Zeeuws zeebanket

Twintig jaar geleden was het een koud kunstje om uit de Zeeuwse wateren een vismaal bij elkaar te hengelen. Nu gaat het alleen nog echt goed met de Oosterschelde- kreeft. Morgen begint het vangstseizoen.

Het was een likkebaardend lekker geheim: op het werkeiland Neeltje Jans in de monding van de Oosterschelde kon je gratis oesters eten. Miljoenen kwamen er bij laagwater droog te liggen, onderaan een stuk van de stenen dijk. Bij het vissen op gepen in het voorjaar hoefde je alleen maar een mesje en een citroen mee te nemen voor een luxe lunch.

Inderdaad: kón je gratis oesters eten. We hebben het over twintig jaar geleden. Op een kwaad moment kwamen Chinese restauranthouders er ook achter en die schraapten de schelpen en masse van het talud. Dat was na een paar weken kaal. Ze zijn intussen weer aangegroeid, maar de pluk is illegaal verklaard en het toezicht streng.

Het is niet de enige droef afgelopen zeevruchtennostalgie van een Zeeuwse jeugd. Een middagje wintervissen aan het strand van Zoutelande bracht vroeger altijd wat kabeljauw op, een avondje zomervissen in Domburg meestal een maaltje tong. Paling? In mijn, niet helemaal legale, fuik in een wetering bij Veere was het doorgaans prijs. Misschien is het de overbevissing, zijn het de Deltawerken, El Niño voor mijn part, maar dat uitbundige zeeleven van toen is er nu niet meer. Misschien ook betekent dat ,,Petri Heil!'' dat Duitse toeristen ons vissers altijd toewensten helemaal geen ,,goeie vangst!'' maar is het een Teutoonse banvloek.

Er is een opmerkelijke uitzondering op deze trend: de Oosterscheldekreeft. In de jaren zeventig, begin tachtig kwam de Homarus gammarus niet voor. Maar nu worden ze bij tienduizenden door vissers met fuiken uit het heldere water van de zeearm gevangen. Dat kan overigens niet ongelimiteerd. Het kreeftenseizoen is maar een paar maanden open. Morgen is de eerste dag, 15 juli de laatste.

Waar zijn al die kreeften toch vandaan gekomen? De vraag wordt voorgelegd aan Gerard Heerebout, Zeeuws kreeftenkenner bij uitstek – en mijn oude leraar biologie. ,,De kreeften hebben er gewoon heel lang over gedaan om de strenge winter van 1963 te boven te komen. Kreeften zijn notoir kwetsbaar voor kou.'' In die winter vroren grote delen van de Oosterschelde dicht. De vrieskou op de droogvallende zandplaten maakte deze tot een soort reusachtige koelelementen. Dat maakte het water zelfs nog veel kouder dan dat van de Noordzee.

Dat was niet het enige desastreuze effect van die winter op de kreeftenstand. Toen de dooi eenmaal was ingetreden, spoelden grote hoeveelheden smeltwater door de grote rivieren de Oosterschelde in. ,,Het water verzoette en ook daar kunnen kreeften niet tegen.'' Een paar heel sterke exemplaren, of dieren die in de diepte verscholen waren, overleefden, waarna de populatie weer langzaam toenam.

De huidige terugkeer van de Oosterscheldekreeft zou je het happy end kunnen noemen van een complex onderwaterdrama. ,,Kreeften komen pas sinds 1868 in de Oosterschelde voor.'' In dat jaar werd een dam aangelegd tussen Bergen op Zoom en Zuid-Beveland, waardoor zoet water uit de Belgische Schelde de zeearm niet meer kon bereiken. ,,Daardoor werd het zoutgehalte hoog genoeg, zodat de kreeften er konden leven. In 1883 belandde de eerste officieel geregistreerde kreeft in het net van een palingvisser. Die was stomverbaasd.''

De vaak gehoorde suggestie als zouden Zeeuwse kreeften afstammelingen zijn van Noorse dieren die in de Gouden Eeuw, op weg naar een feestmaal van kooplieden, bij een schipbreuk waren ontsnapt, wijst Heerebout dan ook van de hand. In die tijd waren er op de zandige bodem ook nauwelijks schuilplaatsen voor de rotsminnende schaaldieren te vinden.

De aanwezigheid van de delicatesse in Zeeuwse wateren bracht de stemming er bij de arme palingvissers goed in. ,,Met overbevissing van het kreeftenbestand tot gevolg. In 1930 waren ze vrijwel uitgeroeid.''

Het duurde zeker twintig jaar voor de populatie zich na die barre winter van 1963 een beetje had hersteld. De steenstortingen, de dijkverzwaringen en de stormvloedkering zorgden voor een grote uitbreiding van het aantal. ,,En het ging pas echt goed toen in de tweede helft van de jaren tachtig dammen ten oosten van de Oosterschelde werden aangelegd. Die sloten de toevoer van zoet water uit het achterland af.''

Water dat zout genoeg is en een hoop schuilplaatsen: kreeften hebben nu een mooie toekomst. Je kunt de kreeften zelfs op sommige plekken zelf vangen, gewoon vanaf de kant. Maar ook dat schijnt verboden te zijn, dus ik zeg lekker niet waar.