Afkerig van uitersten

,,Agent! Dat type daar staat iedereen te betasten.'' In `dat type', op de spotprent in het satirische weekblad Le Canard Enchâiné, herkent de lezer moeiteloos de Franse premier Jean-Pierre Raffarin. De grap heeft, zoals alle geslaagde humor, een serieuze ondertoon. Er schuilt inderdaad iets onbetamelijks in de `warmte', waarmee Raffarin sinds zijn aantreden in mei 2002 (en zodra de camera's snorren) argeloze landgenoten op de wangen kust en over de bol aait.

Hetzelfde problematische aspect kleeft aan het door Raffarin gemunte begrip `la France d'en bas', het Frankrijk van beneden. Ofschoon bedoeld als koosnaampje om zijn afkeer van het arrogante Parijs en zijn hartstocht voor de provincie uit te drukken, leent de uitdrukking zich even gemakkelijk voor een precies tegenovergestelde interpretatie. De kiezer lijkt, op z'n zachtst gezegd, aan de laatste uitleg de voorkeur te hebben gegeven: juist de simpelmannen van het Frankrijk van beneden hebben Raffarin afgelopen zondag als een stoomwals met de grond gelijkgemaakt. Dank zij de proteststemmen tegen zijn beleid zijn nu 21 van de 22 regio's in handen van de linkse oppositie, waarmee een ware scheiding in het bestuur van het land een feit is geworden. In deze moeilijke omstandigheden heeft het president Jacques Chirac behaagd Raffarin een herkansing te geven, met een grondig gerenoveerde ploeg.

Raffarin (55) leek destijds, gesteund door een grote meerderheid in het parlement, de juiste man voor het hervormen van de verzorgingsstaat. Hij is erfgenaam van het liberalisme van oud-president Valéry Giscard d'Estaing, afkerig van uitersten, van `te veel Staat', links noch erg rechts. Hij is pragmaticus, met een voorliefde voor het `gezond verstand'.

Het verklaart zijn reactie op sociale onrust, in hoge mate gekenmerkt door ad hoc-oplossingen. Niet alleen lijken die vaak verdacht veel op paniekvoetbal, de aardse Raffarin heeft in zijn tegemoetkomingen ook steeds een voorkeur voor commerciële categorieën aan de dag gelegd. Terwijl hij doof bleef voor de eisen van wetenschappers en van tijdelijke arbeidskrachten in de culturele sector, deelde hij steun uit aan de tabakswinkeliers, de kleine en middelgrote bedrijven, de restauranthouders en de belastingbetaler. En terwijl de werkloosheid weer opliep en de economie stagneerde, morrelde hij aan de rechten van uitkeringstrekkers.

Aanvankelijk geroemd om zijn communicatieve kwaliteiten bleek de oud-reclameman Raffarin vaak ook bedenker van het verkeerde woord op het verkeerde moment. Zo noemde hij de Europese Unie `een of ander bureau in een of ander land'. Zijn pogingen tot decentralisatie werden steevast ontmaskerd als bezuinigingsmaatregelen. In weerwil van zijn afkeer van etatisme gaf hij als het erop aankwam de voorkeur aan aloude Parijse machtspolitiek, ten koste van de door hem geprezen `sociale dialoog'.

Dezelfde laconieke provincieman die twee jaar geleden onderstreepte dat hij `niet zo nodig' hoefde en hij met evenveel liefde Poitou-Charentes was blijven besturen (wat hij veertien jaar deed), houdt nu tegen de klippen op `mijn rug recht' en blijkt op bijna masochistische wijze verknocht aan zijn positie.