Geweld in Kosovo 1

Yael Vinckx haalt in haar artikel (NRC Handelsblad, 24 maart) over het recente geweld in Kosovo, terecht een aspect naar voren dat te weinig aandacht krijgt. Dat is het verschil in de verhoudingen tussen de bevolkingsgroepen in Kosovo en Bosnië & Herzegovina. Terwijl in dat laatste land de drie groepen die in het conflict elkaar naar het leven stonden (moslims, Kroaten en Serven) uiteindelijk tot een en dezelfde etnische groep behoren, heeft men in Kosovo in hoofdzaak te maken met twee groepen (Kosovo-Albanezen en Serven), die een verschillende taal, religie en cultuur kennen en bevendien tot verschillende etnische groepen behoren.

Er is nog een andere reden waarom de Kosovo-Albanese samenleving zo slecht in staat is om haar aandeel te leveren aan de multi-etnische samenleving die de Internationale Gemeenschap daar wenst te bevorderen. Ondanks het feit dat er in Kosovo verkiezingen zijn gehouden die transparant en goed georganiseerd waren en een relatief hoge opkomst hadden, zijn de politieke partijen in hun interne structuur nog teveel een afspiegeling van traditionele Albanese machtsstructuren, die geen enkele democratie van de basis toestaan.

Binnen de partij zijn geen democratische verkiezingen van het leiderschap, zodat nieuwe gematigde geesten worden belet op te staan. Een krachtige veroordeling van het recente geweld tegen de Serven is voor de meeste politieke leiders een te riskante zaak; zij worden daarover onmiddellijk binnen de traditionele structuur aangesproken of bestraft.

De grote verontwaardiging die EU-speciale vertegenwoordiger Solana heeft uitgesproken over de minabele rol van de Kosovo-Albanese politieke leiders tijdens de rellen is terecht; het is niet de `schuld' van het ontbreken van zekerheid over de status van Kosovo, die ten grondslag ligt aan deze uitbarsting van haat, maar de volstrekt ondemocratische en criminele informele machtstructuur die de Kosovo-Albanezen nog steeds gevangen houdt.