontwikkelingen leiden ook tot veranderingen in het menselijk bewustzijn. Het gevolg is een litanie van `post-utopische' waarden, waaronder een sterkere nadruk op individuele vrijheid en persoonlijke verantwoordelijkheid. In deze niet-utopische wereld is individuele vrijheid de hoogste waarde.

Maar er zijn ook stugge volhouders, zoals bij iedere transformatie van deze omvang. Overal om ons heen lijkt de politiek zelfs gedomineerd te worden door de `slag tussen de levensstijlen' die uit de hedendaagse nadruk op individuele autonomie naar voren is gekomen.

Nog niet zo lang geleden waren zaken als het milieu, de balans tussen werk en vrije tijd, en de rol van het huwelijk, abortus en andere familie-aangelegenheden politieke kwesties van secundair belang, terwijl de politici ruzie maakten over de verdeling van de nationale rijkdom. Nu staan die kwesties bovenaan de binnenlandse politieke agenda's.

Een groot deel van deze `slag tussen de levensstijlen' wordt ongetwijfeld verkeerd begrepen, misschien omdat de discussies daarover op een simplistische manier worden gevoerd: de antiglobalisten versus de multinationals, de milieubeschermers versus de vervuilende bedrijven, de kleine boeren versus de agro-industrie, enzovoorts. Maar achter de slogans gaapt een kloof tussen degenen die het vermogen bezitten om veranderingen te omarmen en degenen die zich daartegen verzetten door vast te houden aan traditionele inzichten over de organisatie van ieders persoonlijke leven en de maatschappij als geheel.

Dit conflict doet zich overal ter wereld voor. In samenlevingen die zich erop hebben voorbereid door hun markten open te stellen en universeel onderwijs in te voeren, kunnen de ontwrichtingen van deze revolutie waarschijnlijk worden geabsorbeerd en aangepakt. Het conflict is het hevigst in gesloten samenlevingen die worden gekenmerkt door een politiek repressief klimaat en cultureel bepaalde obstakels voor de groei. Tot zulke obstakels behoren de afwezigheid van een geïnformeerde en capabele beroepsbevolking, instinctief wantrouwen, de verwerping van nieuwe ideeën en technologieën omdat ze nu eenmaal uit het westen komen, gebrek aan respect voor degenen die nieuwe kennis vergaren en de discriminatie van vrouwen.

De `slag tussen de levensstijlen' heeft geleid tot de opkomst van nieuwe vijanden van open samenlevingen, zoals de Talibaan en Al-Qaeda. Het is geen toeval dat het terrorisme welig tiert in samenlevingen die vijandig staan tegenover de hedendaagse moderne waarden en het geloof in individuele autonomie. Zolang deze ideeën botsen, ligt het geweld op de loer.

Om de post-utopische waarden op de langere termijn te verdedigen kunnen de politici (en de generaals en spionnenmeesters) de veiligheid niet zoeken in een drastische beknotting van de fundamentele vrijheden, omdat zij dan het risico lopen de steun van de publieke opinie te verliezen en de steunpilaren van de door de markt beheerste wereldorde te ondermijnen. In de oorlog met groepen als Al-Qaeda moeten zij zich realiseren dat zij verwikkeld zijn in een ideeënstrijd; het veroveren van de harten – en de levensstijlen – van hele samenlevingen is de enige manier om deze oorlog te winnen.

Hans Blommestein werkt als econoom bij de OESO en is auteur van `After the Death of Utopia'.

© Project Syndicate 2004

Vertaling: Menno Grootveld