Gezamenlijk asielbeleid

De uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe lidstaten op 1 mei heeft resultaat opgeleverd voor het moeizame asieldossier. De vijftien EU-landen bereikten deze week overeenstemming over minimumvoorschriften voor de behandeling van vluchtelingen. De besluitvorming in de Unie werd door een Nederlandse bewindspersoon eens met reden getypeerd als ,,een ingewikkeld onderhandelingsproces waarbij steeds andere landen op de rem gaan staan''. Het vooruitzicht het moeizame gesprek over te moeten doen met tien nieuwe leden, elk met blokkeringsmacht, die bovendien nauwelijks over de benodigde middelen beschikken, is ten slotte een effectief schrikbeeld gebleken.

De noodzaak om een gemeenschappelijke lijn te trekken in asielzaken is meteen de reden voor verdeeldheid. De lidstaten beseffen maar al te goed dat hun eigen wetgeving concurreert met die van de andere lidstaten. Een relatieve versoepeling vertaalt zich al gauw in een grotere aantrekkingskracht op migranten. Deze omstandigheid leidt tot een race to the bottom, zoals het eerder dit jaar werd uitgedrukt in de Tweede Kamer, waarbij het kleinste gemene veelvoud de doorslag geeft. Vooral de PvdA sprak hierover zorg uit, en het CDA vond het jammer dat het zo duidelijk om minimumnormen gaat. Maar zo'n race is er, zoals de VVD in herinnering bracht, ook zónder minimumnormen. Het belang van de nieuwe richtlijn is dat hij afspraken beoogt te geven over de interpretatie van het begrip `vluchteling'. Het vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties geeft een basismaatstaf: de aanwezigheid van een gegronde vrees voor vervolging wegens politieke overtuiging, geloof, ras en dergelijke. Geldt dit alleen voor vervolging van overheidswege of tellen ook de daden van zogeheten non-state actors? Moet eerst een binnenlands vluchtalternatief worden gezocht? Dat zijn een paar belangrijke doch lastige vragen die de EU in de richtlijn aansnijdt.

De minimumnormen zijn een eerste stap. Het einddoel is een gemeenschappelijk EU-asielbeleid. Op de agenda staan nog minimumnormen voor de asielprocedure. Daaronder valt het netelige punt van de veilige derde landen waarnaar asielzoekers met weinig omslag kunnen worden teruggestuurd. Om maar te zwijgen van het screenen van asielzoekers in de regio van herkomst, zoals premier Blair heeft geopperd. De tegenstellingen lopen hier zo mogelijk nog hoger op dan bij de nu afgesproken minimumnormen. De richtlijn staat individuele lidstaten overigens met nadruk toe naar boven af te wijken. Minimumnormen hoeven niet automatisch uit te pakken als minimale normen. Het politieke debat gaat, ook in Nederland, gewoon voort.