Vrijspraak om fout in opsporing

De rechtbank in Maastricht heeft gisteren een verdachte van wapen- en heroïnebezit vrijgesproken omdat de marechaussee huiszoeking bij hem had gedaan zonder wettelijke basis. Volgens de rechtbank mag de marechaussee alleen opsporingsonderzoek doen bij verdenkingen van grensoverschrijdende criminaliteit.

Een marechausseeteam deed in december huiszoeking bij de man in Heerlen op basis van informatie van de Centrale Inlichtingen Eenheid dat daar een wapen en harddrugs aanwezig zouden zijn. De huiszoeking gebeurde op basis van een `machtiging tot binnentreden', afgegeven door een onderofficier van de marechaussee.

Volgens de rechtbank is het bezit van wapens geen delictsvorm die ,,naar zijn aard, of naar algemene ervaringsregels een grensoverschrijdend karakter heeft''. De vergaarde bewijzen zijn daarom onrechtmatig verkregen ,,en kunnen niet leiden tot veroordeling van de verdachte''.

De uitspraak kan consequenties hebben voor de opsporingsonderzoeken van de marechaussee. Volgens een woordvoerder van het ministerie van Defensie, waar de marechaussee onder valt, komt het in de praktijk enkele tientallen keren per jaar voor dat de marechaussee samenwerkt met de politie bij dergelijk onderzoek. Daarvoor beschikt de marechaussee over zeven zogeheten GOC-teams (grensoverschrijdende criminaliteit). Dat opsporingsonderzoek staat los van de marechausseetaken op de vliegvelden en controles in het kader van het mobiel toezicht op vreemdelingen. Het ministerie wil het vonnis in deze zaak bestuderen om te kijken welke consequenties daar in de praktijk voor het functioneren van de GOC-teams uit voortvloeien.

De rechtbank beroept zich in haar vonnis op een convenant grensoverschrijdende criminaliteit uit 1993 van Defensie, Justitie en Binnenlandse Zaken, waarin de opsporingsbevoegdheden van de marechaussee geregeld zijn.