Terug naar Kroatië? Er is geen werk

Servië telt na de oorlogen in Kroatië, Bosnië en Kosovo nog een half miljoen vluchtelingen. Voor velen gaan dit jaar de laatste kampen dicht.

Novak Šorgic is een jongeman in een groengeruit overhemd, met grote verbaasde ogen en zwart stekelhaar dat recht overeind staat en dat van boven plat is afgeschoren. Als we binnenkomen voor een gesprek, moeten stoelen haastig worden verplaatst, Novaks broer trekt zich terug op een van de stapelbedden, hun moeder gaat achter Novak zitten, op een bed, ze legt haar kin in haar hand, ze knikt bij alles wat hij zegt, ze knikt wel honderd keer, maar ze zegt niets.

Het gezin Šorgic – twee ouders en twee broers – woont met 750 andere Servische vluchtelingen uit Kroatië, Bosnië en Kosovo in het kamp van Smederevo, een kilometer of zeventig van Belgrado, in de schaduw van de staalfabriek die inmiddels is opgekocht door US Steel. De kluit houten barakken van het vluchtelingenkamp is ooit neergezet voor de arbeiders die de staalfabriek bouwden. De kamer waar de familie Šorgic al jaren leeft meet vier bij vier meter, naast de stapelbedden en vier stoelen staan er een tafeltje, een fornuis en een kast. Het is er vol, vochtig en klam. Aan de muren plaatjes van smachtende Christussen en een grote foto van een breed lachende Ratko Mladic, de van oorlogsmisdaden verdachte, voormalige Bosnisch-Servische legerleider.

We wonen hier nu zes jaar, zegt Novak. In het vorige kamp zaten we met achttien mensen in een kamer. Hier is een centrale keuken, voor het hoognodige, er is verwarming en water, elke barak telt acht kamers voor acht gezinnen, twee douches en twee wc's.

Vluchtelingen zijn ze sinds 1995. Vijftien was Novak toen. Ze woonden in een dorp bij Knin, in het zuiden van Kroatië. In dat jaar werd Knin, de Hochburg van de Kroatische Serviërs, door de Kroaten veroverd. Meer dan een paar lakens konden ze op hun vlucht niet meenemen. ,,Ons huis is geplunderd, het dak ligt er nog op, maar zelfs de kozijnen zijn gestolen.'' Zijn moeder knikt.

Kroatië, dat de EU in wil en onder druk staat om vluchtelingen te laten terugkeren, zegt dat het ze gráág verwelkomt, maar dat alleen de ouderen – die recht hebben op een pensioentje – daadwerkelijk komen: de jongeren komen niet omdat in hun oorspronkelijke woongebied de werkloosheid vijftig procent bedraagt. Wil Novak terug? ,,Er zijn geen banen. Ik zou morgen teruggaan als het anders was.'' En dus blijft hij hier, in Servië, hij heeft geen werk, maar wel een opleiding, hij is automonteur.

Het kamp van Smederevo wordt in juni gesloten, althans, voor de vluchtelingen uit Bosnië en Kroatië. Die uit Kosovo mogen blijven: zij zijn geen vluchtelingen maar idp's (internally displaced persons) omdat Kosovo formeel geen buitenland is. Wat gaat Novak doen? ,,We moeten een woning huren. Maar de huren zijn enorm, 150 euro per maand. Iemand moet ons helpen.'' Het liefst gaat hij naar Belgrado, zegt hij: daar is de kans op werk het grootst. Elk baantje wil hij aannemen, en zijn broer ook, en zijn vader ook.

Zijn grote ogen schieten vol als hij denkt aan de afgelopen tien jaar. ,,Ik heb geen jeugd gehad. Ik ben alles kwijtgeraakt.'' Toch haat hij de Kroaten niet, zegt hij, ,,boos ben ik alleen op de leiders van bepaalde landen. Zij hebben haat gepredikt.'' Zijn moeder knikt.

Servië, zegt in Belgrado Stanko Pevac, vice-voorzitter van de (regerings)commissie voor vluchtelingen, telt een half miljoen vluchtelingen en idp's: 186.000 uit Kroatië, 90.000 uit Bosnië en 220.000 uit Kosovo. Ze kunnen integreren, in Servië, 106.000 Kroatische Serviërs hebben dat al gedaan. Iedereen is verzekerd, iedereen mag ook werken in Servië. Het probleem is alleen dat er geen werk is. Vergeet niet, zegt Pevac, elke derde inwoner van dit land leeft onder de armoedegrens.

:pagina ]

Met Bosnië is de relatie nu heel goed, zegt Pevac, een lange, gedreven man. Heel goed zelfs. Servische en Bosnische experts praten, er zijn bilaterale akkoorden, vluchtelingen krijgen hun huis terug of worden gecompenseerd, en ze mogen twee paspoorten hebben. ,,Met Kroatië is de situatie absoluut anders.'' Tot het aantreden van de huidige Kroatische premier Sanader in december waren de Kroaten ,,absoluut niet geïnteresseerd in samenwerking''.

Vooral het zogenoemde tenancy right is een heikel punt, zegt Pevac. Alle bewoners van staatswoningen in Joegoslavië kregen in 1989 het recht hun huurwoning voor weinig geld van de staat te kopen. In Kroatië werd halverwege de oorlog door president Tudjman vastgesteld dat alleen mensen die daadwerkelijk in die woning woonden dat recht hadden. De Serviërs die al waren gevlucht verloren het recht op hun woning. Pevac: ,,Zestigduizend Serviërs willen hun woning in Kroatië kopen, maar mogen dat niet.'' Veiligheid is in Kroatië geen onoverkomelijk probleem meer, zegt Pevac, er is de klassieke discriminatie natuurlijk, maar werkloosheid en huisvesting zijn veel grotere problemen.

Van de vluchtelingen in Servië woont zestig procent in huurwoningen en 35 procent bij familie. De rest, vijf procent, woont in kampen als die in Smederevo. In juni gaan ze dicht: het geld is op, zegt Pevac, duizend dollar per persoon per jaar kosten ze, en alle donoren zijn weggelopen, zelfs de UNHCR, ze zeggen: de fase van opvang is voorbij, de fase van opbouw moet beginnen. Dat weglopen van de donors is dramatisch, maar we zijn het op zich niet oneens met de redenering, zegt Pevac: ,,Na tien jaar raken mensen eraan gewend dat anderen voor hen zorgen, ze worden er apathisch van, ze raken vast in een cyclus van afhankelijkheid, ze zijn geen mensen meer, ze zijn komkommers. Er zijn programma`s opgesteld om hen op gang te helpen als de kampen straks dichtgaan.''

Zoran Petrovic is directeur van het kamp van Smederevo. De meeste vluchtelingen uit Kroatië komen uit Knin en omgeving, zegt hij. Voor hen is het het moeilijkst om terug te keren, want Knin is herbevolkt met Kroaten uit Herzegovina, de meeste extreme Kroaten. Knin is een straatarm gebied. De vluchtelingen uit Knin zijn de meest achtergebleven en hulpeloze van allemaal, sommigen hadden toen ze hier kwamen nog nooit een ambulance gezien, of een kraan.

In het kamp in Smederevo woont Dragiša, met haar zoons van twaalf en zestien en haar gehandicapte man. Een bleke, bange vrouw van 35 met krullen. Ze wil eerst haar naam niet geven, waarom moet je die weten, laat ons met rust, het helpt allemaal toch niks. Haar achternaam houdt ze uiteindelijk zelf. Ook zij vluchtten in 1995 uit een dorp bij Knin, het is zwaar hier, zegt ze, de kinderen worden elke dag groter en willen meer eten en ze hebben kleren nodig, het is heel moeilijk. ,,Ik toon het niet, maar ik lijd van binnen. We zijn allemaal ziek, onze zenuwen zijn ziek, we kunnen niet slapen'', en ze wijst naar een plank vol medicijnen.

Wat ze gaat doen als ze het kamp uit moet? Ze haalt de schouders op. Zoekt ze iets? Werk? Onderdak? Ze haalt de schouders op. We weten gewoon niets. Ons vroegere huis bij Knin is verwoest. Ook zij schiet vol, we hadden iets, werk, een huis, we konden normaal leven, nu hebben we niets meer. Teruggaan kan niet, zegt Dragiša, mijn man heeft drie Kroatische kampen van binnen gezien, en zoals wij hier zeggen: als je door een slang gebeten bent, ben je al bang voor een hagedis.