Succesvol op eigen benen

Surinaamse vrouwen presteren niet alleen beter dan andere allochtone vrouwen, maar streven zelfs autochtone vrouwen voorbij als het gaat om inkomen en economische zelfstandigheid. Surinaamse meisjes krijgen met de paplepel ingegoten dat ze op eigen benen moeten kunnen staan. ,,Mijn oma zei altijd: `Je diploma is je man'.''

Voor Lilian Callender, lid van de commissie Pavem (Participatie van Vrouwen uit Etnische Minderheidsgroepen), directeur van de School of Economics in Haarlem en gemeenteraadslid in Den Haag, was het normaal dat zij zou gaan werken. ,,Ik zag mijn oma en moeder werken. Ook al mijn Surinaamse vriendinnen werken. Mijn moeder zei altijd: als je man je verlaat, moet je één keer huilen omdat hij weg is. Maar je moet niet huilen omdat je dan geen inkomsten meer hebt.''

Surinaamse vrouwen doen het goed in het onderwijs en op de Nederlandse arbeidsmarkt. De schooluitval onder Surinamers is beduidend lager (9 procent) dan onder Turkse (22 procent), Marokkaanse (16 procent) en Antilliaanse (12 procent) meisjes. Bovendien zijn Surinaamse meisjes vergeleken met Turken, Marokkanen, Antillianen en Molukkers het vaakst te vinden op havo en vwo. Bijna de helft van de Surinaamse meisjes volgt deze richting, net zo vaak als autochtone meisjes. Dat staat in het rapport Emancipatie in estafette van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek (ISEO) van de Erasmus Universiteit over de positie van vrouwen uit etnische minderheden.

Maar ook in vergelijking met autochtone vrouwen presteert deze groep goed. De ruim 120.000 Surinaamse vrouwen in de leeftijd van 15 tot 65 jaar hebben net zo vaak als autochtonen een baan (56 procent van beide groepen is actief op de arbeidsmarkt). Bij Turkse en Marokkaanse vrouwen is de arbeidsparticipatie veel lager, circa 25 procent. Vergeleken met alle groepen verdienen werkende Surinaamse vrouwen gemiddeld het meest (16.000 euro netto per jaar). Ook zijn zij het vaakst economisch zelfstandig. Van hen verdient 43 procent ten minste 70 procent van het minimumloon. Van de autochtone vrouwen is 39 procent economisch zelfstandig.

Net als Callender krijgen veel Surinaamse vrouwen, in alle lagen van de bevolking, mee dat zij op eigen benen moeten kunnen staan. Dat geldt ook voor Laetitia Griffith, Tweede-Kamerlid voor de VVD. In 1987, op twintigjarige leeftijd, kwam ze van Suriname naar Nederland. Ze studeerde rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en werkte onder meer als juridisch medewerker en senior beleidsadviseur bij het ministerie van Justitie. ,,Mijn moeder, die zelf ook werkte, zorgde ervoor dat we naar school gingen en huiswerk maakten. Ze hoefde mij niet aan te sporen, ik leerde graag'', lacht ze.

Surinaamse meisjes wordt geleerd dat zij alles zelf moeten kunnen. De jongens worden minder hard aangepakt. Moeders wijzen hun dochters erop dat ze er best alleen voor kunnen komen te staan. ,,Het is niet ongewoon dat Surinaamse vrouwen hun kinderen alleen opvoeden. Jongens krijgen minder nadrukkelijk mee dat zij ooit voor een gezin moeten zorgen en daar verantwoordelijk voor zijn'', zegt Marjolijn Distelbrink, onderzoekster bij het ISEO.

Carmen Breeveld, Surinaamse en Zwarte Zakenvrouw van het Jaar, herkent de harde aanpak. ,,Jongens en meisjes worden beiden gestimuleerd om goed te presteren op school. Maar meisjes moeten zich drie keer harder bewijzen. Ik moest alles kunnen: mijn broertjes en zusjes verzorgen, meehelpen in de huishouding en ook op school moest ik het goed doen. Je wordt weerbaar en groeit op in dat tempo. Mijn broers hoefden dat niet.''

De drang naar zelfstandigheid is één reden waarom de arbeidsparticipatie van Surinaamse vrouwen hoog is. Ook de migratieachtergrond is van invloed. ,,De eerste migratiegolf uit Suriname, eind jaren vijftig, bestond uit de zogenoemde elitemigranten'', vertelt Justus Veenman, hoogleraar economische sociologie aan de Erasmus Universiteit en directeur van het ISEO. Zij hadden in Suriname al een opleiding achter de rug en wilden in Nederland verder leren. Dit in tegenstelling tot de Turkse en Marokkaanse migranten, die vaak al in het land van herkomst laag geschoold waren. ,,De kinderen van deze Surinaamse migranten hebben dankzij het opleidingsniveau van hun ouders goede kansen.'' Daarbij hadden de Turken en Marokkanen een taalbarrière, die de Surinamers nauwelijks kenden. En de Surinamers kwamen vaker met het hele gezin naar Nederland, terwijl bij Turken en Marokkanen eerst de man kwam en later vrouw en kinderen.

Maar waarom wordt er zo op gehamerd dat de Surinaamse vrouw zelfstandig moet zijn? ,,Zij zien de man niet als blijvende factor'', legt Mérove Gijsberts, onderzoekster van het SCP, uit. ,,De Surinaamse vrouw bouwt haar leven niet om een man heen.'' De kans op scheiding is groot, zegt ook Gloria Wekker, Surinaamse en hoogleraar Gender en Etniciteit aan de Universiteit Utrecht. ,,De ouders geven hun dochters dus een heel realistische boodschap mee.''

Bovendien is de Creools-Surinaamse cultuur van oudsher een matrifocale cultuur, zegt hoogleraar Veenman. ,,De vrouw staat centraal. De rol van de man, als verzorger, is minder belangrijk.'' Het zijn vooral de vrouwelijke familieleden van wie de moeder steun krijgt. ,,Voor autochtonen is het uniek om een kind te krijgen'', vertelt Griffith. ,,Voor Surinamers is het een van de vele nieuwelingen in de familie. Zo'n kind wordt gedeeld met elkaar en zo is het makkelijker voor een vrouw om te blijven werken. Ik heb geen kinderen, maar wel een kinderkamer voor als ik op een neefje of nichtje moet passen.''

De waarschuwing van moeders aan hun dochters dat ze alleen hun kinderen moeten verzorgen, is niet ongegrond. Het aantal alleenstaande Surinaamse moeders is bovengemiddeld. Van de Surinaamse vrouwen met kinderen vormt bijna de helft een eenoudergezin. Onder autochtone vrouwen is dat 10 procent. Maar dit hoge aandeel alleenstaande moeders is geen verklaring voor de hoge arbeidsparticipatie van deze vrouwen. De stelling dat deze alleenstaanden wel móéten werken om voor hun kinderen te kunnen zorgen, gaat niet altijd op. Veel van de alleenstaande moeders zitten in de bijstand. Deze alleenstaande moeders hebben ook niet vaker een baan dan alleenstaande autochtone vrouwen.

De positie van de Surinaamse vrouw is niet in alle gevallen een succesverhaal. Er is ook een grote groep `kansarme' Surinaamse vrouwen, blijkt uit het rapport Emancipatie in estafette. ,,Zij hebben alleen de lagere school gevolgd, hebben bijna geen contact met autochtonen en ze zijn niet economisch zelfstandig'', zegt Ans Merens, onderzoekster bij het SCP. Van alle Surinaamse vrouwen is 12 procent werkloos. Onder autochtone vrouwen is dat circa 4 procent. Het zijn met name de alleenstaande vrouwen met kinderen die vaak `kansarm' zijn. In Suriname kunnen zij terugvallen op een grote familie, maar in Nederland kan dat minder. ,,Het is lastig in Nederland als alleenstaande vrouw werk en de zorg voor je kinderen te combineren'', vertelt Distelbrink. ,,Bovendien kun je een uitkering krijgen, in Suriname niet.''

Het grote verschil tussen de Surinaamse vrouwen onderling is ook te verklaren door de heterogeniteit binnen de groep. ,,Na de elitemigranten kwam er in de jaren zeventig een groep die om politieke redenen migreerde'', legt Veenman uit. ,,En er kwam nog een golf op gang net voor en na de onafhankelijkheid in 1975. Velen emigreerden zodat ze hun Nederlandse nationaliteit konden behouden. Deze groepen kwamen niet, zoals de elitemigranten, vooral uit de steden, maar ook van het platteland.'' Ook is de bevolking in Suriname erg gemêleerd doordat in de zeventiende eeuw uit allerlei landen mensen werden geïmporteerd voor de slavernij. ,,Hindoestaanse Surinamers hebben bijvoorbeeld traditionelere opvattingen. De positie van Hindoestaanse vrouwen op de arbeidsmarkt is daardoor minder dan die van de Creoolse.''

De vrouwen die wel vaak werken, zijn de Surinaamse moeders met een partner. Van hen heeft 73 procent een baan. Onder autochtone vrouwen is dat 59 procent. De gewoonte dat de vrouw blijft werken als zij kinderen krijgt, gaat terug tot de slavernij in Suriname. Tijdens deze tijd, van eind zeventiende eeuw tot 1863, werkten man én vrouw. ,,Er was weinig gender onderscheid'', zegt Gloria Wekker. Daarbij hadden mannen en vrouwen wel gelegenheden om kinderen te krijgen, maar konden zij ook weer uit elkaar gehaald worden, meent hoogleraar Veenman. ,,Bovendien werd het hun verboden te huwen.'' Na de slavernij stortte de plantagelandbouw, waar veel slaven werkten, in. Buiten de plantages waren er maar weinig economische alternatieven. Een goede vaste baan was moeilijk te krijgen. Distelbrink: ,,De vrouwen konden er niet vanuit gaan dat de man het geld binnen bracht. En de man verdeelde zijn geld vaak niet alleen over zijn gezin, maar ook over een ex-vrouw of vrouwelijke familieleden.''

Een echte emancipatiegolf zoals die in de jaren zestig onder autochtone vrouwen plaatsvond, is er nooit onder Surinaamse vrouwen geweest. Dat ook de moeders blijven werken, heeft volgens Distelbrink te maken met de economische zelfstandigheid die zij te allen tijde nastreven. ,,Het leven houdt niet op als er kinderen zijn'', zegt Griffith. Rachel Johns, studente aan de mbo-opleiding Sociale Dienstverlening in Eindhoven, wil een zo hoog mogelijke opleiding volgen. ,,Ik ga hierna een hbo-opleiding volgen. Ik denk niet dat je ver komt met een mbo-diploma.'' Reden? ,,Ik wil later kunnen sparen en ik wil niet afhankelijk zijn van een man.'' Johns, opgevoed door haar oma, kreeg mee dat ze op eigen benen moet staan. ,,Ze zei altijd: je diploma is je man.''